Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:3806

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-11-2018
Datum publicatie
21-11-2018
Zaaknummer
201709571/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2017:5155, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 september 2016 heeft het college [appellant] gelast om de vier in het besluit genoemde overtredingen op het perceel gelegen tussen de percelen [locatie 1] en [locatie 2] binnen drie maanden na de verzending van het besluit te (laten) beëindigen en beëindigd te houden, op straffe van een eenmalige dwangsom van € 10.000,-- per overtreding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201709571/1/A1.

Datum uitspraak: 21 november 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 17 oktober 2017 in zaak nr. 17/1226 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Woerden.

Procesverloop

De last onder dwangsom

Bij besluit van 13 september 2016 heeft het college [appellant] gelast om de vier in het besluit genoemde overtredingen op het perceel gelegen tussen de percelen [locatie 1] en [locatie 2] binnen drie maanden na de verzending van het besluit te (laten) beëindigen en beëindigd te houden, op straffe van een eenmalige dwangsom van € 10.000,-- per overtreding.

De begunstigingstermijn is nadien verlengd tot en met 14 februari 2017.

Bij besluit van 13 februari 2017 heeft het college het door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 oktober 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De invordering

Bij besluit van 25 april 2017 heeft het college besloten tot invordering van de verbeurde dwangsombedragen ter hoogte van in totaal € 40.000,--.

Bij besluit van 4 oktober 2017 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Hiertegen heeft [appellant] beroepsgronden ingediend bij de rechtbank. Deze beroepsgronden zijn doorgezonden naar de Afdeling.

Nadere stukken en zitting

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting en een reactie op de beroepsgronden tegen het invorderingsbesluit ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 oktober 2018, waar [appellant], bijgestaan door mr. V.C. van der Velde, advocaat te Almere, en het college, vertegenwoordigd door F.E. Vorrink, mr. E.T. Timmerman-Roosjen en mr. C.V. Mills-Tross, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] woont op het perceel [locatie 2] te Harmelen, waar hij een koikarper kwekerij exploiteert onder de naam [koikarper kwekerij].

Ook het naastgelegen [perceel] (hierna: het perceel), is eigendom van [appellant]. Ten tijde van de aankoop van het perceel was daarop een boomgaard aanwezig. [appellant] heeft deze boomgaard verwijderd en heeft het perceel in gebruik genomen als tuin ten behoeve van zijn koikarper kwekerij.

2.    Bij het in bezwaar gehandhaafde dwangsombesluit heeft het college een last onder dwangsom opgelegd wegens vier overtredingen op het perceel. Daarbij gaat het volgens het college om:

- een erfafscheiding die op het perceel en gedeeltelijk op gemeentegrond is gebouwd,

- een zeecontainer die op het perceel is geplaatst,

- de bouw van een bassin op het perceel,

- de inrichting van het perceel als tuin ten behoeve van de naastgelegen koikarper kwekerij.

     Volgens het college zijn de genoemde bouwwerken zonder de vereiste omgevingsvergunning voor bouwen gerealiseerd en is legalisatie van de desbetreffende bouwwerken niet mogelijk omdat deze in strijd zijn met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Ook het gebruik van het perceel als tuin is volgens het college in strijd met het bestemmingsplan. Daarom is in dit geval sprake van overtredingen van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, dan wel van artikel 2.3a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo), zo stelt het college.

3.    De rechtbank heeft het beroep van [appellant] tegen het in bezwaar gehandhaafde dwangsombesluit ongegrond verklaard.

4.    De termijn waarbinnen aan de last moest worden voldaan, is verlengd tot en met 14 februari 2017. Op 28 februari 2017 heeft een inspectie plaatsgevonden op het perceel. Daarbij is geconstateerd dat geen van de overtredingen ongedaan was gemaakt.

     Het college heeft [appellant] bij brief van 1 maart 2017 in kennis gesteld van het verbeuren van de dwangsombedragen. Daarna heeft het college een invorderingsbesluit genomen, welk besluit in bezwaar is gehandhaafd.

Relevante regelgeving en bestemmingsplan

5.    De relevante bepalingen van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het Eerste Protocol bij het EVRM), de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en de Wabo zijn opgenomen in een bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

6.    Voor het perceel geldt het bestemmingsplan "Harmelerwaard" (hierna: het bestemmingsplan).

     Ingevolge dit plan rust op het perceel de enkelbestemming "Agrarisch-Glastuinbouw" en de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie 2". Aan het perceel is geen bouwvlak toegekend.

7.    De relevante regels van het bestemmingsplan zijn eveneens opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Hoger beroep over de last onder dwangsom

8.    [appellant] betoogt dat geen sprake is van overtredingen omdat de in het geding zijnde bouwwerken en het gebruik van het perceel onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan vallen.

     Ook voert hij aan dat concreet zicht bestaat op legalisering van de bassins die op het perceel zijn gebouwd. Daarbij stelt hij dat hij inmiddels een omgevingsvergunning heeft gevraagd en dat die vergunning - eventueel tijdelijk - met toepassing van de zogenoemde 'toverformule' kan worden verleend.

     Verder betoogt hij dat het verbod om het perceel voor andere doeleinden te gebruiken dan in de planregels is omschreven, moet worden beschouwd als een inmenging in de rechten als bedoeld in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM.

     [appellant] voert verder aan dat het dwangsombesluit in strijd is met het verbod van détournement de pouvoir als bedoeld in artikel 3:3 van de Awb. Daartoe stelt hij dat er geen belang bestaat bij handhaving, maar dat het college alleen de toekomstige aanleg van een nieuwe weg over het perceel wil veiligstellen.

8.1.    Hetgeen [appellant] op deze punten in hoger beroep heeft aangevoerd, is uitsluitend een herhaling van wat hij in beroep bij de rechtbank heeft aangevoerd.

8.2.    De rechtbank is in de aangevallen uitspraak gemotiveerd op deze gronden ingegaan. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat de gerealiseerde bouwwerken en het gebruik van het perceel in strijd zijn met het bestemmingsplan en dat op dit punt geen bescherming kan worden ontleend aan het overgangsrecht van het bestemmingsplan. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college had moeten afzien van handhavend optreden. Daarbij is de rechtbank gemotiveerd tot het oordeel gekomen dat geen concreet zicht op legalisering bestaat en dat het dwangsombesluit niet in strijd is met het verbod van détournement de pouvoir. Ook heeft de rechtbank, onder verwijzing naar jurisprudentie van de Afdeling, geoordeeld dat het verbod op het gebruik van het perceel voor andere dan in de planregels omschreven doeleinden niet in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM.

8.3.    In hoger beroep heeft [appellant] niet uiteengezet waarom de aangevallen uitspraak op deze punten onjuist, dan wel onvolledig zou zijn. Het aangevoerde geeft dan ook geen aanleiding voor een vernietiging van de aangevallen uitspraak.

8.4.    Het betoog faalt.

9.    [appellant] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bedrag van de opgelegde dwangsommen onevenredig hoog is. Hij voert daartoe aan dat de vier overtredingen samen kunnen worden beschouwd als één overtreding, omdat het gaat om gedragingen op hetzelfde perceel. Ook stelt hij dat in dit geval geen sprake is van ernstige overtredingen omdat het niet gaat om een vervuiling van het milieu, om een verstoring van de openbare orde of om overlast voor omwonenden.

9.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 17 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:343) heeft het opleggen van een last onder dwangsom ten doel de overtreder te bewegen tot naleving van de voor hem geldende regels. Om dit doel te bereiken kan de hoogte van het bedrag worden afgestemd op het financiële voordeel dat een overtreder kan verwachten bij het niet naleven van deze regels. Van de dwangsom moet een zodanige prikkel uitgaan, dat de opgelegde last wordt uitgevoerd zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.

9.2.    De rechtbank heeft in wat [appellant] heeft aangevoerd terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het vastgestelde bedrag van de dwangsommen niet in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging.

Niet in geschil is dat het college zich bij het bepalen van de hoogte van de dwangsombedragen heeft gebaseerd op de daarvoor geldende richtlijnen die zijn opgenomen in de beleidsnotitie "Integraal handhavingsbeleid Woerden 2015-2018". Daarbij heeft het college ook rekening gehouden met de verklaring van [appellant] dat zijn bedrijf een luxe uitstraling heeft en dat koikarpers soms voor forse bedragen worden verkocht. De rechtbank heeft dit terecht niet onredelijk geacht. Daarbij is tevens van belang dat het in dit geval gaat om vier afzonderlijke overtredingen. Aan de omstandigheid dat de desbetreffende overtredingen hebben plaatsgevonden op hetzelfde perceel, heeft het college bij het vaststellen van de dwangsombedragen dan ook geen doorslaggevende betekenis hoeven toekennen.

9.3.    Het betoog faalt.

Beroepsgronden over het invorderingsbesluit

10.    Bij besluit van 4 oktober 2017 heeft het college de bezwaren van [appellant] tegen de invordering van de op grond van het besluit van 13 september 2016 verbeurde dwangsombedragen ter hoogte van in totaal € 40.000,00 ongegrond verklaard.

11.    Ingevolge artikel 5:39, eerste lid, van de Awb heeft het hoger beroep mede betrekking op het besluit van 4 oktober 2017, nu dit door [appellant] is betwist.

12.    [appellant] betoogt dat het invorderingsbesluit prematuur is genomen. Volgens hem had het college met het nemen van een invorderingsbesluit moeten wachten totdat het dwangsombesluit onherroepelijk is.

12.1.    Dit betoog faalt. Ook wanneer een besluit tot het opleggen van een last onder dwangsom nog niet in rechte onaantastbaar is, kan het college, zonder dat de wet daaraan in de weg staat, besluiten om tot invordering van verbeurde dwangsommen over te gaan (vergelijk de uitspraak van 4 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW0743).

13.    [appellant] betoogt verder aan dat concreet zicht bestaat op legalisering van de bassins die op het perceel zijn gebouwd, omdat hij hiervoor een omgevingsvergunning heeft gevraagd. Nu de verwijdering van die bassins onomkeerbaar is en gepaard gaat met hoge kosten, heeft het college ten onrechte niet de mogelijkheid geboden om met de verwijdering van de bassins te wachten totdat de vergunningprocedure is afgerond, zo voert [appellant] aan.

13.1.    De Afdeling overweegt hierover, onder verwijzing naar de uitspraak van 4 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:648, dat bezwaren die betrekking hebben op de rechtmatigheid van het besluit tot oplegging van de last onder dwangsom in beginsel niet meer aan de orde kunnen komen in het kader van de toetsing van de invorderingsbeschikking.

     Concreet zicht op legalisering is een aspect dat betrekking heeft op de rechtmatigheid van het dwangsombesluit en dat [appellant] in het kader van zijn beroep en hoger beroep tegen het dwangsombesluit ook aan de orde heeft gesteld. Dit heeft niet geleid tot het oordeel dat het college in dit geval had moeten afzien van handhavend optreden. Zoals blijkt uit wat hiervoor onder 8 tot en met 9.3 is overwogen, moet in het kader van de beoordeling van de invorderingsbeschikking worden uitgegaan van de rechtmatigheid van het dwangsombesluit. Gelet hierop kan het betoog over concreet zicht op legalisatie niet meer worden aangevoerd tegen het invorderingsbesluit.

14.    [appellant] betoogt dat aan het invorderingsbesluit geen deugdelijke belangafweging ten grondslag ligt en dat het college ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de bijzondere omstandigheden van dit geval. Volgens hem bestond er aanleiding om het in te vorderen bedrag te matigen. Het college had gehoor moeten geven aan zijn verzoek om in gesprek te gaan, zodat een oplossing kon worden gezocht voor de ontstane situatie, zo stelt [appellant]. Hierbij voert hij aan dat hij inmiddels gedeeltelijk aan de last heeft voldaan, maar dat de zeecontainer niet binnen de begunstigingstermijn kon worden verplaatst vanwege overmacht. Volgens hem was het perceel door de natte winter niet begaanbaar voor zwaar materieel en is de container verplaatst zodra het perceel weer toegankelijk was. Verder stelt hij dat hij door de invordering onevenredig financieel wordt getroffen en dat de invordering voor hem en zijn gezin tot een faillissement kan leiden.

14.1.    [appellant] betoogt terecht dat het college niet gelijk tot invordering had mogen overgaan zonder met hem in gesprek te gaan.

     Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld in de uitspraak van 12 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2956, naar aanleiding van de conclusie van de staatsraad advocaat-generaal mr. P.J. Wattel van 4 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1152, dient het college de belanghebbende op grond van artikel 4:8, eerste lid, van de Awb voorafgaand aan de dwangsominvordering in de gelegenheid te stellen te worden gehoord.

Zoals uit de evengenoemde uitspraak blijkt, is dit horen niet van belang voor het antwoord op de vraag of het college bevoegd is om tot invordering over te gaan, maar kan de overtreder dit horen gebruiken om bijzondere omstandigheden naar voren te brengen waarvan het bestuursorgaan niet al op de hoogte is of had moeten zijn.

     Blijkens het verhandelde ter zitting is tussen partijen niet langer in geschil dat het college [appellant] ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld om voorafgaand aan de dwangsominvordering te worden gehoord.

Zoals de Afdeling echter eerder heeft overwogen (uitspraak van 3 december 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AN9239), kan het verzuim om een belanghebbende niet vooraf te horen in bezwaar worden hersteld.

Nu [appellant] zijn standpunt over het invorderingsbesluit van 25 april 2017 en over de door hem gestelde bijzondere omstandigheden naar voren heeft kunnen brengen op de hoorzitting in de bezwaarschriftprocedure, bestaat in zoverre geen aanleiding voor een vernietiging van het besluit van 4 oktober 2017.

14.2.    Bij een besluit omtrent invordering van een verbeurde dwangsom, dient aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht te worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Steun voor dit uitgangspunt kan worden gevonden in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Awb (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 115). Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dus dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien.

14.3.    Wat [appellant] heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college wegens bijzondere omstandigheden had moeten afzien van invordering van de verbeurde dwangsommen. In de stelling van [appellant] dat hij na afloop van de begunstigingstermijn gedeeltelijk aan de last heeft voldaan, heeft het college geen grond hoeven zien om van invordering af te zien. Verder heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat het gedurende de gehele begunstigingstermijn van in totaal vijf maanden niet mogelijk is geweest om de zeecontainer te verplaatsen. Dat [appellant] met de verplaatsing heeft gewacht tot de winterperiode betreft een omstandigheid die voor zijn eigen rekening dient te blijven. Verder stelt [appellant] weliswaar dat hij onvoldoende draagkracht heeft om de dwangsombedragen te betalen, maar hij heeft dit betoog op geen enkele wijze onderbouwd, terwijl dit niet strookt met zijn verklaring, zoals hiervoor onder 9.2 is vermeld, dat zijn bedrijf een luxe uitstraling heeft en dat koikarpers soms voor forse bedragen worden verkocht.

14.4.    Gelet op het vorenstaande faalt het betoog.

Conclusie en slotoverwegingen

15.    Het hoger beroep over de last onder dwangsom is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

16.    Het beroep dat van rechtswege is ontstaan tegen het invorderingsbesluit van 4 oktober 2017 is eveneens ongegrond.

17.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Woerden van 4 oktober 2017 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N.I. Breunese-van Goor, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen    w.g. Breunese-van Goor

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 november 2018

208. BIJLAGE

Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

Artikel 1

Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht.

De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren.

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 3:3

Het bestuursorgaan gebruikt de bevoegdheid tot het nemen van een besluit niet voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend.

Artikel 4:8

1. Voordat een bestuursorgaan een beschikking geeft waartegen een belanghebbende die de beschikking niet heeft aangevraagd naar verwachting bedenkingen zal hebben, stelt het die belanghebbende in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen indien:

a. de beschikking zou steunen op gegevens over feiten en belangen die de belanghebbende betreffen, en

b. die gegevens niet door de belanghebbende zelf ter zake zijn verstrekt.

2. Het eerste lid geldt niet indien de belanghebbende niet heeft voldaan aan een wettelijke verplichting gegevens te verstrekken.

Artikel 5:32b

1. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd, dan wel per overtreding van de last.

2. Het bestuursorgaan stelt tevens een bedrag vast waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd.

3. De bedragen staan in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom.

Artikel 5:33

Een verbeurde dwangsom wordt betaald binnen zes weken nadat zij van rechtswege is verbeurd

Artikel 5:37

1. Alvorens aan te manen tot betaling van de dwangsom, beslist het bestuursorgaan bij beschikking omtrent de invordering van een dwangsom (…).

Artikel 5:39

1. Het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de last onder dwangsom heeft mede betrekking op een beschikking die strekt tot invordering van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.

2. De bestuursrechter kan de beslissing op het beroep of hoger beroep tegen de beschikking tot invordering echter verwijzen naar een ander orgaan, indien behandeling door dit orgaan gewenst is (…).

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

[…]

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, […].

Artikel 2.3a

1. Het is verboden een bouwwerk of deel daarvan dat is gebouwd zonder omgevingsvergunning in stand te laten.

2. Het eerste lid blijft buiten toepassing indien voor het bouwen van het desbetreffende bouwwerk op grond van artikel 2.1, derde lid, geen omgevingsvergunning is of was vereist, met dien verstande dat indien in een dergelijk geval sprake is van een bouwwerk waarvan de aanwezigheid slechts een beperkte periode is toegestaan, het eerste lid uitsluitend buiten toepassing blijft gedurende die periode.

Bestemmingsplan "Harmelerwaard"

Artikel 5

5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Agrarisch - Glastuinbouw' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. glastuinbouwbedrijven met bijbehorende voorzieningen,

b. gebruik als ondergeschikte nevenactiviteit van de agrarische bedrijfsvoering, voor de navolgende activiteiten:

1. bewerking en opslag van agrarisch producten,

2. verkoop van zelfgemaakte, -bewerkte, -gekweekte of -geteelde producten tot een oppervlakte van ten hoogste 50 m²,

3. hoveniersbedrijf,

4. bed and breakfast in de woning,

5. zorgboerderij met dagopvang,

c. extensieve openluchtrecreatie,

d. erftoegangswegen, en

e. watergangen.

5.2 Bouwregels

5.2.1 Toegestane bouwwerken binnen bouwvlak

[…]

5.2.2 Toegestane bouwwerken buiten bouwvlak

Buiten bouwvlakken op de gronden als bedoeld in lid 5.1, mogen uitsluitend worden gebouwd andere bouwwerken, niet zijnde:

a. bouwwerken voor mestopslag en andere silo's, en

b. overkappingen.

Artikel 28 Overgangsrecht

28.1 Overgangsrecht bouwwerken

1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,

a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;

b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen, wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.

2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.

3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

28.2 Overgangsrecht gebruik

1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

2. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.