Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:3825

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-11-2018
Datum publicatie
21-11-2018
Zaaknummer
201707678/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2017:9330, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 november 2016 heeft de CSG [appellante] een aanvullende uitkering toegekend van € 660,00 en een verzoek om terug te komen op de afwijzing van een verzoek om tegemoetkoming wegens verlies van arbeidsvermogen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201707678/1/A2.

Datum uitspraak: 21 november 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 augustus 2017 in zaak nr. 17/31 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (hierna: CSG).

Procesverloop

Bij besluit van 1 november 2016 heeft de CSG [appellante] een aanvullende uitkering toegekend van € 660,00 en een verzoek om terug te komen op de afwijzing van een verzoek om tegemoetkoming wegens verlies van arbeidsvermogen, afgewezen.

Bij besluit van 13 december 2016 heeft de CSG het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 augustus 2017 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De CSG heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 november 2018, waar [appellante] en de CSG, vertegenwoordigd door [gemachtigde], zijn verschenen.

Overwegingen

Voorgeschiedenis

1.    De CSG kent uit het fonds onder meer uitkeringen toe aan een ieder die door een in Nederland opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf ernstig lichamelijk of geestelijk letsel heeft opgelopen. [appellante] behoort tot deze groep.

2.    Bij besluit van 14 februari 2012 heeft de CSG [appellante] € 5.120,00 uitgekeerd als tegemoetkoming in immateriële schade en materiële schade bestaande uit studiekosten, rechtsbijstand en psychotherapie. De CSG heeft geen tegemoetkoming uitgekeerd voor verlies van arbeidsvermogen. [appellante] heeft niet voldaan aan de daarbij geldende schadebeperkingsplicht, omdat zij zelf minder is gaan werken en ontslag heeft genomen, in plaats van zich ziek te melden. [appellante] heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

    Bij beslissing op bezwaar van 6 juli 2012 heeft de CSG, mede vanwege het navolgende, de tegemoetkoming omhoog bijgesteld naar € 8.185,00. Volgens de CSG heeft [appellante] geen bewijsstukken overgelegd waaruit volgt dat zij wegens psychische klachten ten gevolge van het misdrijf niet naar behoren kon functioneren bij haar drie werkgevers, bij één werkgever is gestopt en door de andere twee is ontslagen. Omdat wel aannemelijk is dat [appellante] enige inkomensschade heeft geleden, heeft de CSG haar eenmalig en naar redelijkheid een bedrag van € 500,00 toegekend voor het verlies van arbeidsvermoge[appellante] heeft geen beroep ingesteld tegen dit besluit.

3.    Bij brief van 2 februari 2014 heeft [appellante] de CSG verzocht om terug te komen op het besluit van 6 juli 2012 en alsnog een aanvullende tegemoetkoming uit te keren voor het verlies van arbeidsvermogen.

    Bij besluit van 14 april 2014 heeft de CSG het verzoek afgewezen met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). [appellante] heeft volgens de CSG geen nieuwe feiten of omstandigheden gesteld die ertoe nopen terug te komen op het besluit van 6 juli 2012. [appellante] heeft daartegen bezwaar gemaakt.

    Bij beslissing op bezwaar van 3 oktober 2014 heeft de CSG de afwijzing van het verzoek van 2 februari 2014 gehandhaafd. De door [appellante] overgelegde stukken vormen een nadere onderbouwing van wat in het besluit van 6 juli 2012 heeft geleid tot de uitkering uit coulance. De stukken vormen geen onderbouwing van de gestelde schade wegens verlies van arbeidsvermogen ten gevolge van arbeidsongeschiktheid. De stukken zouden daarom ook in voorgaande procedure niet hebben geleid tot een hogere uitkering. [appellante] heeft hiertegen beroep ingesteld.

    De rechtbank heeft de CSG gevolgd in haar standpunt en het beroep bij uitspraak van 20 maart 2015 ongegrond verklaard. De Afdeling heeft het door [appellante] daartegen ingestelde hoger beroep bij uitspraak van 23 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3933, ongegrond verklaard. Uit de uitspraak volgt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de CSG zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellante] geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd, en zich geen relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan. Evenmin doen zich buitengewone omstandigheden voor waarin zeer zwaarwegende belangen op het spel staan.

4.    Bij brief van 20 mei 2016 heeft [appellante] de CSG verzocht om een schadevergoeding wegens opgelopen studievertraging, en om het dossier te heropenen en alsnog een tegemoetkoming uit te keren wegens het verlies van arbeidsvermogen.

    Bij besluit van 16 juni 2016 heeft de CSG een vergoeding van € 993,00 toegekend voor de opgelopen studievertraging.

    De CSG heeft ook het verzoek van 20 mei 2016 om terug te komen op het besluit van 6 juli 2012, voor zover dat ziet op het verlies van arbeidsvermogen, afgewezen met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6 van de Awb, omdat [appellante] geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft gesteld. [appellante] heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt.

Besluitvorming en aangevallen uitspraak

5.    Bij brief van 3 oktober 2016 heeft [appellante] de CSG opnieuw verzocht om een tegemoetkoming wegens opgelopen studievertraging, en om terug te komen op het besluit van 6 juli 2012 door een aanvullende tegemoetkoming uit te keren voor het verlies van arbeidsvermogen.

    Bij besluit van 1 november 2016 heeft de CSG een vergoeding toegekend van € 660,00 wegens opgelopen studievertraging. De CSG heeft het verzoek om terug te komen van het besluit van 6 juli 2012 afgewezen omdat de overgelegde informatie van een psycholoog, waaruit volgt dat [appellante] jarenlang wordt behandeld voor een chronische posttraumatische stressstoornis, onvoldoende is om terug te komen van het eerdere besluit. [appellante] heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

    Bij beslissing op bezwaar van 13 december 2016 heeft de CSG de afwijzing van het verzoek gehandhaafd. [appellante] heeft hetzelfde aangevoerd als wat zij in de eerdere verzoeken om herziening heeft aangevoerd, en dat zijn inhoudelijke argumenten tegen het besluit van 6 juli 2012. Dat besluit is onherroepelijk, zodat kan worden volstaan met de verwijzing naar dat besluit. [appellante] heeft hiertegen beroep ingesteld.

    De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank geoordeeld dat de CSG zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellante] geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die nopen tot herziening van het besluit van 6 juli 2012. De voortschrijdende problematische situatie die [appellante] stelt, heeft de CSG niet hoeven aanmerken als nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:6 van de Awb, aldus de rechtbank.

Hoger beroep

6.    [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de CSG haar verzoek ten onrechte met toepassing van artikel 4:6 van de Awb heeft afgewezen. Daartoe voert [appellante] aan dat haar financiële situatie een nieuw feit of veranderde omstandigheid is als bedoeld in die bepaling. In hoger beroep heeft zij er op gewezen dat de eerdere verzoeken om een aanvullende uitkering waren gebaseerd op een gederfd inkomen passend bij dat van een student, terwijl zij nu een inkomen misloopt dat past bij een startend werkzoekende. Verder heeft [appellante] stukken overgelegd waaruit volgt dat zij omvangrijke schulden heeft. Volgens [appellante] zijn die toe te rekenen aan het misdrijf en is de CSG het laatste sociale vangnet dat zij heeft.

6.1.    Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 23 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3131, kan een bestuursorgaan er bij overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb voor kiezen om, als er volgens hem geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, een verzoek om terug te komen van een besluit af te wijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit.

     Als het bestuursorgaan overeenkomstige toepassing geeft aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, dan toetst de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn gesteld.

     Als de bestuursrechter tot het oordeel komt dat het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan kan dat de afwijzing van het verzoek om terug te komen van een besluit in beginsel dragen. De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is.

6.2.    Ter zitting heeft de CSG toegelicht dat zij niet betwist dat [appellante] te maken heeft met verlies van arbeidsvermogen. Met de door [appellante] in de eerste procedure overgelegde stukken is echter niet komen vast te staan dat dat dit verlies van arbeidsvermogen het gevolg is van het misdrijf waarvan [appellante] het slachtoffer is geworden. Dit is neergelegd in het besluit van 6 juli 2012, dat in rechte onaantastbaar is geworden.

6.3.    In deze procedure heeft [appellante], samengevat weergegeven, aangevoerd dat de schade wegens het verlies van arbeidsvermogen groter is dan zij in eerste instantie kon overzien. Ten tijde van de eerste aanvraag, in 2012, zou zij het inkomen van een student hebben gehad, terwijl zij thans een hoger inkomen zou genieten. Deze omstandigheid heeft echter alleen betrekking op de omvang van de gestelde schade, en niet op de vraag of de schade kan worden gerelateerd aan het misdrijf. De CSG heeft die vraag in het besluit van 6 juli 2012 ontkennend beantwoord en het verzoek op die grond afgewezen. Dat de gestelde schade thans groter zou zijn dan [appellante] eerder dacht, raakt derhalve niet aan de afwijzingsgrond en is daarom geen relevant nieuw feit of veranderde omstandigheid.

6.4.    [appellante] heeft in hoger beroep verder stukken overgelegd, waaronder een verklaring van haar huisarts waaruit volgt dat zich eind 2011 een vertrouwensbreuk heeft voorgedaan tussen haar en een toenmalige therapeut. Volgens de huisarts stelt [appellante] hiervan veel leed te hebben ervaren en zou dit haar herstel hebben belemmerd en haar arbeidsvermogen aangetast. Aan de verklaring van de huisarts en de overige stukken kan niet het gewicht worden toegekend dat [appellante] daaraan toegekend wenst te zien, omdat ook deze geen betrekking hebben op het standpunt van de CSG over het verband tussen het verlies van arbeidsvermogen en het misdrijf waarvan [appellante] het slachtoffer is geworden.

6.5.    Nu vaststaat dat [appellante] geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden heeft gesteld, resteert de vraag of de afwijzing van de aanvraag om terug te komen op het eerdere besluit van de CSG evident onredelijk is. Dat is niet het geval. Anders dan [appellante] stelt is het fonds geen sociaal vangnet voor de omvangrijke schulden ten gevolge van het misdrijf. De tegemoetkomingen uit het fonds zijn een maatschappelijke uiting van solidariteit met het slachtoffer (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 9 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3740). Het fonds dient er dus niet toe om alle schade van een misdrijf te vergoeden.

6.6.    Conclusie is dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de CSG in het door [appellante] aangevoerde geen aanleiding heeft hoeven zien terug te komen van zijn besluit van 6 juli 2012.

    Het betoog faalt.

Slotsom

7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Baart, griffier.

w.g. Borman    w.g. Baart

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 november 2018

799.