Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:385

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-02-2018
Datum publicatie
07-02-2018
Zaaknummer
201606049/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 juni 2016 heeft het college het plaatsingsplan vastgesteld voor de plaatsing van ondergrondse restafvalcontainers (hierna: ORAC’s) in de wijk Zeeheldenkwartier (wijk 45) te Den Haag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201606049/1/A1.

Datum uitspraak: 7 februari 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Den Haag,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 21 juni 2016 heeft het college het plaatsingsplan vastgesteld voor de plaatsing van ondergrondse restafvalcontainers (hierna: ORAC’s) in de wijk Zeeheldenkwartier (wijk 45) te Den Haag.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 juli 2017, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. R.W. Schrijver en R. van Coevorden, zijn verschenen.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend naar aanleiding van door het college en [appellant] ingediende nadere stukken.

Geen van de partijen heeft binnen een door de Afdeling gestelde termijn verklaard dat zij opnieuw gebruik wil maken van het recht ter zitting te worden gehoord. De Afdeling heeft bepaald dat een nadere behandeling van de zaak ter zitting achterwege blijft en het onderzoek vervolgens gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1.    In het bij besluit van 21 juni 2016 vastgestelde plaatsingsplan heeft het college concrete locaties in de wijk Zeeheldenkwartier aangewezen waar ORAC’s worden geplaatst. Onder meer is voorzien in plaatsing van drie ORAC’s op de hoek van de Van Diemenstraat en de Van Speijkstraat (locatie 45-50A).

[appellant] woont aan de [locatie] te Den Haag. Zijn woning heeft ramen aan de zijde van de Van Diemenstraat, waar de ORAC’s zijn geplaatst. Hij kan zich niet met de aanwijzing van de locatie verenigen.

Randvoorwaarden

2.    Bij de vaststelling van het plaatsingsplan heeft het college de randvoorwaarden bij het vinden van geschikte locaties voor ondergrondse containers, neergelegd in zijn "Kadervoorstel ondergrondse inzamelcontainers voor restafval" met kenmerk RIS 160943, gehanteerd. De randvoorwaarden houden in:

- Loopafstand: de maximale loopafstand van de huisdeur tot de container mag ingevolge de regelgeving maximaal 75 m bedragen, waarbij onder bijzondere omstandigheden een uitloop naar maximaal 125 m is toegestaan.

- Parkeren: het aantal te vervallen parkeerplaatsen wordt tot een minimum beperkt.

- Bomen: zo min mogelijk kappen of verplaatsen van bomen.

- Ondergrondse infrastructuur: zo min mogelijk omleggen van reeds aanwezige kabels, leidingen en riolering (kosten!).

- Overige obstakels: zo min mogelijk verplaatsen van lichtmasten, telefoonzuilen, HTM-masten en bovenleidingen (kosten!).

- Bereikbaarheid leegwagen: de leegwagen moet voldoende ruimte hebben om op te stellen.

- Veiligheid: bij de route van huisdeur naar container moet kruising met hoofdroutes en wijkontsluitingswegen worden vermeden.

Alternatieve locaties

3.    [appellant] voert aan dat het in verhouding tot de last die ORAC’s op locatie 45-50A voor hem betekenen, niet proportioneel is om de door hem aangedragen alternatieve locaties af te wijzen vanwege een geringe overschrijding van de gewenste maximale loopafstand van 75 m. Daarbij stelt hij dat niet zeker is dat de maximale loopafstand wordt overschreden, omdat dit afhangt van de precieze plaatsing. Het college heeft binnen de gestelde kaders bovendien de ruimte om tot 125 m af te wijken van die afstand. [appellant] voert voorts aan dat het college de alternatieve locaties ten onrechte niet in samenhang heeft beoordeeld. Zou het dat wel hebben gedaan, dan zou het niet tot de conclusie zijn gekomen dat de gewenste maximale loopafstand wordt overschreden. Hij wijst er voorts op dat de alternatieve locatie op de hoek van de Van Diemenstraat en de Prins Hendrikstraat zich bij een blinde muur bevindt, zodat het gebruik van ORAC’s op die locatie minder overlast zal opleveren dan ORAC’s op locatie 45-50A. ORAC’s op de alternatieve locatie ter hoogte van het pand aan de Van Speijkstraat 153 zullen eveneens minder overlast veroorzaken, omdat dit een bedrijfspand is, aldus [appellant].

4.    Bij het kiezen van een locatie voor ORAC’s dient het college een afweging te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plaatsingsplan. Daarbij heeft het beleidsruimte. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden en de naar voren gebrachte alternatieve locaties of aanleiding bestaat voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid tot zijn keuze heeft kunnen komen.

4.1.    [appellant] heeft gesteld dat de ORAC’s, die recht voor zijn keuken- en woonkamerramen zijn geplaatst, zijn uitzicht verminderen en dat het gebruik daarvan geluidoverlast veroorzaakt.

Het college stelt zich op het standpunt dat ORAC’s geen afbreuk doen aan het uiterlijk aanzien. Zij worden in lijn met andere ruimtelijke voorwerpen geplaatst. Daarnaast zit het grootste deel van ORAC’s onder de grond en is slechts de inwerpzuil zichtbaar. Ten aanzien van de gestelde geluidhinder heeft het college gesteld dat de ORAC’s zijn voorzien van een dubbelschalige trommel met rubberen dempers. Daardoor veroorzaakt het plaatsen van een huisvuilzak volgens het college niet of nauwelijks geluidhinder. De ORAC’s worden voorts twee keer per week tussen 07:00 uur en 22:00 uur geleegd en het legen duurt slechts 5 tot 10 minuten. De geluidhinder blijft daarom volgens het college binnen aanvaardbare grenzen. De Afdeling overweegt dat [appellant] mogelijk enige hinder van de geplaatste ORAC’s en het gebruik daarvan ondervindt. Gelet op de toelichting van het college is het echter niet aannemelijk dat zich onaanvaardbare zicht- of geluidhinder voordoet.

4.2.    In de Nota van antwoord op de naar voren gebrachte zienswijzen is het college ingegaan op de door [appellant] in zijn zienswijze aangedragen alternatieve locaties. Die locaties zijn volgens het college geen verbetering van het plaatsingsplan, omdat de loopafstand voor verschillende bewoners uit de Van Diemenstraat groter dan 75 m zou worden.

In verweer en ter zitting heeft het college toegelicht dat, om te komen tot een goede locatiekeuze van de ORAC’s, zorgvuldig onderzoek wordt gedaan, waarbij rekening wordt gehouden met de randvoorwaarden. Bij dat onderzoek geniet een bedrijfsruimte als locatie geen voorkeur boven een woonruimte. Indien de mogelijkheid aanwezig lijkt om ORAC’s bij een blinde muur te plaatsen, wordt nader onderzocht of daarmee wordt voldaan aan de randvoorwaarden.

4.3.    [appellant] heeft voorgesteld de drie ORAC’s bij te plaatsen op locatie 45-47A aan de Van Diemenstraat ter hoogte van nummer 202 of te plaatsen op een locatie ter hoogte van de Van Speijkstraat 153.

Met de enkele stelling dat de locatie aan de Van Speijkstraat bij een bedrijfsruimte ligt, heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat die locatie geschikter is voor plaatsing van ORAC’s, dan locatie 45-50A. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, geeft voorts geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de stelling van het college, dat plaatsing van de ORAC’s op een van deze locaties betekent dat de loopafstand voor bepaalde bewoners van de Van Diemenstraat groter wordt dan 75 m. Dit is niet anders indien de drie ORAC’s over beide locaties worden verdeeld.

De overschrijding van de maximale loopafstand van 75 m maakt de alternatieve locaties volgens de randvoorwaarden minder geschikt voor plaatsing van ORAC’s dan locatie 45-50A. Hetgeen [appellant] over zicht- en geluidhinder heeft aangevoerd, biedt geen grond voor het oordeel dat het college, bij afweging van de betrokken belangen, in redelijkheid voor aanwijzing van een van de alternatieve locaties had moeten kiezen.

4.4.    Ter zitting is vastgesteld dat de loopafstand bij de alternatieve locatie op de hoek van de Van Diemenstraat en de Prins Hendrikstraat vergelijkbaar is met die bij locatie 45-50A. Het college acht de loopafstand daarom bij nader inzien niet bepalend voor afwijzing van deze alternatieve locatie. Nu de alternatieve locatie bij een blinde muur is, en derhalve in beginsel de voorkeur heeft, heeft het college ten onrechte niet onderzocht of die locatie aan de overige randvoorwaarden voldoet.

4.5.    Het betoog slaagt, voor zover dat betrekking heeft op de alternatieve locatie op de hoek van de Van Diemenstraat en de Prins Hendrikstraat.

5.    Het beroep is gegrond. Het besluit van 21 juni 2016 dient wegens strijd met artikel 3:2 van Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) te worden vernietigd, voor zover daarbij locatie 45-50A is aangewezen.

6.    De Afdeling ziet aanleiding om te bezien of de rechtsgevolgen van het besluit van 21 juni 2016 in stand kunnen blijven, nu het college alsnog heeft onderzocht of de alternatieve locatie aan de overige randvoorwaarden voldoet.

7.    Het college heeft in een brief van 5 december 2017 uiteengezet dat tijdens het onderzoek data- en electrakabels in de ondergrond van de hoek Van Diemenstraat/Prins Hendrikstraat zijn aangetroffen. Voor plaatsing van ORAC’s op deze alternatieve locatie is het noodzakelijk deze kabels te verleggen, waardoor onnodig in strijd met de randvoorwaarden zou worden gehandeld. Bovendien komt verplaatsing van de ORAC’s van locatie 45-50A naar de alternatieve locatie volgens het college de spreiding van de ORAC-locaties binnen het plaatsingsgebied niet ten goede. Het handhaaft daarom zijn standpunt dat het alternatief geen verbetering van het plaatsingsplan is.

7.1.    [appellant] voert aan dat het college in dit geval, bij afweging van de betrokken belangen, aanleiding had moeten zien om af te wijken van de randvoorwaarden. De wens om zo min mogelijk kabels en leidingen te verplaatsen weegt volgens hem niet op tegen zijn belang om geen ORAC’s nabij zijn woning te hebben.

7.2.    Wat het belang van [appellant] betreft, is onder 4.1 reeds overwogen dat hij mogelijk enige hinder ondervindt, maar dat niet aannemelijk is dat zich onaanvaardbare zicht- of geluidhinder voordoet.

De ondergrondse structuur maakt de alternatieve locatie volgens de randvoorwaarden minder geschikt voor plaatsing van ORAC’s dan locatie 45-50A. Hetgeen [appellant] over zicht- en geluidhinder heeft aangevoerd, biedt geen grond voor het oordeel dat het college, bij afweging van de betrokken belangen, in redelijkheid voor aanwijzing van de alternatieve locatie had moeten kiezen.

8.    Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de Afdeling bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit van 21 juni 2016 in stand blijven. Dit betekent dat locatie 45-50A als ORAC-locatie blijft aangewezen.

Proceskosten

9.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag van 21 juni 2016, kenmerk DSB/2016.253 RIS294538, voor zover daarbij locatie 45-50A is aangewezen;

III.    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van dat besluit in stand blijven;

IV.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Den Haag aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Y.C. Visser, griffier.

w.g. Michiels    w.g. Visser

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 februari 2018

148.