Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:3873

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-11-2018
Datum publicatie
28-11-2018
Zaaknummer
201801405/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2018:35, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 oktober 2016 heeft de staatssecretaris een verzoek van [appellant] om inzage in de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201801405/1/A3.

Datum uitspraak: 28 november 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats] (Verenigd Koninkrijk),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 januari 2018 in zaak nr. 17/1461 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Financiën.

Procesverloop

Bij besluit van 28 oktober 2016 heeft de staatssecretaris een verzoek van [appellant] om inzage in de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens afgewezen.

Bij besluit van 25 januari 2017 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 januari 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 oktober 2018, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. I.A. Huppertz, is verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Op 25 mei 2018 is de Algemene verordening gegevensbescherming in werking getreden en de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp) ingetrokken. Omdat de besluiten in deze zaak vóór deze dag zijn genomen, blijft de Wbp in deze zaak van toepassing.

2.    [appellant] en de inspecteur van de Belastingdienst (hierna: de inspecteur) zijn verwikkeld in fiscale procedures. Naar aanleiding van deze fiscale procedures heeft [appellant] verzocht om hem op grond van artikel 35 van de Wet bescherming persoonsgegevens de bij de inspecteur bekende gegevens over zijn vermeende buitenlandse vermogen, en alle gegevens die ten grondslag liggen aan de beslissing om een onderzoek naar zijn fiscale woonplaats in te stellen, te verstrekken.

    De staatssecretaris heeft dit verzoek afgewezen op grond van artikel 43, aanhef en onder c en d, van de Wbp. De door [appellant] verzochte informatie over verwerkte persoonsgegevens houdt verband met het toezicht op de naleving van de wettelijke voorschriften inzake de heffing van rijksbelastingen en verstrekking ervan kan nadelig zijn voor de mogelijkheid om de belastingschuld te verhalen waardoor gewichtige economische en fiscale belangen van de Staat worden geschonden, aldus de staatssecretaris. Deze belangen zijn volgens de staatssecretaris van groter belang dan de belangen van [appellant] bij inzage in de persoonsgegevens. Ten aanzien van het verzoek om alle gegevens die ten grondslag liggen aan de beslissing om een onderzoek naar de fiscale woonplaats van [appellant] in te stellen heeft de staatssecretaris verwezen naar een op een eerder moment aan [appellant] verstrekte Cd-rom.

Procesbelang

3.    De staatssecretaris heeft gesteld dat [appellant] geen procesbelang meer heeft bij de beoordeling van zijn hoger beroep omdat hij de stukken, waarin de hem betreffende persoonsgegevens staan, heeft gekregen nadat het hof Arnhem-Leeuwarden bij tussenuitspraak van 8 mei 2018 heeft beslist dat beperking van de kennisneming van die stukken niet is gerechtvaardigd.

3.1.    [appellant] heeft de staatssecretaris in zijn bezwaarschrift van 8 november 2016 verzocht om vergoeding van de door haar gemaakte proceskosten in verband met de behandeling van het bezwaar. Dit verzoek heeft hij in beroep en hoger beroep herhaald. In artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover hier van belang, is bepaald dat de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken uitsluitend worden vergoed voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat [appellant] belang heeft bij een heroverweging van het primaire besluit.

Wettelijk kader

4.    Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de Wbp heeft de betrokkene het recht zich vrijelijk en met redelijke tussenpozen tot de verantwoordelijke te wenden met het verzoek hem mede te delen of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt. De verantwoordelijke deelt de betrokkene schriftelijk binnen vier weken mee of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt.

    Ingevolge artikel 35, tweede lid, van de Wbp bevat indien zodanige gegevens worden verwerkt, de mededeling een volledig overzicht daarvan in begrijpelijke vorm, een omschrijving van het doel of de doeleinden van de verwerking, de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft en de ontvangers of categorieën van ontvangers, alsmede de beschikbare informatie over de herkomst van de gegevens.

    Ingevolge artikel 43 van de Wbp kan de verantwoordelijke de artikelen 9, eerste lid, 30, derde lid, 33, 34, 34a, tweede lid, en 35 buiten toepassing laten voor zover dit noodzakelijk is in het belang van:

(…)

(c) gewichtige economische en financiële belangen van de staat en andere openbare lichamen;

(d) het toezicht op de naleving van wettelijke voorschriften die zijn gesteld ten behoeve van de belangen, bedoeld onder b en c;

(…).

Aangevallen uitspraak

5.    De rechtbank heeft het beroep van [appellant] tegen het besluit op bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat volgens haar [appellant] de bevoegdheid om een verzoek in te dienen op grond van de Wbp heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is gegeven.

Hoger beroepsgronden

6.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat uit het feit dat hij heeft verzocht om gegevens van geheime stukken, moet worden afgeleid dat hij dit verzoek heeft gedaan met een ander doel dan waarvoor de Wbp is bedoeld. De rechtbank miskent volgens [appellant] dat hij de gegevens mede heeft opgevraagd met het doel om de juistheid, de volledigheid en de rechtmatigheid daarvan te beoordelen. Bovendien ontbreekt de voor misbruik vereiste kwade trouw, aldus [appellant].

Oordeel van de Afdeling over het hoger beroep

6.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraken van 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4129 en ECLI:NL:RVS:2014:4135), kan ingevolge artikel 13, gelezen in verbinding met artikel 15, van Boek 3 van het BW, de bevoegdheid om bij de bestuursrechter beroep in te stellen niet worden ingeroepen voor zover deze bevoegdheid wordt misbruikt. Deze artikelen verzetten zich tegen inhoudelijke behandeling van een bij de bestuursrechter ingesteld beroep dat misbruik van recht behelst en bieden een wettelijke grondslag voor niet-ontvankelijkverklaring van een zodanig beroep. Daartoe zijn zwaarwichtige gronden vereist, die onder meer aanwezig zijn indien rechten of bevoegdheden zodanig evident zijn aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij zijn gegeven, dat het aanwenden van die rechten of bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw.

6.2.    Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat dergelijke zwaarwichtige gronden in dit geval niet aanwezig zijn. Er zijn onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat [appellant] dan wel diens gemachtigde in deze zaak ontwrichtend gedrag jegens de staatssecretaris heeft getoond en er zijn geen aanwijzingen dat zijn werkwijze dan wel die van zijn gemachtigde uitsluitend dient om een dwangsom dan wel een proceskostenveroordeling te incasseren. Hoewel [appellant] de gegevens wil hebben ten behoeve van zijn fiscale procedures en het in beginsel voor de hand ligt dat hij de stukken waarin die gegevens staan in die procedures opvraagt, heeft de rechtbank ten onrechte daaraan het oordeel verbonden dat zijn verzoek om inzage in de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens niet tot doel heeft na te kunnen gaan of zijn gegevens op juiste wijze worden verwerkt als bedoeld in de Wbp. [appellant] heeft aannemelijk gemaakt dat hij het verzoek ook heeft ingediend omdat hij de gegevens wil controleren op hun juistheid. Voorts acht de Afdeling van belang dat ingevolge het tweede lid van artikel 35 van de Wbp de staatssecretaris niet de stukken moet overleggen maar een (volledig) overzicht in begrijpelijke vorm van de verwerkte persoonsgegevens, een omschrijving van het doel of de doeleinden van de verwerking, de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft en de ontvangers of categorieën van ontvangers, alsmede de beschikbare informatie over de herkomst van de gegevens. Dat de staatssecretaris het beleid hanteert dat hij bij verzoeken op grond van de Wbp inzage verleent in de stukken in plaats van een overzicht te maken, kan geen grond zijn voor het oordeel dat [appellant] de stukken in de fiscale procedure moet opvragen en de bevoegdheid om een verzoek in te dienen op grond van de Wbp heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is gegeven.

    De rechtbank heeft derhalve ten onrechte het beroep van [appellant] niet-ontvankelijk verklaard vanwege het maken van misbruik van recht.

    Dit betoog slaagt.

Slotsom hoger beroep

7.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. De Afdeling zal de door [appellant] in beroep aangevoerde gronden beoordelen voor zover de rechtbank dat niet heeft gedaan.

Beroepsgronden: Formele beroepsgrond

8.    [appellant] heeft in beroep aangevoerd dat degene die het besluit van 28 oktober 2016 namens de inspecteur heeft genomen, E. Velsink, zich heeft bemoeid met het besluit op bezwaar door een dag na de datum van het bezwaarschrift nog een brief aan [appellant] te sturen.

8.1.    Deze grond slaagt niet. Ingevolge artikel 10:3 van de Awb wordt mandaat tot het beslissen op een bezwaarschrift of op een verzoek als bedoeld in artikel 7:1a, eerste lid, niet verleend aan degene die het besluit waartegen het bezwaar zich richt, krachtens mandaat heeft genomen. Het besluit op bezwaar is namens de staatssecretaris genomen door mr. J. de Vries, plaatsvervangend Directeur segment MKB en niet door E. Velsink. De Afdeling volgt [appellant] daarom niet in zijn standpunt dat artikel 10:3 van de Awb is geschonden.

Inhoudelijke beroepsgronden

9.    [appellant] heeft in beroep aangevoerd dat de staatssecretaris niet voldoende heeft gemotiveerd dat de staat een gewichtig financieel belang heeft bij het niet verstrekken van de verzochte informatie. Bovendien kunnen de gegevens niet meer van gewichtig belang zijn omdat de stukken over de buitenlandse rekeningen volgens [appellant] onrechtmatig zijn verkregen en de rechtbank Noord-Nederland in haar uitspraak het verzoek om beperkte kennisneming van de stukken in de fiscale procedure heeft afgewezen.

    Verder heeft [appellant] aangevoerd dat de overgelegde Cd-rom niet alle informatie over de aanleiding voor het onderzoek bevat.

    Tot slot heeft [appellant] aangevoerd dat de staatssecretaris ten onrechte geen gevolg heeft gegeven aan zijn verzoek om verwijdering van zijn gegevens over de buitenlandse bankrekeningen.

Oordeel van de Afdeling over het beroep

Het verzoek om verwijdering

9.1.    [appellant] heeft in een e-mail van 12 januari 2017 over het door hem gemaakte bezwaar tegen de afwijzing van zijn verzoek op grond van artikel 35 van de Wbp verzocht zijn gegevens met toepassing van artikel 36 Wbp te verwijderen. Dit verzoek heeft hij herhaald in zijn e-mail van 25 januari 2017. De inspecteur heeft bij brief van 12 april 2017 laten weten dat verzoek niet in behandeling te nemen omdat het niet op papier is ingediend. De Afdeling is van oordeel dat de staatssecretaris terecht het standpunt heeft ingenomen dat geen artikel 36 Wbp-verzoek is ingediend waarop hij een besluit had moeten nemen. Er bestond voor [appellant] dus ook geen mogelijkheid om in zoverre beroep in te stellen bij de rechtbank. Het beroep dient in zoverre niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Het verzoek om inzage

10.    Anders dan [appellant] betoogt, brengt het gegeven dat de bankgegevens volgens hem op onrechtmatige wijze zijn verkregen en het feit dat het verzoek om beperkte kennisneming in de fiscale procedure niet is gehonoreerd, niet met zich dat artikel 43 van de Wbp ten tijde van het besluit op bezwaar van 25 januari 2017 in deze zaak niet kon worden ingeroepen.

    De Afdeling ziet verder in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij een zwaarder belang hecht aan gewichtige economische en financiële belangen van de staat en het toezicht op de naleving van wettelijke voorschriften. [appellant] heeft volgens de staatssecretaris een belastingschuld. Daarbij gaat het om een aanzienlijk bedrag. De bankrekeningen die [appellant] in het buitenland aanhoudt, bieden verhaalsmogelijkheden voor deze schuld. Het verhalen van de belastingschuld is voor de staat van groot financieel belang. Uit de gevraagde informatie kan blijken welke informatie de Belastingdienst wel of juist niet heeft. Wetenschap hiervan geeft [appellant] de gelegenheid om te anticiperen op aanslagen of invorderingshandelingen waardoor uiteindelijk minder belasting wordt geheven en ingevorderd dan in de situatie dat [appellant] deze informatie niet of op een later moment zou hebben vernomen.

    [appellant] heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat er meer hem betreffende gegevens zijn over de aanleiding voor het onderzoek dan op de Cd-rom staan die aan hem is verstrekt. Het document dat de aanleiding is geweest, het oudste document, is een schriftelijke weergave van de bij de Belastingdienst aanwezige digitale informatie over rechtspersonen. De reactie hierop bevat rekeningoverzichten. In deze overzichten komt de naam van [appellant] met een rekeningnummer voor. Nu [appellant] zelf heeft verwezen naar het oudste stuk, volgt de Afdeling hem ten slotte niet in zijn standpunt dat de informatie in onbegrijpelijke vorm is verstrekt.

    De staatssecretaris heeft in redelijkheid de mededeling over de verwerking van [appellant] betreffende gegevens achterwege kunnen laten. Het beroep is in zoverre ongegrond.

Slotsom beroep

11.    Het beroep van [appellant] dient voor zover dat betrekking heeft op het verzoek om verwijdering niet-ontvankelijk te worden verklaard en voor het overige ongegrond.

Proceskosten

12.    [appellant] heeft aangevoerd dat bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die een veroordeling tot vergoeding van de integrale kosten rechtvaardigt. Ingevolge artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht kan, indien zich bijzondere omstandigheden voordoen, van het forfaitaire stelsel worden afgeweken. Blijkens de nota van toelichting bij deze bepaling (Stb. 1993, 763) moet het daarbij gaan om uitzonderlijke gevallen, waarin strikte toepassing van het forfaitaire vergoedingsstelsel onrechtvaardig uitpakt, bijvoorbeeld een geval waarin de burger door gebrekkige informatieverstrekking door de overheid op uitzonderlijk hoge kosten voor het verzamelen van het benodigde feitenmateriaal is gejaagd. Dat de staatssecretaris volgens [appellant] te lang over het primaire besluit heeft gedaan en dat zijn afwijzing onterecht is, zijn geen bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 2, derde lid, van het Besluit. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding om de staatssecretaris te veroordelen tot vergoeding van de integrale proceskosten van het hoger beroep. Van kosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 januari 2018 in zaak nr. 17/1461;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep niet-ontvankelijk voor zover het gaat om het verzoek om verwijdering;

IV.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep voor het overige ongegrond;

V.    gelast dat de staatssecretaris van Financiën aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 253,00 (zegge: tweehonderddrieënvijftig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, griffier.

w.g. Borman    w.g. Van Tuyll van Serooskerken

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 november 2018

290.