Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:3864

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-11-2018
Datum publicatie
28-11-2018
Zaaknummer
201707469/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2017:4147, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 april 2016 heeft het college aan [belanghebbende A] een omgevingsvergunning verleend voor het tot woning en garage/overkapping verbouwen van een tweetal aaneengesloten loodsen gelegen op het perceel aan de [locatie 1] te Winterswijk Kotten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2019/110
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201707469/1/A1.

Datum uitspraak: 28 november 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellante B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te Winterswijk Kotten, gemeente Winterswijk,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 7 augustus 2017 in zaak nr. 17/372 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Winterswijk.

Procesverloop

Bij besluit van 4 april 2016 heeft het college aan [belanghebbende A] een omgevingsvergunning verleend voor het tot woning en garage/overkapping verbouwen van een tweetal aaneengesloten loodsen gelegen op het perceel aan de [locatie 1] te Winterswijk Kotten (hierna: het perceel).

Bij besluit van 13 december 2016 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 augustus 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 augustus 2018, waar [appellant], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. S.C.B. Tollkamp en G.J. Gerritsen, zijn verschenen. Voorts is [belanghebbende B] ter zitting gehoord.

Overwegingen

1. Het perceel was in het verleden onderdeel van een groter perceel, waarop een aantal schuren en een bedrijfswoning aanwezig waren. Dat perceel is gesplitst in het perceel aan de [locatie 2], waarop de bedrijfswoning is gelegen, en het perceel aan de [locatie 1], waarop na splitsing een aantal schuren aanwezig waren. Het perceel is eigendom van [belanghebbende B] en daarop is thans het bestemmingsplan "[locatie 3]" van toepassing en rust de bestemming "Wonen".

Het bouwplan van [belanghebbende A] voorziet in de sloop van een aantal schuren, alsmede het verbouwen tot een woning en garage met open voorzijde van een tweetal aaneengesloten schuren gelegen, op de afbeelding hieronder aangeduid met nummer 1. Het achterste deel van de schuur die tot woning zal worden verbouwd, zal eveneens worden gesloopt. De verbouwing zal worden uitgevoerd door [belanghebbende B], die met zijn gezin in de te realiseren woning zal gaan wonen.

[appellant] is woonachtig in de voormalige bedrijfswoning op het perceel aan de [locatie 2], op de afbeelding hieronder aangeduid met nummer 2. Zijn woning deelt een muur met de schuur die zal worden omgebouwd tot garage met open voorzijde.

2. In hoger beroep betoogt [appellant], zakelijk weergegeven, dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de vergunning niet in de gekozen vorm kon worden verleend. Daartoe stelt hij dat het besluit hem geen enkele garantie biedt dat, indien niet aan de daarin opgenomen voorwaarden wordt voldaan, daartegen handhavend zal worden opgetreden. Door de vergunning desondanks onder voorwaarden te verlenen heeft het college het bestemmingsplan omzeilt, waardoor hij in zijn belangen wordt geschaad, aldus [appellant].

2.1. Artikel 3, lid 3.5, onderdeel 3.5.1 van de planregels luidt: "een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor het bouwen een woning, kan slechts worden verleend, indien de bebouwing als aangeduid met een '1', '4' en '5' op onderstaande afbeelding is gesloopt".

2.2. Het college heeft de omgevingsvergunning verleend op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) onder de voorwaarde dat de aanwezige schuren, met uitzondering van het deel dat tot woning en garage zal worden verbouwd, uiterlijk op 1 januari 2018 zijn afgebroken. Uit de planregel volgt echter dat de omgevingsvergunning voor de bouw van een woning op het perceel eerst dan kan worden verleend, wanneer de op het perceel aanwezige bebouwing is gesloopt. Het college heeft de omgevingsvergunning dan ook in strijd met het bestemmingsplan verleend. Het betoog van het college ter zitting dat de verlening van de vergunning onder voorwaarde van sloop in lijn ligt met de bedoeling van het bestemmingsplan kan niet worden gevolgd. Het bestemmingsplan heeft die mogelijkheid niet genoemd en uitdrukkelijk opgenomen dat de sloop moet zijn voltooid alvorens een omgevingsvergunning voor bouw kan worden verleend. Voorts heeft het college er niet voor gekozen om in afwijking van het bestemmingsplan een vergunning te verlenen op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo.

Het betoog slaagt.

3. [ appellant] klaagt voorts dat de rechtbank ten onrechte het college is gevolgd met haar oordeel dat er op grond van het Bouwbesluit 2012 geen aanleiding bestaat extra maatregelen te eisen met betrekking tot de muur tussen de woning van [appellant] en de te realiseren overkapte garage. Daartoe stelt hij dat, anders dan het college en de rechtbank kennelijk menen en zoals ook blijkt uit het door hem overgelegde expertiserapport van ZNEB Expertise en Taxatie BV van 29 juni 2016, aanzienlijke fysieke wijzigingen aan de muur zullen worden aangebracht, waardoor sprake is van bouwingrepen waarop het Bouwbesluit van toepassing is. Bovendien heeft de rechtbank niet onderkend dat zich in de muur een aantal gaten bevinden, waarachter aan de zijde van [appellant] een ruimte is gelegen met de aanduiding "verblijfsruimte", namelijk de keuken, waarop de in Afdeling 5.1 van het Bouwbesluit opgenomen isolatie-eisen van toepassing zijn.

3.1. De Afdeling gaat voor de beoordeling uit van de volgende feiten. De bedrijfswoning en de schuur die tot garage met open voorzijde wordt verbouwd zijn in 1961 apart van elkaar gebouwd. In 1975 is een bouwvergunning verleend om de bedrijfswoning uit te breiden in die zin dat deze tegen de schuur werd aangebouwd. Op dat moment is de mandelige muur tussen de bedrijfswoning en de schuur als nieuwe buitenmuur van de woning getoetst aan de toen geldende normen en is deze uitgevoerd als spouwmuur.

Door de verbouwing van de schuur tot garage met open voorzijde wordt de oorspronkelijke binnenzijde van de muur van de schuur de buitenzijde van de buitenmuur van de woning van [appellant].

3.2. Artikel 4 van de Woningwet luidt: "Indien een bouwwerk gedeeltelijk wordt vernieuwd, veranderd of vergroot, zijn de voorschriften, bedoeld in artikel 2, voor zover zij betrekking hebben op dat bouwen, slechts van toepassing op die vernieuwing, verandering of vergroting".

Artikel 1.12, eerste lid, van het Bouwbesluit, luidt: "Op het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk zijn wat betreft de hoofdstukken 2 tot en met 5 de voorschriften van een te bouwen bouwwerk van toepassing tenzij in de desbetreffende afdeling voor een voorschrift anders is aangegeven".

3.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 maart 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH5553) volgt uit artikel 4 van de Woningwet en de geschiedenis van totstandkoming van deze bepaling dat op het verbouwen van een bouwwerk in beginsel de nieuwbouweisen van het Bouwbesluit van toepassing zijn. Deze eisen gelden ten aanzien van dat gedeelte van het bouwwerk dat wordt verbouwd.

De omstandigheid dat door de verbouwing van de voorheen afgesloten schuur tot een garage met open voorzijde de binnenmuur van de schuur de buitenmuur van de woning van [appellant] wordt, maakt naar het oordeel van de Afdeling niet dat reeds daarom de voorschriften van het Bouwbesluit daarop van toepassing zijn. De wijziging van de aard van de muur, zonder dat daaraan fysieke wijzigingen worden aangebracht, kan niet worden aangemerkt als een verbouwing daarvan. Overigens was die muur in 1975 reeds uitgevoerd als buitenmuur van de woning van [appellant].

Dit laat onverlet dat op het vullen van openingen in de muur, die in het kader van de verbouwing worden of reeds zijn dichtgezet, de voorschriften van afdeling 5.1 het Bouwbesluit van toepassing zijn, waarbij rekening dient te worden gehouden met de aanduiding van de daarachter gelegen ruimte in de woning van [appellant]. De Afdeling heeft niet kunnen vaststellen dat het daarbij, zoals de rechtbank heeft overwogen, louter gaat om ruimtes die niet als verblijfsruimte kunnen worden aangemerkt en waarvoor het Bouwbesluit geen nadere isolatie-eisen stelt, zodat het oordeel van de rechtbank in zoverre niet kan worden gevolgd.

Het betoog slaagt.

4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank behoorde te doen zal de Afdeling het beroep van [appellant] tegen het besluit van 13 december 2016 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen.

5. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 7 augustus 2017 in zaak nr. 17/372;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Winterswijk van 13 december 2016, kenmerk 116308;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Winterswijk tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellante B] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.503,00 (zegge: vijftienhonderddrie euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Winterswijk aan [appellant A] en [appellante B] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 418,00 (zegge: vierhonderdachttien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier.

w.g. Slump w.g. Verbeek

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 november 2018

574.