Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:3794

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-11-2018
Datum publicatie
21-11-2018
Zaaknummer
201801017/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 oktober 2017 heeft het college zijn beslissing om op 27 september 2017 wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening Rotterdam 2009 van de gemeente Rotterdam (hierna: de Afvalstoffenverordening) en het Uitvoeringsbesluit Afvalstoffen Rotterdam 2009 (hierna: het Uitvoeringsbesluit Afvalstoffen) aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen spoedeisende bestuursdwang toe te passen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang, € 125,00, voor rekening van [appellant] komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201801017/1/A1.

Datum uitspraak: 21 november 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 6 oktober 2017 heeft het college zijn beslissing om op 27 september 2017 wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening Rotterdam 2009 van de gemeente Rotterdam (hierna: de Afvalstoffenverordening) en het Uitvoeringsbesluit Afvalstoffen Rotterdam 2009 (hierna: het Uitvoeringsbesluit Afvalstoffen) aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen spoedeisende bestuursdwang toe te passen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang, € 125,00, voor rekening van [appellant] komen.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 november 2018, waar [appellant], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. G.L. Andriessen, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Artikel 10 van de Afvalstoffenverordening luidt:

"1. Het is de gebruiker van een perceel, voor wie krachtens artikel 4, tweede lid, een inzamelvoorziening is aangewezen, verboden de huishoudelijke afvalstoffen anders aan te bieden dan via het betreffende inzamelmiddel of de betreffende inzamelvoorziening of het betreffende brengdepot.

(…).

3. Het college kan regels stellen omtrent het gebruik van een van gemeentewege verstrekt inzamelmiddel.

4. Het college kan regels stellen omtrent de plaats en wijze waarop huishoudelijke afvalstoffen moeten worden aangeboden.

(…)

6. Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen op andere wijze ter inzameling aan te bieden dan krachtens dit artikel is bepaald."

    Artikel 6, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit Afvalstoffen luidt:

"(…)

5. Het is niet toegestaan afvalstoffen, grof huishoudelijk afval of grof tuinafval te plaatsen naast de inzamelvoorziening."

2.    De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een huisvuilzak met huishoudelijke afvalstoffen die op 27 september 2017 is aangetroffen naast de inzamelvoorziening op de Sint-Jobskade ter hoogte van nummer 1. Omdat in de huisvuilzak een poststuk is aangetroffen met daarop de naam van [appellant] en de adresgegevens van zijn bloemenwinkel, stelt het college zich op het standpunt dat de huisvuilzak van hem afkomstig is en dat hij deze in strijd met artikel 10 van de Afvalstoffenverordening en artikel 6 van het Uitvoeringsbesluit Afvalstoffen ter inzameling heeft aangeboden. Volgens het college kunnen de kosten van de spoedeisende bestuursdwang daarom op hem als overtreder worden verhaald.

3.    [appellant] betoogt dat hij niet degene is geweest die de huisvuilzak op onjuiste wijze ter inzameling heeft aangeboden. Hij wijst erop dat hij niet in Rotterdam woont en zodoende geen huisvuil heeft, maar uitsluitend bloemenafval dat bedrijfsafval is. Verder is de huisvuilzak gevonden op een maandagochtend, terwijl de bloemenzaak niet geopend is op maandagen tot 12 uur en op zondagen gesloten is. [appellant] voert aan dat hij zijn bedrijfsafval bij de naast zijn bloemenzaak gelegen Albert Heijn supermarkt in een container deponeert en regelmatig grijze vuilniszakken met bedrijfsafval mee naar huis neemt. Bovendien gebruikt [appellant] altijd grijze vuilniszakken terwijl het adreslabel met zijn gegevens is aangetroffen in een blauwe vuilniszak. [appellant] vermoedt dat het aangetroffen poststuk waarschijnlijk abusievelijk verkeerd is bezorgd.

3.1.    Artikel 5:25, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht luidt: "de toepassing van bestuursdwang geschiedt op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen."

    Artikel 5:1, tweede lid, luidt: "onder overtreder wordt verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt."

    In de regel zal mogen worden aangenomen dat de persoon tot wie de aangetroffen afvalstoffen kunnen worden herleid, ook de overtreder is. Dit geldt echter niet indien diegene aannemelijk maakt dat hij niet degene is geweest die het te handhaven voorschrift heeft geschonden.

3.2.    Nu in de huisvuilzak een brief met de naam van [appellant] en het adres van zijn bloemenzaak is aangetroffen, is de huisvuilzak tot hem herleidbaar. Dit betekent dat het college ervan mag uitgaan dat [appellant] de overtreder is, tenzij [appellant] aannemelijk maakt dat hij niet degene is die de huisvuilzak op onjuiste wijze heeft aangeboden (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 14 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:516).

3.3.    De omstandigheid dat tussen de bloemenzaak van [appellant] en de locatie waar de huisvuilzak is aangetroffen een ruime afstand bestaat en een grasveld en een trambaan zijn gelegen, is op zichzelf onvoldoende om aannemelijk te achten dat [appellant] niet degene is geweest die de huisvuilzak op onjuiste wijze ter inzameling heeft aangeboden (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 1 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1014). [appellant] heeft geen bijkomende omstandigheden aangevoerd waarmee hij aannemelijk heeft gemaakt dat hij de afstand van zijn bloemenzaak naar de plek waar de huisvuilzak is aangetroffen niet kon overbruggen. De omstandigheid dat hij afspraken heeft gemaakt over het deponeren van zijn afval in de vuilcontainers van de nabijgelegen Albert Heijn supermarkt is daarvoor onvoldoende.

    [appellant] heeft voorts geen omstandigheden aangevoerd waarmee hij aannemelijk heeft gemaakt dat de in de huisvuilzak aangetroffen brief op een ander adres is bezorgd en dat een ander die brief in de huisvuilzak heeft gedaan en deze op onjuiste wijze ter inzameling heeft aangeboden.

    Voor zover [appellant] heeft aangevoerd dat de huisvuilzak is aangetroffen op een maandagochtend heeft het college er voorts terecht op gewezen dat uit een ambtelijke rapportage blijkt dat de huisvuilzak is aangetroffen op woensdag 27 september 2017. Ook de enkele stelling van [appellant] dat hij nooit blauwe vuilniszakken gebruikt is onvoldoende voor de conclusie dat hij niet degene is die de huisvuilzak verkeerd ter inzameling heeft aangeboden.

    Het betoog faalt.  

4.    Het beroep is ongegrond.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Melenhorst, griffier.

w.g. Hoekstra    w.g. Melenhorst

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 november 2018

490.