Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:3852

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-11-2018
Datum publicatie
28-11-2018
Zaaknummer
201803700/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 december 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) te bepalen dat haar uitzetting achterwege blijft, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201803700/1/V1.

Datum uitspraak: 23 november 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 4 april 2018 in zaak nr. 17/1434 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 6 december 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) te bepalen dat haar uitzetting achterwege blijft, afgewezen.

Bij besluit van 17 januari 2017 (hierna: het besluit) heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 april 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, thans vertegenwoordigd door mr. E.E.M. Bezem, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    De vreemdeling betoogt in haar schriftelijke uiteenzetting dat hetgeen de staatssecretaris in hoger beroep aanvoert een herhaling is van eerder aangevoerde gronden die in beroep uitgebreid aan de orde zijn gekomen, zodat geen sprake is van grieven in de zin van artikel 85 van de Vw 2000.

    Van een grief in de zin van artikel 85, tweede lid, van de Vw 2000 is geen sprake, indien hetgeen in het hogerberoepschrift is aangevoerd, uitsluitend een herhaling is van in beroep naar voren gebrachte standpunten, waarop de rechtbank heeft beslist.

    Hetgeen de staatssecretaris aanvoert is niet uitsluitend een herhaling van hetgeen hij bij de rechtbank heeft aangevoerd. Het betoog van de vreemdeling treft daarom geen doel.

2.    De vreemdeling heeft gevraagd haar uitzetting op te schorten vanwege haar gezondheidssituatie. Aan het besluit heeft de staatssecretaris het advies van het Bureau Medische Advisering (hierna: het BMA) van 28 november 2016 ten grondslag gelegd. De rechtbank heeft de staatssecretaris bij brief van 30 augustus 2017 verzocht om de door de vreemdeling in bezwaar overgelegde brief van de behandelaars van 23 december 2016 alsnog aan het BMA voor te leggen. In die brief staat dat het afbreken van de lopende eye movement desensitization and reprocessing behandeling (hierna: de EMDR-behandeling) zeer ongewenst is en hoogstwaarschijnlijk psychische schade tot gevolg zal hebben. Op 6 november 2017 heeft het BMA een nieuw advies uitgebracht.

3.    Aan de vernietiging van het besluit heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat de staatssecretaris niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij, alvorens het besluit te nemen, de brief van de behandelaars niet aan het BMA heeft voorgelegd. Hiertegen richt zich grief I. Haar beslissing om de rechtsgevolgen van het besluit niet in stand te laten heeft de rechtbank doen steunen op de overweging dat de staatssecretaris niet aan zijn vergewisplicht heeft voldaan door zijn standpunt dat het stopzetten van de lopende EMDR-behandeling niet leidt tot een medische noodsituatie, te baseren op het BMA-advies van 6 november 2017, zonder bij het BMA nadere informatie in te winnen. Hiertegen richt zich grief II.

Grief I

4.    Hetgeen de staatssecretaris in zijn eerste grief aanvoert kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, met dat oordeel volstaan.

Grief II

5.    In de tweede grief klaagt de staatssecretaris, onder meer, dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij niet aan zijn vergewisplicht heeft voldaan, omdat de inhoud van het BMA-advies van 6 november 2017 op zijn minst voor tweeërlei uitleg vatbaar is en hij geen nadere toelichting aan het BMA heeft gevraagd. De rechtbank heeft daarom ten onrechte op grond van die overweging geen aanleiding gezien de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten, aldus de staatssecretaris. Hij voert hiertoe aan dat in paragraaf A3/7.1.3. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) staat dat moet vaststaan dat het uitblijven van de behandeling binnen drie maanden zal leiden tot het ontstaan van een medische noodsituatie en dat in het Protocol Bureau Medische Advisering 2016, onder 3.3, p. 13, staat dat het uitblijven van de behandeling naar alle waarschijnlijkheid moet leiden tot een medische noodsituatie. Aan de toevoeging in het BMA-advies van 6 november 2017 dat bij stopzetten van de EMDR-behandeling zelfbeschadigend gedrag niet geheel kan worden uitgesloten, kan volgens de staatssecretaris daarom niet de conclusie worden verbonden dat het BMA bij stopzetten van de EMDR-behandeling een medische noodsituatie verwacht.

Beoordeling grief II

5.1.    De inhoud van paragraaf A3/7.1.3. van de Vc 2000 was ten tijde van belang opgenomen in paragraaf A3/7. van de Vc 2000. Paragraaf A3/7. van de Vc 2000 luidde ten tijde van belang: 'Onder een medische noodsituatie verstaat de IND: die situatie waarbij de vreemdeling lijdt aan een stoornis, waarvan op basis van de huidige medisch-wetenschappelijke inzichten vaststaat dat het achterwege blijven van behandeling binnen een termijn van drie maanden zal leiden tot overlijden, invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke of lichamelijke schade.'

    In het Protocol Bureau Medische Advisering 2016, onder 3.3, p. 13, staat: 'In de praktijk werd en wordt de medische noodsituatie als volgt geoperationaliseerd: 'Het achterwege blijven van de medische behandeling zal naar alle waarschijnlijkheid op korte termijn leiden tot betrokkenes overlijden, een (vrijwel) volledig verlies van ADL-zelfstandigheid (activiteiten dagelijks leven) of gedwongen opname in een psychiatrisch ziekenhuis vanwege de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Bopz)'.'

5.2.    Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 13 oktober 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO0794) moet de staatssecretaris, indien hij een BMA-advies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, zich ingevolge artikel 3:2 van de Awb ervan vergewissen dat dit - naar wijze van totstandkoming - zorgvuldig en - naar inhoud - inzichtelijk en concludent is.

5.3.    In het BMA-advies van 6 november 2017 is ingegaan op de brief van de behandelaars van 23 december 2016. In dit advies staat als antwoord op de vraag wat in de huidige situatie de te verwachten medische gevolgen zullen zijn bij het uitblijven van medische behandeling:

'Openbreken van de EMDR behandeling kan ongewenste gevolgen met zich mee brengen. Welke gevolgen zijn niet te voorspellen, de behandelaar noemt geestelijke schade hetgeen toename of wijziging van de symptomen veronderstelt. In het uiterste geval kan dit leiden tot zelfbeschadigend gedrag. Hierin wordt meegewogen dat cliënt nog erg jong is en de EMDR als behandeling daarom des te intensiever beschouwd moet worden. Zonder medicatie kunnen de klachten toenemen.'

    Als antwoord op de vraag of het uitblijven van de behandeling zal leiden tot een medische noodsituatie, staat in het BMA-advies van 6 november 2017:

'Bij uitblijven van de genoemde behandeling verwacht ik geen medische noodsituatie op korte termijn, want er zijn geen aanwijzingen vanuit het verloop tot nog toe dat er levensbedreigende verschijnselen vanuit de psychische gesteldheid van cliënte verwacht kunnen worden. […] Echter gezien het feit dat cliënte nu EMDR behandeling heeft kan zelfbeschadigend gedrag bij staken van de EMDR ook niet geheel uitgesloten worden. Reden om toch de aanwezigheid van deze behandeling uit te zoeken.'

5.4.    De staatssecretaris voert terecht aan dat uit het antwoord op de vraag of het staken van de EMDR-behandeling zal leiden tot een medische noodsituatie niet volgt, dat het BMA een medische noodsituatie verwacht. Dat het BMA hieraan toevoegt dat zelfbeschadigend gedrag bij het staken van de EMDR-behandeling ook niet geheel kan worden uitgesloten doet hier niet aan af. Voor het aannemen van het ontstaan van een medische noodsituatie is immers van belang dat op basis van de huidige medisch-wetenschappelijke inzichten vaststaat dat het achterwege blijven van behandeling binnen een termijn van drie maanden zal leiden tot overlijden, invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke of lichamelijke schade dan wel dat dit naar alle waarschijnlijkheid het geval zal zijn. Ook uit het feit dat het BMA onverplicht onderzoek heeft gedaan naar de behandelmogelijkheden in het land van herkomst kan niet worden afgeleid dat het BMA van oordeel is dat vaststaat dat een medische noodsituatie zal ontstaan. De rechtbank heeft gelet op het voorgaande ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris zich ten onrechte zonder nadere toelichting van het BMA op het advies heeft gebaseerd en daarom niet aan zijn vergewisplicht heeft voldaan. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte geen aanleiding gezien om de rechtsgevolgen in stand te laten.

    De grief slaagt.

6.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, voor zover de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit niet in stand heeft gelaten en de staatssecretaris heeft opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Hetgeen de staatssecretaris overigens als grief aanvoert behoeft geen bespreking. De Afdeling zal bepalen dat de rechtsgevolgen van het besluit krachtens artikel 8:72, derde lid, van de Awb geheel in stand blijven. Dit betekent dat de uitzetting niet achterwege hoeft te blijven.

7.    Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 4 april 2018 in zaak nr. 17/1434, voor zover de rechtbank niet heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 17 januari 2017, V-nummer […], in stand blijven en de staatssecretaris heeft opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen;

III.    bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven.

Aldus vastgesteld door mr. J.J. van Eck, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, griffier.

w.g. Van Eck    w.g. Schuurman

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 november 2018

282-850.