Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:3866

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-11-2018
Datum publicatie
28-11-2018
Zaaknummer
201801605/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2018:797, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 12 januari 2017 heeft de stadsdeelvoorzitter aan [appellante] medegedeeld dat zij is opgenomen in de treiteraanpak van de gemeente Amsterdam.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2019/6
BA 2019/7
JB 2019/6 met annotatie van Redactie
JOM 2019/111
JBP 2019/4
Module Privacy en AVG 2019/1904
Module Privacy & AVG 2019/2684
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201801605/1/A3.

Datum uitspraak: 28 november 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Amsterdam,

appellante,

tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 februari 2018 in zaak nr. 17/5433 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

Procesverloop

Bij brief van 12 januari 2017 heeft de stadsdeelvoorzitter aan [appellante] medegedeeld dat zij is opgenomen in de treiteraanpak van de gemeente Amsterdam.

Bij besluit van 22 augustus 2017 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij mondelinge uitspraak van 13 februari 2018 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 oktober 2018, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. M. van Viegen, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. H. Nota, zijn verschenen.

Overwegingen

    Wet- en regelgeving

1.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

2.    Op 25 mei 2018 is de Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: AVG) in werking getreden en de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp) ingetrokken. Op dit geding is de Wbp van toepassing.

Inleiding

3.    In de brief van 12 januari 2017 staat dat [appellante] is opgenomen in de zogenaamde treiteraanpak. Met deze aanpak heeft de gemeente Amsterdam in samenwerking met meerdere partners, waaronder de politie, het Openbaar Ministerie, woningbouwcorporaties en Jeugdbescherming Amsterdam, een werkwijze ontwikkeld om bijzondere gevallen van ernstige overlast en intimidatie in de woonomgeving tegen te gaan. Het gaat hierbij om ernstige overlast gericht tegen één of meer specifieke personen of huishoudens, niet om 'gewone' burenruzies. Naast ernstige overlast is daarbij vaak sprake van bedreiging, vernieling van eigendommen of mishandeling.

Besluitvorming

4.    Bij het besluit van 22 augustus van 2017 heeft het college het bezwaar van [appellante] onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie niet-ontvankelijk verklaard, omdat de brief van 12 januari 2017 geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). De brief behelst geen publiekrechtelijke rechtshandeling nu deze niet gericht is op rechtsgevolg. De treiteraanpak is geen sanctie of maatregel die wordt opgelegd. De aanpak is niet meer dan een gecoördineerde aanpak van verschillende partijen die handelen binnen reeds bestaande wettelijke kaders, taken en bevoegdheden. Daar vindt geen verandering in plaats, anders dan dat de verschillende organisaties een persoon extra aandacht geven, door een op maat gesneden aanpak aan te bieden, teneinde verdere conflicten te voorkomen. [appellante] is overigens op geen enkele manier verplicht om mee te doen aan de mogelijkheden die opname in de aanpak biedt. Er vindt dus geen verandering plaats in haar rechten en plichten zodat de brief geen rechtsgevolg heeft en derhalve geen besluit is. De brief is overhandigd op basis van de informatieverplichting die is opgenomen in artikel 33 en artikel 34 van de Wbp. In artikel 45 van de Wbp is een dergelijke feitelijke handeling ook niet gelijkgesteld aan een besluit.

Aangevallen uitspraak

5.    De rechtbank heeft overwogen dat het college het bezwaar van [appellante] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat de brief van 12 januari 2017 niet kan worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. De rechtbank is met het college van oordeel dat de brief een notificatie is als bedoeld in artikel 30 (lees: 34), eerste lid, van de Wbp. Dit artikel wordt niet genoemd in artikel 45 van de Wbp. Van een beslissing genoemd in artikel 45 van de Wbp is dan ook geen sprake. Gelet daarop kan de brief niet als besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb worden aangemerkt en kon daartegen dus geen bezwaar worden gemaakt. De rechtbank heeft verder overwogen dat hetgeen [appellante] heeft aangevoerd over de rechtsbescherming die artikel 36 van de Wbp biedt, de omstandigheid dat een correctieverzoek pas kan worden gedaan nadat iemand is opgenomen in de treiteraanpak en dat de treiteraanpak een verandering in haar rechtspositie teweegbrengt, niet kunnen afdoen aan hetgeen in het voorgaande is overwogen.

Hoger beroep

6.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de brief van 12 februari 2017 moet worden aangemerkt als een notificatie als bedoeld in artikel 34 van de Wbp en derhalve geen besluit is in de zin van de Awb. Zij voert hiertoe aan dat geen rekening is gehouden met andere toepasselijke wet- en regelgeving en dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat alleen de Wbp van toepassing is. Daarbij komt dat de brief wel degelijk is gericht op rechtsgevolg. Hierbij is van belang dat de opname in de treiteraanpak kan zorgen voor de inschakeling van bestuursrechtelijke en civielrechtelijke instrumenten. [appellante] wijst erop dat zij na de opname in de treiteraanpak is gedagvaard door haar woningcorporatie en problemen ondervindt met haar bijstandsuitkering. Ook wordt jeugdzorg volgens haar sneller ingeschakeld. De rechtbank heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de brief geen rechtsgevolg heeft en is ten onrechte niet ingegaan op de door [appellante] genoemde voorbeelden.

6.1.    In het kader van de treiteraanpak worden door de daarbij betrokken instanties persoonsgegevens uitgewisseld. De rechtbank heeft terecht overwogen dat dit betekent dat de Wbp van toepassing is. Dat, zoals [appellante] betoogt, volgens het Convenant treiteraanpak ook andere wet- en regelgeving van toepassing is bij de verwerking van gegevens, doet daar niet aan af. Bovendien heeft [appellante] die andere wet- en regelgeving niet nader aangeduid. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat de brief dient te worden aangemerkt als een notificatie als bedoeld in artikel 34, eerste lid, van de Wbp. Dat op de opname in de treiteraanpak ook bestuursrechtelijke en civielrechtelijke maatregelen kunnen volgen, leidt niet tot het oordeel dat de brief is gericht op rechtsgevolg, nu die maatregelen niet uit de onderhavige brief voortvloeien, daarvoor aparte besluitvorming nodig is en de opname in de treiteraanpak voor het nemen van die maatregelen geen vereiste is. De brief is derhalve niet gericht op enig rechtsgevolg en daarmee geen besluit als bedoeld in artikel 45 van de Wbp, gelezen in samenhang met artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Dat de woningcorporatie contact heeft opgenomen met [appellante], maakt dit niet anders, nu daarmee geen verandering is gebracht in de rechtspositie van [appellante]. Hierbij is tevens van belang dat, zoals het college in het besluit van 22 augustus 2017 heeft toegelicht, [appellante] niet verplicht is gebruik te maken van de mogelijkheden die opname in de treiteraanpak biedt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat tegen de brief van 12 januari 2017 geen bezwaar kon worden gemaakt.

    Het betoog faalt.

7.    [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrecht geen waarde heeft gehecht aan de overige door haar aangevoerde beroepsgronden. Zij voert hiertoe aan dat de rechtbank heeft miskend dat het correctierecht uit artikel 36 van de Wbp onvoldoende rechtsbescherming biedt, omdat zij direct wil kunnen opkomen tegen haar opname in de treiteraanpak. Daarbij komt dat het correctierecht niet is bedoeld om gegevens, bestaande uit indrukken, meningen en conclusies, waarmee betrokkene zich niet kan verenigen, te corrigeren of te verwijderen. Het correctierecht biedt bovendien alleen achteraf, als haar gegevens al zijn verzameld, rechtsbescherming. Dit is volgens [appellante] in strijd met artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), hetgeen de rechtbank evenzeer heeft miskend.

7.1.    Hetgeen [appellante] verder heeft aangevoerd kan niet afdoen aan het oordeel dat de brief van 12 januari 2017 geen besluit is. Van een verzoek op grond van artikel 36 van de Wbp is thans geen sprake, zodat de vraag of het daarin opgenomen correctierecht voldoende rechtsbescherming biedt mede bezien in het licht van artikel 6 van het EVRM, thans niet aan de orde kan komen. De Afdeling merkt ten overvloede op dat het [appellante] vrijstaat om alsnog gebruik te maken van de haar in de AVG toegekende rechten tot inzage en wijziging. Voorts kan [appellante] zich wenden tot de civiele rechter of de Autoriteit Persoonsgegevens, indien zij van mening is dat haar persoonsgegevens niet in overeenstemming met de wet of niet op behoorlijke en zorgvuldige wijze worden verwerkt.

    Het betoog faalt.

8.    Voor het overige heeft [appellante] volstaan met een herhaling van de in beroep aangevoerde gronden, waarop de rechtbank in de aangevallen uitspraak is ingegaan. In haar hoger beroepschrift heeft [appellante] niet uiteengezet, dat en waarom de desbetreffende overwegingen van de rechtbank onjuist dan wel onvolledig zijn. Dit kan daarom evenmin tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden.

Slotsom

9.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, voorzitter, en mr. J.J. van Eck en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Veenboer, griffier.

w.g. Michiels    w.g. Veenboer

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 november 2018

730. BIJLAGE

Wet bescherming persoonsgegevens

Artikel 33

1. Indien persoonsgegevens worden verkregen bij de betrokkene, deelt de verantwoordelijke vóór het moment van de verkrijging de betrokkene de informatie mede, bedoeld in het tweede en derde lid, tenzij de betrokkene daarvan reeds op de hoogte is.

2. De verantwoordelijke deelt de betrokkene zijn identiteit en de doeleinden van de verwerking waarvoor de gegevens zijn bestemd, mede.

3. De verantwoordelijke verstrekt nadere informatie voor zover dat gelet op de aard van de gegevens, de omstandigheden waaronder zij worden verkregen of het gebruik dat ervan wordt gemaakt, nodig is om tegenover de betrokkene een behoorlijke en zorgvuldige verwerking te waarborgen.

Artikel 34

1. Indien persoonsgegevens worden verkregen op een andere wijze dan bedoeld in artikel 33, deelt de verantwoordelijke de betrokkene de informatie mede, bedoeld in het tweede en derde lid, tenzij deze reeds daarvan op de hoogte is:

a. op het moment van vastlegging van hem betreffende gegevens, of

b. wanneer de gegevens bestemd zijn om te worden verstrekt aan een derde, uiterlijk op het moment van de eerste verstrekking.

2. De verantwoordelijke deelt de betrokkene zijn identiteit en de doeleinden van de verwerking mede.

3. De verantwoordelijke verstrekt nadere informatie voor zover dat gelet op de aard van de gegevens, de omstandigheden waaronder zij worden verkregen of het gebruik dat ervan wordt gemaakt, nodig is om tegenover de betrokkene een behoorlijke en zorgvuldige verwerking te waarborgen.

4. Het eerste lid is niet van toepassing indien mededeling van de informatie aan de betrokkene onmogelijk blijkt of een onevenredige inspanning kost. In dat geval legt de verantwoordelijke de herkomst van de gegevens vast.

5. Het eerste lid is evenmin van toepassing indien de vastlegging of de verstrekking bij of krachtens de wet is voorgeschreven. In dat geval dient de verantwoordelijke de betrokkene op diens verzoek te informeren over het wettelijk voorschrift dat tot de vastlegging of verstrekking van de hem betreffende gegevens heeft geleid.

Artikel 36

1. Degene aan wie overeenkomstig artikel 35 kennis is gegeven van hem betreffende persoonsgegevens, kan de verantwoordelijke verzoeken deze te verbeteren, aan te vullen, te verwijderen, of af te schermen indien deze feitelijk onjuist zijn, voor het doel of de doeleinden van de verwerking onvolledig of niet ter zake dienend zijn dan wel anderszins in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen.

2. De verantwoordelijke bericht de verzoeker binnen vier weken na ontvangst van het verzoek schriftelijk of dan wel in hoeverre hij daaraan voldoet. Een weigering is met redenen omkleed.

3. De verantwoordelijke draagt zorg dat een beslissing tot verbetering, aanvulling, verwijdering of afscherming zo spoedig mogelijk wordt uitgevoerd.

4. Indien de persoonsgegevens zijn vastgelegd op een gegevensdrager waarin geen wijzigingen kunnen worden aangebracht, dan treft hij de voorzieningen die nodig zijn om de gebruiker van de gegevens te informeren over de onmogelijkheid van verbetering, aanvulling, verwijdering of afscherming ondanks het feit dat er grond is voor aanpassing van de gegevens op grond van dit artikel.

5. Het bepaalde in het eerste tot en met vierde lid is niet van toepassing op bij de wet ingestelde openbare registers, indien in die wet een bijzondere procedure voor de verbetering, aanvulling, verwijdering of afscherming van gegevens is opgenomen.

Artikel 45

Een beslissing op een verzoek als bedoeld in de artikelen 30, derde lid, 35, 36 en 38, tweede lid, alsmede een beslissing naar aanleiding van de aantekening van verzet als bedoeld in de artikelen 40 of 41 gelden voor zover deze is genomen door een bestuursorgaan als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.

Treiteraanpak gemeente Amsterdam

Met de Treiteraanpak heeft de gemeente Amsterdam in samenwerking met meerdere partners een werkwijze ontwikkeld om bijzondere gevallen van ernstige overlast en intimidatie in de woonomgeving tegen te gaan. Het gaat hierbij om ernstige overlast gericht tegen één of meerdere specifieke personen of huishoudens, niet om 'gewone' burenruzies. Naast ernstige overlast is er daarbij vaak sprake van bedreiging, vernieling van eigendommen en/of mishandeling.

Treitersituaties kunnen een enorme impact hebben op het slachtoffer. De focus ligt dan ook op het beëindigen van de treitersituatie, waarbij bescherming van het slachtoffer voorop staat. Als de treitersituatie niet (of niet snel genoeg) kan worden opgelost door gedragsverandering van de treiteraar, dan kan als laatste optie worden ingezet op verhuizing van de treiteraar.

Treiterzaken gaan vaak gepaard met sociale en/of psychiatrische problematiek bij de treiteraar. Binnen de aanpak gaat dus ook tijd en aandacht uit naar de treiteraar. Vanuit die visie bieden we zo lang mogelijk perspectief aan de treiteraar. Daarnaast is een praktische oplossing voor de treiteraar vaak ook noodzakelijk om de treitersituatie voor het slachtoffer te kunnen beëindigen.

Partners

Met de Treiteraanpak zet de gemeente Amsterdam samen met diverse organisaties in op het beëindigen van treiterzaken. De gemeente Amsterdam werkt hierbij nauw samen met de politie en het Openbaar Ministerie. Naast politie en OM, zijn ook de woningbouwcorporaties een cruciale partner, aangezien de corporaties als verhuurder over instrumenten beschikken die kunnen leiden tot beëindiging van de treitersituatie. Andere samenwerkingspartners zijn de Amsterdamse Federatie van Woningcorporaties (AFWC), Jeugdbescherming Amsterdam (JBRA), de William Schrikker Groep (WSG), het Leger des Heils (LdH) en Stichting Aanpak Overlast Amsterdam (SAOA), en vanuit de gemeente onder meer de Geneeskundige en Gezondheidsdienst (GGD) en Werk, Participatie en Inkomen (WPI) (voormalig DWI).

Verschil tussen treitercasus en een 'reguliere' overlastsituatie of burenruzie

Om te bepalen of een situatie voldoet aan de criteria van de Treiteraanpak, vindt een gedegen onderzoek plaats waarbij informatie van de samenwerkingspartners bijeengebracht en gedeeld wordt. Meldingen van woonoverlast komen binnen bij het Meldpunt Zorg en Woonoverlast. De medewerkers van het Meldpunt onderzoeken de melding en schakelen de regisseur Treiteraanpak van het betreffende stadsdeel in wanneer zij vermoeden dat het een treitercasus betreft. De stadsdeelregisseur kan meestal pas ná en aan de hand van nader onderzoek bepalen of een zaak als treitercasus kan worden bestempeld. De stadsdeelregisseur is de spil in de zaak en neemt daarover het besluit.

Criteria

Een casus valt onder de Treiteraanpak wanneer aan de volgende criteria wordt voldaan:

1. herhaaldelijk wangedrag en/of intimidatie

2. (bewust) gericht tegen specifieke personen of huishoudens

3. speelt zich af in directe woon- of werkomgeving slachtoffer(s)

4. vermoedelijke veroorzaker is een direct omwonende of persoon uit de buurt

5. het slachtofferschap is onbetwist.