Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:3829

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-11-2018
Datum publicatie
21-11-2018
Zaaknummer
201803232/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2018:1209, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 juli 2017 heeft het college een aanvraag van [appellant] om afgifte van een urgentieverklaring afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201803232/1/A3.

Datum uitspraak: 21 november 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 maart 2018 in zaak nr. 17/6317 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 12 juli 2017 heeft het college een aanvraag van [appellant] om afgifte van een urgentieverklaring afgewezen.

Bij besluit van 26 september 2017 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 maart 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 oktober 2018, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. J. El Haddouchi, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. R. Lo Fo Sang, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] woont met zijn vrouw en vier kinderen in een woning op de derde etage zonder lift. [appellant] heeft een tegemoetkoming in de meerkosten voor verhuizing en inrichting toegekend gekregen en daarna een urgentieverklaring aangevraagd omdat hij problemen heeft met traplopen. Het college heeft de aanvraag om een urgentieverklaring afgewezen, omdat [appellant] gezien zijn lange inschrijfduur bij Woningnet van meer dan vijftien jaar in combinatie met zijn WMO-indicatie wordt geacht binnen een redelijke termijn zelf een geschikte woning te kunnen vinden. Na het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar heeft het college zijn standpunt gehandhaafd. Volgens het college heeft [appellant] bovendien geen urgent huisvestingsprobleem, omdat hij beschikt over woonruimte. Ten slotte heeft het college geen aanleiding gezien voor toepassing van de hardheidsclausule.

De aangevallen uitspraak

2.    De rechtbank heeft geoordeeld dat het college zich op het standpunt mocht stellen dat [appellant] gezien zijn lange inschrijvingsduur bij Woningnet geen urgentieverklaring nodig heeft om een passende woning te kunnen krijgen. Volgens de rechtbank heeft het college daarom de aanvraag terecht geweigerd op grond van de algemene weigeringsgrond van artikel 2.6.5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2016 (hierna: de Huisvestingsverordening). Omdat [appellant] zijn huisvestingsprobleem zelf kan oplossen behoefde het college volgens de rechtbank geen medisch advies in te winnen. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat het college om dezelfde reden in redelijkheid van toepassing van de hardheidsclausule heeft mogen afzien.

Het hoger beroep

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college mocht aannemen dat hij ook zonder urgentieverklaring een passende woning kan krijgen. [appellant] stelt dat het college dit standpunt niet heeft gemotiveerd. Volgens [appellant] is niet elke woning geschikt voor hem en heeft hij een specifieke woning nodig. In zijn geval gaat het dan om een grotere woning zonder trap dan wel met een lift. Doordat de urgentieverklaring is geweigerd op een algemene weigeringsgrond is volgens [appellant] ten onrechte niet toegekomen aan het toetsen van de aanvraag op sociaal medische gronden en is ten onrechte geen medisch advies gevraagd. Ten slotte heeft de rechtbank volgens [appellant] ten onrechte bij het oordeel over de toepassing van de hardheidsclausule weer alleen betekenis toegekend aan de lange inschrijvingsduur zonder hierbij zijn medische situatie te betrekken. Bovendien is volgens [appellant] ten onrechte geen betekenis toegekend aan het feit dat hij is gebonden aan Amsterdam (Nieuw)-West omdat het gezin afhankelijk is van de zorg van zijn broer en omdat hij schoolgaande kinderen heeft.

Wettelijk kader

4.    Voor de relevante wet- en regelgeving wordt verwezen naar de bijlage. Deze maakt deel uit van de uitspraak.

Beoordeling van het hoger beroep

5.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college de aanvraag om een urgentieverklaring heeft mogen afwijzen omdat [appellant] zijn huisvestingsprobleem kon voorkomen of op een andere wijze kon oplossen. Dit is op grond van artikel 2.6.5., eerste lid, aanhef en onder c, van de Huisvestingsverordening een zogenoemde algemene weigeringsgrond. In de Beleidsregels woonruimteverdeling en woonruimtevoorraad Amsterdam 2017 (hierna: de Beleidsregels) is deze bepaling nader uitgewerkt in beleid. Het college heeft zich voor de beoordeling aangesloten bij deze uitwerking en heeft overwogen dat hiervan in ieder geval sprake is als de aanvrager een huishouden van vier personen of meer heeft alsmede een inschrijfduur bij Woningnet van elf jaar of meer, waarmee zonder urgentie ook een passende woning verkrijgbaar is. [appellant] heeft een inschrijvingsduur van zestien jaar, zodat hij op grond van het beleid wordt geacht geen urgentieverklaring nodig te hebben om in aanmerking te komen voor een passende woning. Het college heeft zich hierbij op het standpunt mogen stellen dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit in zijn geval anders is. Anders dan [appellant] betoogt heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat hij niet heeft onderbouwd dat in zijn geval alleen een grotere woning in Amsterdam (Nieuw-)West passend is. Ter zitting heeft [appellant] desgevraagd bevestigd dat hij alleen in Amsterdam West wil wonen. Het college heeft er terecht op gewezen dat het beleid restrictief is waar het gaat om het verlenen van urgentie en dat een urgentieverklaring niet met zich brengt dat vervolgens alleen op grotere woningen in een beperkt gebied mag worden gereageerd. Een urgentieverklaring is bedoeld om een einde te maken aan een nijpende woonsituatie die niet langer mag blijven voortbestaan waarbij voldoende moet worden gereageerd op woningen in heel Amsterdam. In het geval van [appellant] is niet gebleken dat hij voldoende heeft gereageerd op woningen met lift of zonder trappen in heel Amsterdam. Bovendien heeft hij een aanbod van een vierkamerwoning op de derde etage met lift geweigerd omdat deze in Amsterdam Noord lag.

    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de hiervoor besproken algemene weigeringsgrond de afwijzing van de urgentieverklaring zelfstandig kan dragen. Anders dan [appellant] stelt is het college terecht niet toegekomen aan een beoordeling van de aanvraag op sociaal-medische gronden. Het vragen van een medisch advies aan de GGD-arts was daarom in dit geval niet aan de orde. De in hoger beroep door [appellant] ingediende medische verklaring van zijn behandelaren maakt dit niet anders. In deze verklaring staat dat zijn behandelaren de aanvraag van [appellant] voor een woning op de begane grond of met lift ondersteunen omdat verhuizen naar zo’n woning zijn psychische toestand gunstig zal beïnvloeden. Zoals hiervoor is uiteengezet kan [appellant] zonder urgentieverklaring een woning krijgen die aan deze eisen voldoet.

    De rechtbank heeft daarnaast terecht geoordeeld dat het college in redelijkheid van toepassing van de hardheidsclausule van artikel 2.6.11 van de Huisvestingsverordening heeft kunnen afzien. Zoals de rechtbank heeft overwogen kan de toepassing van de hardheidsclausule slechts bij uitzondering slagen en is het aan [appellant] om aannemelijk te maken dat sprake is van een schrijnende situatie of een omstandigheid die tot verlening van de urgentieverklaring noopt. Zoals uit alles wat hiervoor is overwogen volgt, doet zich dat in het geval van [appellant] niet voor.

    Het betoog faalt.

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld-Mak, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Langeveld-Mak

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 november 2018

317-893. BIJLAGE

Huisvestingsverordening Amsterdam 2016, geldend vanaf 1 januari 2017

Artikel 2.6.5 Algemene weigeringsgronden urgentieverklaring

1. Burgemeester en wethouders weigeren de urgentieverklaring indien naar hun oordeel sprake is van één of meerdere van de volgende omstandigheden:

[…]

b. er is geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem;

c. de aanvrager kon het huisvestingsprobleem redelijkerwijs voorkomen of kan het huisvestingsprobleem redelijkerwijs op een andere wijze oplossen;

[…]

Artikel 2.6.11 Hardheidsclausule

1. Burgemeester en wethouders zijn, indien toepassing van deze verordening zou leiden tot weigering van een urgentieverklaring, bevoegd om toch een urgentieverklaring toe te kennen indien:

a. weigering van een urgentieverklaring leidt tot een schrijnende situatie; en,

b. sprake is van bijzondere, bij het vaststellen van de verordening onvoorziene, omstandigheden die gelet op het doel van de verordening redelijkerwijs toch een grond voor de verlening van een urgentieverklaring zouden kunnen zijn.

[…]

Beleidsregels woonruimteverdeling en woonruimtevoorraad Amsterdam 2017

5. BELEIDSREGELS URGENTIES

3. Algemene weigeringsgronden (HVV artikel 2.6.5)

Ad c) Het huisvestingsprobleem was redelijkerwijs op te lossen of te voorkomen;

Van een dergelijk probleem is in ieder geval sprake als de aanvrager:

- niet alles wat redelijkerwijs tot diens mogelijkheden behoort heeft gedaan om het huisvestingsprobleem te voorkomen of op te lossen;

- een gezin heeft gesticht zonder over daartoe passende woonruimte te beschikken;

- een passende reguliere woning aangeboden kreeg in de periode dat aannemelijk werd dat hij een huisvestingsprobleem zou gaan krijgen, tot een jaar voorafgaand aan het indienen van de aanvraag van urgentie;

- zelf de financiële middelen heeft om het huisvestingsprobleem op te lossen;

- 55 jaar of ouder is, waardoor de aanvrager een ouderen- of seniorenwoningen kan krijgen;

- een huishouden van maximaal 3 personen heeft alsmede inschrijfduur bij Woningnet van 9,5 jaar of meer, waarmee ook zonder urgentie ook een passende woning verkrijgbaar is;

- een huishouden van 4 personen of meer heeft alsmede inschrijfduur bij Woningnet van 11 jaar of meer, waarmee zonder urgentie ook een passende woning verkrijgbaar is.