Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:3824

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-11-2018
Datum publicatie
21-11-2018
Zaaknummer
201705523/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2017:3794, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 mei 2015 (besluit 1) heeft de burgemeester aan Leidseplein Management B.V. ten behoeve van een coffeeshop op de locatie Coenhavenweg 26A in Amsterdam (hierna: de coffeeshop) een exploitatievergunning verleend voor een alcoholvrij horecabedrijf zonder terras, geldig tot 1 juni 2017.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2019/3068
JOM 2019/99
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201705523/1/A1.

Datum uitspraak: 21 november 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    de burgemeester van Amsterdam,

2.    Leidseplein Management B.V. en Horeca- en Exploitatiemaatschappij ‘t Leidseposthuis B.V., beide gevestigd te Amsterdam,

3.    [appellante sub 3A], Havenbedrijf Coenhaven B.V., Maalwerk Amsterdam B.V. en [appellante sub 3B], alle gevestigd te Amsterdam, en Vennootschap voor Onroerende Zaken De Nederlanden B.V., gevestigd te Naarden, (hierna: [appellante sub 3] en andere),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 juni 2017 in zaak nr. 15/7849 in het geding tussen:

[appellante sub 3] en andere

en

de burgemeester.

Procesverloop

Bij besluit van 28 mei 2015 (besluit 1) heeft de burgemeester aan Leidseplein Management B.V. ten behoeve van een coffeeshop op de locatie Coenhavenweg 26A in Amsterdam (hierna: de coffeeshop) een exploitatievergunning verleend voor een alcoholvrij horecabedrijf zonder terras, geldig tot 1 juni 2017.

Bij besluit van 28 mei 2015 (besluit 2) heeft de burgemeester aan Leidseplein Management een gedoogverklaring verleend voor de coffeeshop, geldig tot 1 juni 2017.

Bij besluit van 28 mei 2015 (besluit 3) heeft de burgemeester aan Horeca- en Exploitatiemaatschappij ‘t Leidseposthuis B.V. ten behoeve van een restaurant op de locatie Coenhavenweg 26 in Amsterdam (hierna: het restaurant) een exploitatievergunning verleend voor een alcoholschenkend horecabedrijf, geldig tot 1 juni 2018.

Bij besluit van 23 oktober 2015, voor zover hier van belang, heeft de burgemeester de door [appellante sub 3] en andere tegen voornoemde besluiten van 28 mei 2015 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 juni 2017 heeft de rechtbank het door [appellante sub 3] en andere daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 23 oktober 2015 vernietigd voor zover daarin de bezwaren tegen de besluiten 1, 2 en 3 ongegrond zijn verklaard. De rechtbank heeft de burgemeester opgedragen om binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de burgemeester en Leidseplein Management en Horeca- en Exploitatiemaatschappij 't Leidseposthuis hoger beroep ingesteld.

[appellante sub 3] en andere hebben incidenteel hoger beroep ingesteld.

De burgemeester en Leidseplein Management en Horeca- en Exploitatiemaatschappij 't Leidseposthuis hebben zienswijzen ingediend.

[appellante sub 3] en andere hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Bij besluit van 13 juli 2017 heeft de burgemeester naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank opnieuw beslist op de door [appellante sub 3] en andere tegen de besluiten 1, 2 en 3 gemaakte bezwaren en die bezwaren opnieuw ongegrond verklaard.

[appellante sub 3] en andere, de burgemeester en Leidseplein Management en Horeca- en Exploitatiemaatschappij ’t Leidseposthuis hebben naar aanleiding van dat besluit nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 juli 2018, waar de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. R. Nomden, mr. U.M. van Groenigen en ir. Y.E. Moulijn, Leidseplein Management en Horeca- en Exploitatiemaatschappij 't Leidseposthuis, vertegenwoordigd door mr. R. Ridder, advocaat te Amsterdam, vergezeld door [gemachtigde], en [appellante sub 3] en andere, vertegenwoordigd door mr. P.J.G. Poels, advocaat te Nijmegen, vergezeld door [gemachtigden], zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Leidseplein Management heeft aanvragen ingediend voor een exploitatievergunning en een gedoogverklaring voor de coffeeshop. Horeca-en Exploitatiemaatschappij ‘t Leidseposthuis heeft een aanvraag ingediend voor een exploitatievergunning voor het restaurant. De burgemeester heeft bij afzonderlijke besluiten van 28 mei 2015 de gevraagde exploitatievergunningen en gedoogverklaring verleend. [appellante sub 3] en andere exploiteren bedrijven in de directe omgeving van de coffeeshop en het restaurant. Zij vrezen dat de coffeeshop tot imagoschade zal leiden en nadelige gevolgen zal hebben voor de werkgelegenheid in Amsterdam en de concurrentiepositie van het Amsterdamse havengebied. Zij menen onder meer dat de burgemeester de gevraagde exploitatievergunningen had moeten weigeren omdat de exploitatie van het restaurant en de coffeeshop in strijd is met het bestemmingsplan en het woon- en leefklimaat, de openbare orde en de veiligheid door de aanwezigheid van de coffeeshop nadelig worden beïnvloed.

Aangevallen uitspraak

2.    De rechtbank heeft overwogen dat de burgemeester zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de weigeringsgrond uit artikel 3.3 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 (hierna: de APV) zich niet voordoet. Volgens de rechtbank is sprake van een kwetsbaar object in de zin van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: het Bevi), hetgeen ter plaatse op grond van het bestemmingsplan niet is toegestaan. Het betoog dat tevens sprake is van strijd met het bestemmingsplan, omdat de coffeeshop moet worden aangemerkt als een smartshop, is door de rechtbank verworpen.  

De hoger beroepen van de burgemeester en Leidseplein Management en Horeca- en Exploitatiemaatschappij ‘t Leidseposthuis

3.    De burgemeester en Leidseplein Management en Horeca- en Exploitatiemaatschappij ‘t Leidseposthuis betogen dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat de weigeringsgrond uit artikel 3.3 van de APV zich in dit geval voordoet. Volgens hen kunnen het restaurant en de coffeeshop niet worden aangemerkt als een kwetsbaar object in de zin van het Bevi, omdat niet gedurende ten minste acht uur per etmaal op elk moment meer dan vijftig mensen tegelijkertijd aanwezig zijn. Van strijd met het bestemmingsplan is dan ook geen sprake, aldus de burgemeester en Leidseplein Management en Horeca- en Exploitatiemaatschappij ‘t Leidseposthuis.

3.1.    Artikel 3.8, eerste lid, van de APV luidt:

"Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een horecabedrijf te exploiteren."

    Artikel 3.3 luidt:

"Het bevoegde bestuursorgaan weigert de vergunning voor een bedrijf als de exploitatie daarvan in strijd is met een bestemmingsplan of een beheersverordening."

    Ter plaatse geldt het bestemmingsplan "Petroleumhaven". Op het perceel rust de enkelbestemming "Horeca" met de gebiedsaanduiding "milieuzone-2". Ter plaatse van deze aanduiding zijn kwetsbare objecten niet toegestaan.

    Artikel 1.39 van de regels bij het bestemmingsplan geeft de volgende begripsomschrijving van kwetsbare objecten: "objecten als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder l, van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) waaronder in ieder geval worden begrepen objecten waarbinnen op elk moment meer dan 50 mensen tegelijkertijd aanwezig zijn (die ieder tevens ten minste 8 uur per etmaal aanwezig zijn) en waarvan het brutovloeroppervlakte per persoon kleiner of gelijk is aan 30 m2, met uitzondering van kwetsbare objecten als bedoeld in artikel 1, lid 2, van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)."

    Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder l, onder c, van het Bevi luidt:

"In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder kwetsbaar object: gebouwen waarin doorgaans grote aantallen personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig zijn, waartoe in ieder geval behoren:

1º. Kantoorgebouwen en hotels met een bruto vloeroppervlak van meer dan 1500 m2 per object, of

2º. Complexen waarin meer dan 5 winkels zijn gevestigd en waarvan het gezamenlijk bruto vloeroppervlak meer dan 1000 m2 bedraagt en winkels met een totaal bruto vloeroppervlak van meer dan 2000 m2 per winkel, voorzover in die complexen of in die winkels een supermarkt, hypermarkt of warenhuis is gevestigd."

3.2.    In de uitspraak van de Afdeling van heden (ECLI:NL:RVS:2018:3754) heeft de Afdeling in de procedures die betrekking hebben op de aanvraag van Leidseplein Beheer B.V. om omgevingsvergunning voor het gebruik van het gebouw aan de Coenhavenweg 26 in Amsterdam als horeca/restaurant, en op het verzoek van [appellante sub 3] en andere om handhavend op te treden ten aanzien van het gebruik van dat gebouw als coffeeshop, geoordeeld dat het restaurant en de coffeeshop moeten worden aangemerkt als een kwetsbaar object als bedoeld in het Bevi en dus als een kwetsbaar object in de zin van artikel 1.39 van de planregels. Aangezien de exploitatievergunningen net als de omgevingsvergunning betrekking hebben op de bedrijfsvoering van het restaurant en de coffeeshop, ziet de Afdeling geen aanleiding om in de onderhavige procedure anders te oordelen.

    Het betoog faalt.

4.    De burgemeester en Leidseplein Management en Horeca- en Exploitatiemaatschappij ’t Leidseposthuis betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de normen uit het Bevi niet strekken tot bescherming van de belangen van [appellante sub 3] en andere, zodat artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in de weg stond aan de door de rechtbank uitgesproken vernietiging van het besluit van 23 oktober 2015.

4.1.    Artikel 8:69a van de Awb luidt:

"De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept."

4.2.    Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

4.3.    [appellante sub 3] en andere hebben in beroep betoogd dat de burgemeester er bij het nemen van het besluit van 23 oktober 2015 ten onrechte van is uitgegaan dat de exploitatievergunningen verleend konden worden, omdat volgens hen de in artikel 3.3 van de APV genoemde weigeringsgrond zich voordeed. In dát verband hebben zij aangevoerd dat het gebruik van het gebouw op het perceel als horeca/restaurant leidt tot vestiging van een kwetsbaar object als bedoeld in het Bevi, hetgeen niet is toegestaan op grond van het bestemmingsplan "Petroleumhaven". Het betoog van [appellante sub 3] en andere hield dan ook, anders dan waarvan de burgemeester en Leidseplein Management en Horeca- en Exploitatiemaatschappij ’t Leidseposthuis uitgaan, geen beroep in op inhoudelijke normen uit het Bevi, maar een beroep op het in artikel 3.8, eerste lid, van de APV vervatte verbod om zonder vergunning een horecabedrijf te exploiteren en de in artikel 3.3 van de APV vervatte verplichting om de vergunning voor de exploitatie van een bedrijf te weigeren indien sprake is van strijd met het bestemmingsplan. De rechtbank heeft het besluit van 23 oktober 2015 ook niet vernietigd wegens strijd met het Bevi, maar omdat de burgemeester er ten onrechte van is uitgegaan dat de weigeringsgrond uit artikel 3.3 van de APV zich niet voordeed. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat de artikelen 3.3 en 3.8, eerste lid, van de APV kennelijk niet strekken tot bescherming van [appellante sub 3] en andere, zodat artikel 8:69a van de Awb niet in de weg stond aan de vernietiging van het besluit van 23 oktober 2015.

    Het betoog faalt.

Het incidenteel hoger beroep van [appellante sub 3] en andere

5.    [appellante sub 3] en andere betogen dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat geen sprake is van een smartshop. Volgens hen is de coffeeshop aan te merken als een smartshop, hetgeen ingevolge het bestemmingsplan ter plaatse niet is toegestaan, zodat zich ook om die reden de weigeringsgrond uit artikel 3.3 van de APV voordoet. Weliswaar heeft de rechtbank volgens [appellante sub 3] en andere terecht overwogen dat bij een coffeeshop, bij de beoordeling van de vraag of het gebruik van het pand planologisch is toegestaan, moet worden uitgegaan van de legale functie van het pand, maar onder de legale functie van het pand had in dit geval een smartshop moeten worden verstaan. Hiervan is volgens [appellante sub 3] en andere sprake, omdat de coffeeshop gericht is op afhalen, waarbij slechts op bescheiden schaal de mogelijkheid bestaat om ter plaatse te consumeren. De beperkte gelegenheid om ter plaatse producten te consumeren moet worden beschouwd als een niet zelfstandige nevenactiviteit die ondergeschikt is aan de hoofdfunctie detailhandel, aldus [appellante sub 3] en andere.

5.1.    Artikel 18, aanhef en onder b, van de planregels luidt:

"Tot strijdig gebruik als bedoeld in artikel 2.1, lid 1, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt in ieder geval gerekend het gebruiken of laten gebruiken van gronden en bouwwerken ten dienste van:

b. […] smartshop."

    In artikel 1.50 is een smartshop gedefinieerd als "een winkel waarin de hoofdactiviteit of een van de activiteiten wordt gevormd door detailhandel in psychotrope stoffen". Detailhandel is in artikel 1.22 gedefinieerd als "het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen, het verhuren of het leveren van zaken aan in hoofdzaak personen die deze zaken kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit".

5.2.    De ingediende aanvraag om een exploitatievergunning heeft geen betrekking op de exploitatie van een smartshop. Op het aanvraagformulier is uitdrukkelijk vermeld dat een exploitatievergunning voor een coffeeshop wordt aangevraagd. De burgemeester dient bij de verlening van een exploitatievergunning uit te gaan van hetgeen is aangevraagd en heeft bij het besluit van 28 mei 2015 ten behoeve van een coffeeshop een exploitatievergunning verleend voor een alcoholvrij horecabedrijf zonder terras. Gelet daarop was van strijd met het bestemmingsplan in zoverre geen sprake.

    Het betoog faalt.

Besluit van 13 juli 2017

6.    Bij besluit van 13 juli 2017 heeft de burgemeester naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank de door [appellante sub 3] en andere tegen de besluiten 1, 2 en 3 gemaakte bezwaren opnieuw ongegrond verklaard. Volgens de burgemeester doet de in artikel 3.3 van de APV opgenomen weigeringsgrond zich niet meer voor, omdat het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam bij besluit van diezelfde datum met toepassing  van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1º, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) de aangevraagde omgevingsvergunning voor het gebruik van het gebouw in strijd met het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo heeft verleend. Onder verwijzing naar het besluit van 23 oktober 2015 en het daarbij behorende advies van de bezwaarschriftencommissie heeft de burgemeester gemotiveerd dat de in artikel 3.11 van de APV genoemde bijzondere weigeringsgronden zich ook niet voordoen.

7.    Voor zover [appellante sub 3] en andere aanvoeren dat het college ten onrechte met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1º, van de Wabo omgevingsvergunning heeft verleend voor het gebruik van het gebouw als horeca/restaurant, zodat ook de exploitatievergunningen vanwege strijd met het bestemmingsplan hadden moeten worden geweigerd, faalt dat betoog. Ten tijde van het besluit op bezwaar van de burgemeester van 13 juli 2017 was een omgevingsvergunning verleend voor het van het geldende bestemmingsplan afwijkende gebruik van het gebouw als horeca/restaurant. Die omgevingsvergunning vormde voor de burgemeester bij het nemen van een nieuw besluit op de bezwaren van [appellante sub 3] en andere een gegeven. De rechtmatigheid van die omgevingsvergunning staat in deze procedure niet ter beoordeling. Overigens heeft Afdeling bij uitspraak van heden (ECLI:NL:RVS:2018:3754) het beroep van [appellante sub 3] en andere tegen het besluit van 13 juli 2017 van het college ongegrond verklaard, zodat dat besluit tot verlening van de omgevingsvergunning onherroepelijk is geworden.

    Het betoog faalt.

8.    [appellante sub 3] en andere betogen dat de burgemeester bij het besluit van 13 juli 2017 de exploitatievergunning voor de coffeeshop gelet op artikel 3.11 van de APV had moeten weigeren. Zij voeren daartoe aan dat de exploitatievergunning afwijkt van de uitgangspunten van het Amsterdamse coffeeshopbeleid zoals uitgewerkt in de "Pilot Coffeeshops Experiment verplaatsen coffeeshops onder nieuwe voorwaarden" (hierna: de pilot coffeeshops), omdat er geen bestaande coffeeshop wordt achtergelaten, er geen sprake is van een voorrangslocatie, de nieuwe coffeeshop een terras heeft en de locatie van de nieuwe coffeeshop niet is gelegen aan het hoofdnet auto. Voorts betogen zij dat het woon- en leefklimaat, de openbare orde en de veiligheid in de omgeving door de aanwezigheid van de coffeeshop nadelig worden beïnvloed.

8.1.    Artikel 3.11 (bijzondere weigeringsgronden) van de APV luidt:

"[…]

2. De burgemeester kan de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel het woon- en leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf, de openbare orde of de veiligheid nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van het horecabedrijf.

3. Bij de toepassing van de in het vorige lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met:

a. het karakter van de straat en de wijk waarin het horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen;

b. de aard van het horecabedrijf;

c. de spanning waaraan het woon- en leefklimaat ter plaatse reeds bloot staat;

d. de wijze van bedrijfsvoering door de exploitant of de leidinggevende en

e. het levensgedrag van de exploitant of leidinggevende."

8.2.    Blijkens de bewoordingen van artikel 3.11 van de APV heeft de burgemeester beoordelings- en beleidsruimte bij zijn besluit om een exploitatievergunning al dan niet te weigeren op grond van die bepaling. Het is aan de burgemeester om de situatie te beoordelen en om de betrokken belangen af te wegen. De bestuursrechter toetst of de burgemeester geen onredelijk gebruik heeft gemaakt van zijn beoordelings- en beleidsruimte en of het besluit geen onevenredige nadelige gevolgen heeft voor één of meer belanghebbenden (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 27 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2109).

8.3.    De burgemeester heeft bij de verlening van de exploitatievergunning voor de coffeeshop de pilot coffeeshops toegepast. In deze pilot zijn aspecten van het Amsterdamse coffeeshopbeleid uitgewerkt met het oog op het bevorderen van kleinschaligheid, transparantie en spreiding en het tegengaan van overlast van coffeeshops. De pilot maakt het mogelijk dat een coffeeshop naar een nieuwe locatie wordt verplaatst, waarbij als uitgangspunt geldt dat een bestaande locatie wordt achtergelaten. In het onderhavige geval heeft de burgemeester ingestemd met de vestiging van de onderhavige coffeeshop, omdat een coffeeshop aan de Spuistraat wordt achtergelaten. De burgemeester heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de omstandigheid dat de coffeeshop aan de Spuistraat per 1 januari 2015 is gesloten, niet betekent dat deze coffeeshop niet is achtergelaten in de zin van de pilot, omdat niet de datum van sluiting van de coffeeshop daartoe van belang is, maar de datum van het verzoek of de melding om deel te nemen aan de pilot. De aanmeldingsperiode vond plaats in 2012 en op dat moment was de coffeeshop aan de Spuistraat nog niet gesloten. De Afdeling acht de door de burgemeester gegeven uitleg van de pilot op dit punt niet onjuist.

    Voor zover [appellante sub 3] en andere betogen dat zich in dit geval geen situatie voordoet waaraan volgens de pilot voorrang moet worden gegeven, overweegt de Afdeling dat de pilot er weliswaar in voorziet dat voorrang wordt gegeven aan coffeeshops waar problemen met locatiespecifieke overlast bekend zijn of die zich in bepaalde stadsdelen van Amsterdam willen vestigen, maar dat uit de pilot niet volgt dat andere coffeeshops daaraan niet kunnen deelnemen.

    De Afdeling volgt ook niet het standpunt van [appellante sub 3] en andere dat het restaurant en de coffeeshop feitelijk als één horecabedrijf moeten worden beschouwd, zodat in strijd met de pilot een terrasvergunning ten behoeve van de coffeeshop is verstrekt. De exploitatievergunning voor de coffeeshop heeft betrekking op een horecabedrijf waar geen alcohol mag worden geschonken en geen terras mag worden geëxploiteerd. Het terras behoort bij het naast de coffeeshop gelegen restaurant, waarvoor een aparte exploitatievergunning is verleend. De coffeeshop en het restaurant zijn fysiek van elkaar gescheiden door tussenmuren met afgesloten deuren, hebben elk een eigen ingang, een eigen in- en uitrit en afzonderlijke voorzieningen. Zij hebben elk een eigen bedrijfsleider, een eigen manager en eigen personeel, en er is sprake van een gescheiden bedrijfsvoering. Gelet daarop bestaat geen grond voor het oordeel dat de coffeeshop feitelijk onderdeel uitmaakt van het alcoholschenkende restaurant met terras.

    Voor zover [appellante sub 3] en andere ten slotte betogen dat de coffeeshop niet aan het hoofdnet auto is gelegen, terwijl dit gelet op de pilot wel is vereist, overweegt de Afdeling dat de burgemeester op de zitting bij de Afdeling heeft toegelicht dat de pilot als uitgangspunt heeft dat er voldoende parkeergelegenheid in de nabijheid van coffeeshops dient te zijn teneinde overlast van rondrijdende auto’s te voorkomen. Dat is de reden voor de in de pilot opgenomen voorwaarde dat een coffeeshop aan het hoofdnet auto moet zijn gelegen. De onderhavige coffeeshop is meteen te bereiken via de op- en afrit van de A10, die deel uitmaakt van het hoofdnet auto, zodat aan deze voorwaarde wordt voldaan. De burgemeester heeft op zitting voorts toegelicht dat ter plaatse voldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de burgemeester op dit punt een onjuiste uitleg aan de pilot heeft gegeven.

8.4.    Hetgeen [appellante sub 3] en andere aanvoeren, geeft geen grond voor het oordeel dat de burgemeester zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen dat het woon- en leefklimaat in de omgeving, de openbare orde en de veiligheid door de aanwezigheid van de coffeeshop niet nadelig worden beïnvloed. Naast de in het kader van de pilot uitgevoerde beoordeling, heeft de burgemeester daarbij in aanmerking kunnen nemen dat niet is gebleken dat de exploitatie van de coffeeshop tot overlast leidt. Er vinden regelmatig controles plaats door politie en havendienst, er is geen overlast geconstateerd en er zijn ook geen meldingen van overlast gedaan. Evenmin is gebleken dat de veiligheid op de terreinen van [appellante sub 3] en andere door de komst van de coffeeshop in het geding komt of dat de inbraakgevoeligheid in het gebied daardoor wordt vergroot. De burgemeester heeft in zijn beoordeling ook kunnen meewegen dat in het voor de exploitatie van de coffeeshop opgestelde beheersplan "Coffeeshop/Grand Café Port 26" maatregelen zijn beschreven teneinde overlast te voorkomen. Dat beheersplan voorziet bijvoorbeeld in maatregelen met betrekking tot beveiliging van het gebouw en de omgeving, voorlichting, het schoonhouden van de buurt, calamiteiten en cameratoezicht. Dit beheersplan maakt anders dan [appellante sub 3] en andere betogen, onderdeel uit van de exploitatievergunning, nu het als bijlage in het besluit tot verlening van de exploitatievergunning is vermeld.

8.5.    Gelet op het voorgaande bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat de burgemeester de exploitatievergunning voor de coffeeshop op grond van artikel 3.11 van de APV had moeten weigeren.

    Het betoog faalt.

9.    Voor zover [appellante sub 3] en andere ter zitting bij de Afdeling nog hebben verwezen naar het in hun beroep bij de rechtbank gevoerde betoog dat zij de burgemeester in verband met het niet tijdig nemen van een besluit op hun bezwaren in gebreke hebben gesteld en de burgemeester heeft nagelaten de hoogte van de verbeurde dwangsommen vast te stellen, overweegt de Afdeling dat de burgemeester daarover op 18 februari 2016 alsnog een besluit heeft genomen. De burgemeester hoefde hierover bij het besluit van 13 juli 2017 niet opnieuw te beslissen.

Conclusie en proceskosten

10.    De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Het beroep tegen het besluit van 13 juli 2017 is ongegrond.

11.    De burgemeester dient op na te melden wijze te worden veroordeeld tot vergoeding van de door [appellante sub 3] en andere in verband met het hoger beroep van de burgemeester gemaakte proceskosten.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    verklaart het beroep tegen het besluit van de burgemeester van Amsterdam van 13 juli 2017, kenmerk BZ.1.15.0334.001 en BZ1.15.0335.001, ongegrond;

III.    veroordeelt de burgemeester van Amsterdam tot vergoeding van bij [appellante sub 3A], Havenbedrijf Coenhaven B.V., Maalwerk Amsterdam B.V., [appellante sub 3B] en Vennootschap voor Onroerende Zaken De Nederlanden B.V. opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.002,00 (zegge: duizendtwee euro), geheel toe te rekenen aan een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de burgemeester aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

IV.    bepaalt dat van de burgemeester van Amsterdam een griffierecht van € 501,00 (zegge: vijfhonderdeen euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.P.J.M. van Grinsven, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen    w.g. Van Grinsven

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 november 2018

462-842.