Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:386

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-02-2018
Datum publicatie
07-02-2018
Zaaknummer
201702081/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2017:1129, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 maart 2015 heeft het college aan [appellant] twee lasten onder dwangsom opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201702081/1/A1.

Datum uitspraak: 7 februari 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Utrecht,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 30 januari 2017 in zaak nr. 15/3776 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.

Procesverloop

Bij besluit van 27 maart 2015 heeft het college aan [appellant] twee lasten onder dwangsom opgelegd.

Bij besluit van 15 juni 2015 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 januari 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 15 juni 2015 gedeeltelijk vernietigd en het besluit van 27 maart 2015 gedeeltelijk herroepen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 januari 2018, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. S. Gangabisoensingh en S. Fokkema, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    De aan [appellant] opgelegde lasten betreffen een dakterras en een uitbouw aan de achterzijde van het pand aan [locatie] te Utrecht. [appellant] is sinds 2004 eigenaar van dit pand.

2.    De rechtbank heeft het dwangsombesluit van 27 maart 2015 herroepen voor zover daarbij de last is opgelegd om het dakterras te verwijderen en verwijderd te houden.

In geding is thans uitsluitend het besluit op bezwaar voor zover dat betrekking heeft op de last om het dichtgezette gedeelte van de uitbouw aan de achterzijde van het pand te (laten) verwijderen en verwijderd te houden en de uitbouw te herstellen conform de laatst vergunde situatie.

3.    De rechtbank heeft overwogen dat de beroepsgronden van [appellant] over het handhavend optreden tegen de uitbouw niet slagen. Het besluit op bezwaar kan daarom volgens de rechtbank in stand blijven voor zover daarbij de opgelegde last ten aanzien van de uitbouw is gehandhaafd.

Gronden in hoger beroep

4.    [appellant] voert aan dat de verandering is uitgevoerd voordat hij in 2004 eigenaar werd.

4.1.    In de brief van de gemachtigde van [appellant] van 17 maart 2016, gericht aan de rechtbank, is uiteengezet dat de rechtsvoorgangers van [appellant] aan de achterzijde van het pand een deel van het van oudsher aanwezige balkon hebben omgebouwd tot een uitbreiding van de aldaar aanwezige keuken. Het resterende deel van het dak waarop de keuken gerealiseerd was, werd benut als balkon met een glazen overkapping en met een muur aan de zijde van het pand met nummer 43. Volgens de brief heeft [appellant] zelf nadien besloten de aanwezige buitenruimte ‘dicht te zetten’ door het glazen dak te vervangen door een dakconstructie, dit deel van het balkon aan de open achterzijde te voorzien van kozijnen, die opengeschoven kunnen worden, en de wand van de keuken te verwijderen, waardoor één geheel ontstond.

Bij brief van 17 mei 2011 heeft architect R. Noorlag aanvullende stukken bij het college ingediend ten behoeve van de vergunningaanvraag van [appellant] voor onder meer de gerealiseerde uitbouw. De brief is als bijlage bij de brief van 17 maart 2016 aan de rechtbank gezonden. In de brief is vermeld dat [appellant] de kozijnen, waarmee het balkon werd dichtgezet, in 2005 heeft aangebracht.

4.2.    Met de enkele stelling dat de vorige eigenaren de verandering hebben uitgevoerd, zonder daarvoor enig bewijs te leveren, heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat de informatie in de hierboven vermelde brieven onjuist is. Het moet er daarom voor worden gehouden dat [appellant] zelf het balkongedeelte heeft dichtgemaakt.

4.3.    Het betoog faalt.

5.    Voor zover [appellant] aanvoert dat zijn buurman uit rancune een verzoek om handhaving heeft ingediend, waarmee deze procedure is begonnen, leidt dit niet tot het door hem beoogde doel. De rechtbank heeft de gestelde verstoorde verhoudingen terecht niet aangemerkt als een bijzondere omstandigheid op grond waarvan het college van handhaving had moeten afzien. Ook dit betoog faalt.  

6.    Eerst ter zitting heeft [appellant] aangevoerd dat de aanpassing die het college vraagt om legalisatie mogelijk te maken, onjuist en onbegrijpelijk is. Met dit betoog bestrijdt hij de overweging van de rechtbank dat geen concreet zicht op legalisering bestaat. Deze grond is zodanig laat aangevoerd, dat het college daardoor belemmerd is daarop adequaat te reageren. Voorts valt niet in te zien dat het voor [appellant] redelijkerwijs niet mogelijk was de beroepsgrond eerder naar voren te brengen. Het betoog wordt daarom wegens strijd met de goede procesorde buiten inhoudelijke bespreking gelaten.

Conclusie

7.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, dient te worden bevestigd.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. G.T.J.M. Jurgens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Y.C. Visser, griffier.

w.g. Jurgens    w.g. Visser

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 februari 2018

148.