Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:3788

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-11-2018
Datum publicatie
21-11-2018
Zaaknummer
201700981/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:8060, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 mei 2013 heeft de korpschef het verzoek van 18 april 2013 van [appellante] om haar persoonsgegevens niet verder te verwerken, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBP 2019/5 met annotatie van Groenhart, N.W.
Module Privacy & AVG 2019/2496
Module Privacy & AVG 2019/2708
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201700981/1/A3.

Datum uitspraak: 21 november 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 15 december 2016 in zaak nr. 14/7082 in het geding tussen:

[appellante]

en

de korpschef van politie.

Procesverloop

Bij besluit van 2 mei 2013 heeft de korpschef het verzoek van 18 april 2013 van [appellante] om haar persoonsgegevens niet verder te verwerken, afgewezen.

Bij besluit van 20 december 2013 heeft de korpschef het verzoek van 31 oktober 2013 van [appellante] om openbaarmaking van documenten op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) afgewezen.

Bij besluit van 15 januari 2014 heeft de korpschef het verzoek van 29 oktober 2013 van [appellante] om haar mede te delen of haar betreffende persoonsgegevens worden verwerkt, ingewilligd. De korpschef heeft daarbij vermeld dat zij een afspraak kan maken voor inzage in haar persoonsgegevens.

Bij besluit van 29 januari 2014 heeft de korpschef dat verzoek van 29 oktober 2013 alsnog afgewezen en inzage in haar persoonsgegevens geweigerd.

Bij besluit van 27 oktober 2014 heeft de korpschef het door [appellante] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 20 december 2013 ongegrond verklaard.

Bij besluit van 21 oktober 2016 heeft de korpschef het besluit van 27 oktober 2014 vervangen en het bezwaar van [appellante] tegen het besluit van 20 december 2013 gegrond verklaard. De korpschef is alsnog overgegaan tot (gedeeltelijke) openbaarmaking van documenten.

Bij uitspraak van 15 december 2016 heeft de rechtbank het beroep van [appellante] tegen het besluit van 27 oktober 2014 niet-ontvankelijk verklaard. Zij heeft het beroep tegen het besluit van 21 oktober 2016 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd en de korpschef opgedragen een nieuw besluit te nemen binnen zes weken na verzending van de uitspraak. Verder heeft de rechtbank het beroep, gericht tegen de besluiten van 2 mei 2013, 15 januari 2014 en 29 januari 2014 over de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp) niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

[appellante] en [politiefunctionaris] hebben de toestemming, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), verleend.

De Afdeling heeft beslist om kennisneming van stukken over de Wbp door [politiefunctionaris] voor te behouden aan een gemachtigde die arts of advocaat is als bedoeld in artikel 8:32, tweede lid, van de Awb.

Bij besluit van 21 juli 2017 heeft de korpschef, uitvoering gevend aan de uitspraak van 15 december 2016, het bezwaar van [appellante] tegen het besluit van 20 december 2013 opnieuw gegrond verklaard. De korpschef heeft vervolgens opnieuw documenten (gedeeltelijk) openbaar gemaakt.

De korpschef heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante] heeft een schriftelijke reactie gegeven op het besluit van 21 juli 2017.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 juli 2018, waar de korpschef, vertegenwoordigd door mr. N.D.A.M. van Dorst en mr. W. Andelbeek, zijn verschenen. Ook [politiefunctionaris] is verschenen.

Overwegingen

1.    De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in een bijlage. Deze bijlage maakt deel uit van de uitspraak.

Voorgeschiedenis en besluitvorming

-    De verschillende verzoeken van [appellante]

2.    Naar aanleiding van een bezoek op 18 februari 2013 van twee onderzoeksrechercheurs aan [appellante], heeft zij bij brief van 18 april 2013 de korpschef verzocht om haar persoonsgegevens niet meer verder te verwerken.

2.1.    Vervolgens heeft [appellante] bij brief van 29 oktober 2013 de korpschef verzocht om inzage in haar persoonsgegevens op grond van de Wbp. Meer specifiek heeft zij verzocht om een compleet overzicht van haar persoonsgegevens, de categorieën gegevens waartoe zij behoren, informatie over het doel op grond waarvan haar persoonsgegevens worden verwerkt, informatie over de herkomst van haar gegevens, informatie over de ontvangers van haar gegevens en informatie over het tijdstip waarop de ontvangers de gegevens hebben ontvangen. Zij heeft ten slotte verzocht om het nummer van de melding van de verwerking bij het toenmalige College Bescherming Persoonsgegevens (nu de Autoriteit Persoonsgegevens; hierna: AP).

2.2.    Bij brief van 31 oktober 2013 heeft [appellante] op grond van de Wob verzocht om alle documenten over het functioneren van [politiefunctionaris] (hierna: de politiefunctionaris). Daarbij kan, aldus het verzoek, worden gedacht aan afschriften van voortgangs- en functioneringsgesprekken, klachtendossiers, interne onderzoeken, rapportages, processen-verbaal, gespreksverslagen, overwegingen, notulen, concepten, briefings, digitale communicaties, interne communicatie, meldingen, mutaties, informatieoverdracht en informatie-uitwisseling. Ook heeft [appellante] verzocht om alle beslissingen over de rechtspositie van de politiefunctionaris, disciplinaire maatregelen, documenten over plichtsverzuim en soortgelijke stukken.

-    De besluitvorming van de korpschef

3.    De korpschef heeft het verzoek van [appellante] van 18 april 2013 bij besluit van 2 mei 2013 afgewezen. Volgens de korpschef is verwerking van de persoonsgegevens van [appellante] in dit geval noodzakelijk om een wettelijke verplichting, waaraan hij is onderworpen, na te komen.

3.1.    Bij besluit van 15 januari 2014 heeft de korpschef het verzoek van [appellante] van 29 oktober 2013 ingewilligd in die zin dat [appellante] inzage kan hebben in haar persoonsgegevens. Daarbij heeft de korpschef medegedeeld dat zij voor die inzage telefonisch een afspraak kan maken.

3.2.    Vervolgens heeft de korpschef bij besluit van 29 januari 2014 het besluit van 15 januari 2014 gewijzigd in die zin dat hij het verzoek van 29 oktober 2013 om inzage in de persoonsgegevens alsnog heeft afgewezen. De reden daarvoor is dat de vastgelegde persoonsgegevens, niet zijnde politiegegevens, zijn gekoppeld aan disciplinaire onderzoeken. Verder heeft de korpschef medegedeeld dat de landelijke politie vrijstelling heeft gekregen van de meldplicht bij de AP voor het verwerken van persoonsgegevens.

3.3.    De korpschef heeft het Wob-verzoek bij besluit van 20 december 2013 afgewezen. Hij heeft overwogen dat alle verzochte documenten zien op de politiefunctionaris en dat openbaarmaking daarvan direct een inbreuk maakt op diens persoonlijke levenssfeer. Het belang van openbaarmaking weegt niet op tegen het belang van de eerbiediging van diens persoonlijke levenssfeer, aldus de korpschef.

3.4.    Bij brief van 29 januari 2014 heeft [appellante] bezwaar gemaakt tegen het besluit van 20 december 2013 over het Wob-verzoek.

3.5.    Bij besluit van 27 oktober 2014 heeft de korpschef het bezwaar van [appellante] tegen het besluit van 20 december 2013 ongegrond verklaard. De korpschef heeft overwogen dat het verzochte dossier in zaak 2012-50 is opgemaakt in het kader van een met naam en toenaam bij [appellante] bekende politiefunctionaris van de voormalige politie Midden en West Brabant. Omdat alle verzochte gegevens van het onderzoek naar deze politiefunctionaris direct tot deze persoon zijn te herleiden, heeft de korpschef geweigerd de verzochte documenten openbaar te maken.

3.6.    Dit besluit van 27 oktober 2014 heeft de korpschef vervangen bij zijn besluit van 21 oktober 2016. In dit laatste besluit heeft de korpschef vastgesteld dat het verzoek, anders dan hij eerder veronderstelde in het besluit van 27 oktober 2014, ziet op het ambtelijk functioneren van de politiefunctionaris en niet uitsluitend op het dossier in zaak 2012-50 opgemaakt door de Afdeling Veiligheid Integriteit en Klachten (Afdeling VIK). De korpschef heeft de aangetroffen documenten onderverdeeld in de categorieën A tot en met J. Voor elk van die categorieën heeft hij in zijn besluit van 21 oktober 2016 een beoordeling gegeven over de openbaarmaking van de aangetroffen documenten. Deze beoordeling heeft geresulteerd in een gegrondverklaring van het bezwaar van 29 januari 2014 en een (gedeeltelijke) openbaarmaking van documenten.

De aangevallen uitspraak

-    Over de Wob

4.    De rechtbank heeft het beroep gericht tegen het besluit 27 oktober 2014 niet-ontvankelijk verklaard. Dat besluit heeft de korpschef vervangen door het besluit van 21 oktober 2016. Om die reden heeft [appellante] geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep gericht tegen het besluit van 27 oktober 2014.

4.1.    De rechtbank heeft de rechtmatigheid van het besluit van 21 oktober 2016 per onderdeel beoordeeld in het licht van de daartegen aangevoerde beroepsgronden. Zij heeft geoordeeld dat het besluit, voor zover het ziet op de onderdelen D "Afschriften van voortgangs- en functioneringsgesprekken", E "Tevredenheidsbetuigingen", G "Overige documenten in Personeelsdossier", I "Klachten" en J "E-mails met leiding", niet deugdelijk is gemotiveerd. Zij heeft het besluit van 21 oktober 2016 in zijn geheel vernietigd.

-    Over de Wbp

4.2.    Omdat [appellante] in het aanvullende beroepschrift ook gronden heeft aangevoerd over de Wbp-besluiten, heeft de rechtbank onderzocht of het beroep gericht tegen die besluiten ontvankelijk is. De rechtbank heeft in dat kader vastgesteld dat de korpschef bij besluiten van 2 mei 2013 en 29 januari 2014 op de Wbp-verzoeken heeft beslist en dat tegen die besluiten, alvorens beroep kan worden ingesteld, bezwaar dient te worden gemaakt. Volgens de rechtbank heeft [appellante] geen bezwaar gemaakt tegen deze besluiten, alvorens zij beroep heeft ingesteld. Daarom dient het beroep gericht tegen de Wbp-besluiten, niet-ontvankelijk te worden verklaard, aldus de rechtbank.

Nadere besluitvorming

5.    Bij besluit van 21 juli 2017 heeft de korpschef uitvoering gegeven aan de uitspraak van de rechtbank. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.

5.1.    De korpschef heeft de aangetroffen documenten onderverdeeld in de categorieën A tot en met L. De categorieën K en L gaan over documenten die de korpschef bij een tweede onderzoek heeft aangetroffen. De korpschef heeft voor elk van de categorieën in zijn besluit van 21 juli 2017 een oordeel gegeven over de openbaarmaking van de aangetroffen documenten. Deze beoordeling heeft geresulteerd in een gegrondverklaring van het bezwaar van 29 januari 2014 en een verdere (gedeeltelijke) openbaarmaking van documenten.

Het geschil in hoger beroep

6.    De Afdeling stelt vast dat het hoger beroep geen betrekking heeft op de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep van [appellante] tegen het besluit van 27 oktober 2014.

6.1.    [appellante] heeft in hoger beroep enerzijds gronden aangevoerd over het oordeel van de rechtbank over het besluit van 21 oktober 2016 en anderzijds over de niet-ontvankelijkverklaring door de rechtbank van het beroep tegen de Wbp-besluiten. Daarnaast heeft [appellante] gronden aangevoerd over de procedure bij de rechtbank, meer in het bijzonder over de doorzending van stukken aan de politiefunctionaris en de goede procesorde. Deze procedurele gronden zal de Afdeling eerst beoordelen. Vervolgens zal de Afdeling de gronden over de Wob beoordelen. De gronden over de Wbp zal de Afdeling daarna beoordelen. Tot slot zal de Afdeling, voor zover nodig, het besluit van 21 juli 2017 in het licht van de daartegen aangevoerde beroepsgronden beoordelen.

-    Gronden over de procedure bij de rechtbank

Doorzenden van stukken

7.    [appellante] voert aan dat de rechtbank op 5 maart 2015 de door de korpschef ingezonden stukken ten onrechte integraal heeft doorgestuurd aan de politiefunctionaris. Tussen die stukken bevonden zich ook stukken die geen betrekking hebben op de Wob-procedure. Deze stukken zijn niet te kwalificeren als op de Wob-zaak betrekking hebbende stukken, aldus [appellante].

7.1.    Op grond van artikel 8:39 van de Awb zendt de griffier de op de zaak betrekking hebbende stukken zo spoedig mogelijk aan partijen, voor zover de bestuursrechter niet op grond van de artikelen 8:29 of 8:32 van de Awb anders heeft beslist. De op de zaak betrekking hebbende stukken zijn in ieder geval de stukken die de korpschef op grond van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb aan de rechtbank heeft gezonden.

7.2.    Naar aanleiding van het door [appellante] ingestelde beroep van 25 november 2014, heeft de griffier van de rechtbank bij brief van 20 december 2014 de op de zaak betrekking hebbende stukken bij de korpschef opgevraagd. De korpschef heeft deze stukken bij brief van 23 januari 2015 aan de rechtbank gezonden. Bij afzonderlijke brief van diezelfde datum heeft de korpschef met betrekking tot een aantal stukken de rechtbank verzocht om toepassing van artikel 8:29 van de Awb. Dat verzoek heeft de rechtbank bij beslissing van 26 februari 2015 ingewilligd. Daarop heeft de griffier de overige stukken bij brief van 5 maart 2015 op grond van artikel 8:39 van de Awb doorgezonden naar de gemachtigde van de politiefunctionaris. Bij brief van 18 maart 2015 heeft de toenmalige gemachtigde van [appellante] de rechtbank erop geattendeerd dat zich onder de doorgezonden gedingstukken ook stukken bevinden over de Wbp-procedure en heeft hij verzocht om deze stukken geanonimiseerd aan de politiefunctionaris te verstrekken. Bij beslissing van 29 mei 2015 heeft de rechtbank beslist over dat verzoek tot toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Awb.

7.3.    De handelwijze van de griffier van de rechtbank, die in overeenstemming is met artikel 8:39 van de Awb, leidt er niet toe dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Daarbij is van belang dat met het besluit op bezwaar van 27 oktober 2014 het bezwaar gericht tegen het besluit van 20 december 2013 over de Wob ongegrond is verklaard en dat het beroepschrift tegen dat besluit van 27 oktober 2014 is gericht. De rechtbank verkeerde aanvankelijk in de terechte veronderstelling dat de procedure uitsluitend over dat Wob-besluit ging en dat ook de stukken betrekking hadden op die procedure. Op de griffier van de rechtbank rustte onder deze omstandigheden niet de plicht om stukken te verwijderen uit het door de korpschef op grond van artikel 8:42 van de Awb ingezonden dossier.

Goede procesorde

8.    [appellante] voert aan dat zij twaalf dagen voor de zitting het besluit op bezwaar van 21 oktober 2016 ontving met een dik pakket niet-geordende en onoverzichtelijke producties. Tegelijkertijd ontving zij het verweerschrift in de Wbp-procedure met eenzelfde pakket aan producties. De korpschef handelde daarmee in strijd met de goede procesorde en de rechtbank heeft dat niet onderkend, aldus [appellante].

8.1.    Met het besluit van 21 oktober 2016 heeft de korpschef het besluit van 27 oktober 2014 vervangen en moet dat laatste besluit worden geacht te zijn ingetrokken. Het beroep van [appellante] tegen het besluit van 27 oktober 2014 heeft op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb van rechtswege mede betrekking op het vervangende besluit van 21 oktober 2016. Het stond de rechtbank daarom niet vrij om dat besluit buiten beschouwing te laten. De Afdeling wijst in dit kader op haar uitspraak van 15 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1627.

    De korpschef heeft bij de indiening van het verweerschrift en de bijbehorende producties de in artikel 8:58 van de Awb neergelegde termijn van 10 dagen in acht genomen door het 12 dagen voor de zitting in te dienen. De stukken zijn, naar het oordeel van de Afdeling, bovendien niet van een zodanige omvang dat een zinvolle behandeling ter zitting van de rechtbank niet heeft kunnen plaatsvinden. [appellante] heeft, gelet op het feit dat de zitting van de rechtbank plaatsvond op 3 november 2016, op het nieuwe besluit kunnen reageren.

    Het betoog faalt.

-    Gronden over de Wob

Horen

9.    [appellante] voert aan dat zij in beroep heeft betoogd dat de korpschef in strijd met artikel 7:2 van de Awb heeft afgezien van het horen. De rechtbank heeft deze grond niet bij haar oordeel betrokken, aldus [appellante].

9.1.    [appellante] betoogt terecht dat de rechtbank deze beroepsgrond, die zij ter zitting van de rechtbank naar voren heeft gebracht, niet heeft beoordeeld. Die constatering leidt echter niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. De rechtbank heeft op andere gronden aanleiding gezien het gehele besluit van 21 oktober 2016 te vernietigen. Daarom was het niet nodig om de beroepsgrond over het horen te beoordelen.

De aanwezigheid van documenten

10.    [appellante] voert verder aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het aannemelijk is dat de korpschef alle documenten heeft overgelegd die onder haar initiële Wob-verzoek vallen. Zo mist zij een aantal rechtspositionele besluiten over het voornemen tot het strafontslag en het ontslagbesluit.

10.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 1 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1494), is het, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat documenten niet of niet meer onder hem berusten en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat documenten toch onder het bestuursorgaan berusten.

10.2.    In haar verzoek van 31 oktober 2013 heeft [appellante] uitdrukkelijk verzocht om beslissingen over de rechtspositie van de politiefunctionaris. Aanvankelijk heeft de korpschef dat verzoek te beperkt opgevat. Bij besluit van 21 oktober 2016 heeft de korpschef dit erkend en alsnog een zoekslag verricht naar documenten over het functioneren van de politiefunctionaris. Hiertoe heeft de korpschef navraag gedaan bij leidinggevenden van de politiefunctionaris en binnen de (staf)afdelingen van de eenheid om de relevante documenten aan te leveren. Onder die documenten bevond zich ook het personeelsdossier van de politiefunctionaris. [appellante] heeft verder in de nadere gronden over de Wob bij de rechtbank melding gemaakt van de ontslagprocedure die zich afspeelde voordat zij het Wob-verzoek had ingediend. Het had voor de hand gelegen dat de stukken over het ontslag van de politiefunctionaris in zijn personeelsdossier waren aangetroffen. Daarin is een concrete aanwijzing gelegen dat het door de korpschef verrichte onderzoek naar de verzochte documenten niet zorgvuldig heeft plaatsgevonden. De rechtbank heeft dit, zoals [appellante] terecht betoogt, niet onderkend. Zij had de korpschef dan ook opdracht moeten geven nader onderzoek te verrichten naar de verzochte documenten. De aangevallen uitspraak komt daarom in zoverre voor vernietiging in aanmerking.

    Het betoog slaagt.

10.3.    Inmiddels heeft de korpschef bij een tweede onderzoek nieuwe documenten aangetroffen. De beoordeling van de openbaarmaking van die documenten is opgenomen in de onderdelen K en L van het besluit op bezwaar van 21 juli 2017. Dat besluit komt hieronder aan de orde. Omdat dit tweede onderzoek zorgvuldig heeft plaatsgevonden en de mededeling van de korpschef dat niet méér documenten onder hem berusten geloofwaardig is, hoeft de korpschef geen nieuw onderzoek te verrichten naar documenten.

Onderdeel A van het besluit van 21 oktober 2016

11.    [appellante] voert over onderdeel A "namen, e-mailadressen, handtekeningen en telefoonnummers van ambtenaren" aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de korpschef aan het belang van de persoonlijke levenssfeer van die ambtenaren meer gewicht mocht toekennen dan aan het belang van openbaarheid. Volgens [appellante] is het niet aannemelijk dat de ambtenaren in kwestie door openbaarmaking van deze documenten voor enige bedreiging te vrezen hebben.

11.1.    De korpschef heeft over dit onderdeel in het besluit van 21 oktober 2016 overwogen dat hij de verstrekking van onder andere de namen en e-mailadressen van ambtenaren met een beroep op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob achterwege laat, omdat het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zwaarder weegt dan het belang van openbaarheid. Daarbij heeft de korpschef ook overwogen dat politieambtenaren vooral worden bedreigd als zij met naam en toenaam bekend zijn. De rechtbank heeft geoordeeld dat de korpschef de persoonlijke levenssfeer zwaarder heeft mogen laten wegen dan het belang van openbaarheid.

    De Afdeling volgt dit oordeel van de rechtbank. Daarvoor is van belang dat zij in haar uitspraak van 31 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:321 heeft overwogen dat het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zich verzet tegen openbaarmaking van namen van ambtenaren die niet wegens hun functie in de openbaarheid treden, tenzij de indiener van het desbetreffende Wob-verzoek aannemelijk heeft gemaakt dat het belang van de openbaarheid in een concreet geval zwaarder weegt. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het belang van openbaarheid in dit geval zwaarder weegt.

    Het betoog faalt.

Onderdeel B van het besluit van 21 oktober 2016

12.    Over onderdeel B "VIK onderzoeksdossier nummer 2012-50" van het besluit van 21 oktober 2016 voert [appellante] aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de korpschef per document een beoordeling dient te geven over openbaarmaking ervan. De korpschef heeft openbaarmaking van het dossier ten onrechte met een algemene motivering geweigerd. Volgens [appellante] gaat de door de korpschef gehanteerde weigeringsgrond niet op voor alle stukken en mocht hij daarom niet afzien van een motivering per onderdeel. De korpschef heeft bovendien niet gemotiveerd waarom een gedeeltelijke openbaarmaking van de documenten niet tot de mogelijkheden behoort, hetgeen de rechtbank evenmin heeft onderkend, aldus [appellante]. Verder heeft de rechtbank, zo betoogt [appellante], de grote impact van de situatie op de burger noch het feit dat de desbetreffende politieambtenaar en de korpschef onjuiste informatie naar buiten brachten bij haar oordeel betrokken. Het is van belang het publiek duidelijkheid te verschaffen over de situatie vanwege de opschudding die teweeg is gebracht, aldus [appellante].

12.1.    Na met toepassing van artikel 8:29 van de Awb kennis te hebben genomen van het niet-openbaar gemaakte onderzoeksdossier nummer 2012-50, overweegt de Afdeling als volgt.

12.2.    Zoals de korpschef in zijn besluit van 21 oktober 2016 heeft overwogen, is het onderzoek VIK 2012-50 een oriënterend en disciplinair onderzoek met als doel het verzamelen van relevante informatie over de politiefunctionaris om te kunnen beoordelen of plichtsverzuim heeft plaatsgevonden. Het onderzoeksrapport is onderverdeeld in verschillende onderdelen. Het bevat een basisrapportage (een samenvatting van het rapport) en de onderwerpen Documenten, Ambtshandelingen, Getuigen en Betrokkene. Het omvat in totaal 230 pagina’s. De korpschef heeft aanleiding gezien een aantal documenten uit het rapport wel openbaar te maken, waaronder het voorblad en de (geanonimiseerde) index van het onderzoeksrapport. Ten aanzien van de overige onderdelen heeft de korpschef zich op het standpunt gesteld dat het openbaar maken daarvan een nadelige invloed heeft op de bereidheid van medewerkers van de politie en externen, waaronder burgers, om mee te werken aan dergelijke onderzoeken. Dit heeft, zoals de korpschef heeft overwogen, negatieve gevolgen voor de kwaliteit van de interne onderzoeken en de resultaten daarvan. De politie is erbij gebaat dat ambtenaren zo vrijelijk mogelijk verklaren en niet uit vrees voor openbaarmaking volstaan met het verklaren van het hoogst noodzakelijke. Verder heeft de korpschef overwogen dat over het functioneren van de politiefunctionaris het nodige openbaar is geworden in de media en dat meerdere openbare rechtbankzittingen hebben plaatsgevonden. Met het geanonimiseerd openbaar maken van het onderzoeksrapport wordt de herleidbaarheid van informatie en/of documenten naar individuele personen daarom niet opgeheven, aldus de korpschef. Daarbij heeft de korpschef ook in aanmerking genomen dat het om een relatief kleine groep van betrokkenen gaat die elkaar in meer of mindere mate kennen.

12.3.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de korpschef zich op het gemotiveerde standpunt mocht stellen dat hij openbaarmaking van het onderzoeksdossier op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e en onder g van de Wob in redelijkheid heeft kunnen weigeren. Gelet op de aard van het onderzoek, namelijk een disciplinair onderzoek naar een bepaalde persoon en gelet op het feit dat alle documenten in dat kader onder dezelfde categorie vallen, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de korpschef zijn motivering niet voor het gehele onderzoeksdossier heeft mogen laten gelden.

    Het betoog faalt.

Onderdeel F van het besluit van 21 oktober 2016

13.    [appellante] voert over onderdeel F "Gezondheid" aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de korpschef openbaarmaking van de documenten die zij heeft verzocht, zoals documenten over het ziekteverzuim, integraal heeft mogen weigeren. De rechtbank heeft haar oordeel niet gemotiveerd, aldus [appellante].

13.1.    De rechtbank heeft geoordeeld dat de documenten die vallen onder onderdeel F de gezondheid van de politiefunctionaris betreffen. Openbaarmaking van die documenten, waaronder ook data van bijvoorbeeld ziekteverzuim en het onderwerp van de stukken, heeft de korpschef geweigerd onder verwijzing naar artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de korpschef openbaarmaking van die documenten in redelijkheid kunnen weigeren, omdat het belang van de persoonlijke levenssfeer van de politiefunctionaris meer gewicht toekomt dan het belang van openbaarheid. Na met toepassing van artikel 8:29 van de Awb kennis te hebben genomen van de documenten, volgt de Afdeling dit oordeel van de rechtbank.

    Het betoog faalt.

Onderdeel H van het besluit van 21 oktober 2016

14.    Over onderdeel H "Geweldsaanwendingen en interne onderzoeken" betoogt [appellante] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de korpschef de Wob terecht buiten toepassing heeft gelaten, omdat de desbetreffende documenten politiegegevens zijn in de zin van de Wpg. Bij de beoordeling of gegevens politiegegevens zijn in de zin van de Wpg, dient te worden beoordeeld of die gegevens een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon betreffen. Op informatie van meer algemene aard is niet de Wpg, maar de Wob van toepassing, aldus [appellante]. De rechtbank heeft volgens [appellante] niet onderkend dat de korpschef moet vaststellen welke gegevens uit deze documenten politiegegevens zijn. Voor het overige had hij de Wob moeten toepassen.

14.1.    Onderdeel H van het besluit van 21 oktober 2016 ziet op documenten over een strafrechtelijk onderzoek naar het politieoptreden na een aangifte waarin de politiefunctionaris een rol speelde. Verder zijn het documenten die gaan over meldingen over geweldsaanwending door de politiefunctionaris.

14.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 22 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA0634 bevat de Wpg een uitputtende regeling voor de verstrekking van politiegegevens als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van die wet. Voor zover gegevens als politiegegevens in de zin van die bepaling moeten worden aangemerkt, is er geen plaats voor toepassing van de Wob op een verzoek om verstrekking van die gegevens. De Afdeling heeft in de hiervoor genoemde uitspraak verder overwogen dat bij de beoordeling of gegevens als politiegegevens dienen te worden aangemerkt, onder meer bepalend is of die gegevens een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon betreffen. Daarbij dient, met inachtneming van de specifieke context van plaats, tijd en aantal betrokken personen, te worden beoordeeld of die gegevens alleen of in combinatie met andere gegevens zo kenmerkend zijn voor een persoon dat deze daarmee kan worden geïdentificeerd. Bij deze beoordeling mogen alle middelen worden betrokken waarvan mag worden aangenomen dat zij redelijkerwijs door de verantwoordelijke dan wel enig ander persoon zijn in te zetten om die persoon te identificeren. Daarbij is de maatstaf niet of de gegevens bevestigen dat een persoon in een politiebestand voorkomt, maar of die gegevens alleen of in combinatie met andere gegevens zo kenmerkend zijn voor een persoon dat deze daarmee kan worden geïdentificeerd. Indien wordt verzocht om gegevens over een met naam genoemde persoon kunnen algemene gegevens, waarmee op zichzelf beschouwd niet de identiteit van een persoon is te achterhalen, in combinatie met het verzoek leiden tot identificatie van die persoon, zodat niet is uitgesloten dat in een dergelijk geval ook algemene gegevens als politiegegevens zijn aan te merken.

14.3.    Na met toepassing van artikel 8:29 van de Awb kennis te hebben genomen van de documenten die onder onderdeel H vallen, is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat de korpschef zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de in de documenten opgenomen gegevens als politiegegevens zijn te kwalificeren. Omdat [appellante] heeft verzocht om gegevens van een met naam genoemde politiefunctionaris en gezien de bijzondere context van de zaak, heeft de korpschef ook, anders dan [appellante] betoogt, de meer algemene gegevens in die documenten terecht als politiegegevens gekwalificeerd.

    Het betoog faalt.

-    Gronden over de Wbp

15.    [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat haar brief van 15 september 2014 kan worden gekwalificeerd als een verlaat bezwaarschrift. Bovendien heeft de rechtbank miskend dat de korpschef op 6 mei 2016 en 18 oktober 2016 weer twee besluiten heeft genomen over haar verzoek op grond van de Wbp. De rechtbank heeft verzuimd haar beroepsgronden en pleitnota door te zenden aan de korpschef ter behandeling als bezwaar tegen het besluit van 18 oktober 2016, aldus [appellante].

15.1.    De rechtbank heeft vastgesteld dat [appellante] geen bezwaar heeft gemaakt tegen de besluiten van 2 mei 2013 en 29 januari 2014, hetgeen zij ook in haar beroepschrift en ter zitting van de rechtbank heeft erkend. Omdat tegen deze besluiten geen bezwaar is gemaakt, heeft de rechtbank het beroep voor zover dat ziet op de Wbp niet-ontvankelijk verklaard.

    Voor zover zou moeten worden geoordeeld dat de brief van [appellante] van 15 september 2014, waarin zij de korpschef in gebreke stelt met betrekking tot het uitblijven van een besluit op haar bezwaar over de Wob, ook een bezwaar is tegen de besluiten van 2 mei 2013 en 29 januari 2014, kan dit betoog haar niet baten. Vaststaat dat de korpschef geen besluit heeft genomen op het vermeende bezwaar van 15 september 2014. Evenmin heeft [appellante] in dat kader rechtsmiddelen aangewend tegen het met een besluit gelijk te stellen niet-tijdig nemen van een besluit. Dat betekent dat het bij de rechtbank ingestelde beroep is gericht tegen primaire besluiten. Een zodanig beroep dient, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 11 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2748 (overweging 6.6) en zoals de rechtbank terecht heeft geconcludeerd, niet-ontvankelijk te worden verklaard. De Afdeling ziet geen aanleiding de uitspraak te vernietigen, omdat de rechtbank haar beroepsgronden en pleitnota niet heeft doorgezonden aan de korpschef ter behandeling als bezwaar tegen het besluit van 18 oktober 2016. De gronden van [appellante], gericht tegen de beslissing van de rechtbank van 29 mei 2015 over de toepassing van artikel 8:32 van de Awb in het kader van de Wbp geven evenmin aanleiding de aangevallen uitspraak in zoverre te vernietigen.

    Het betoog faalt.

Conclusie hoger beroep

16.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak van de rechtbank komt voor vernietiging in aanmerking voor zover de rechtbank daarbij heeft nagelaten de korpschef opdracht te geven nader onderzoek te verrichten naar de verzochte documenten. Uit hetgeen onder 10.3 is overwogen, vloeit evenwel voort dat de korpschef dit onderzoek niet alsnog hoeft te verrichten.

-    Het beroep tegen het besluit van 21 juli 2017

17.    [appellante] voert tegen het besluit van 21 juli 2017, dat de korpschef ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft genomen, beroepsgronden aan over de onderdelen A, B, F en H. Omdat de rechtbank het gehele besluit van 21 oktober 2016 heeft vernietigd, inclusief de onderdelen A, B, F, en H, heeft de korpschef die onderdelen in zijn nieuwe besluit van 21 juli 2017 opnieuw opgenomen. Hij heeft openbaarmaking van de (delen van) documenten die onder die onderdelen vallen opnieuw geweigerd met eenzelfde beoordeling als in het besluit van 21 oktober 2016. Zoals uit de overwegingen 11 tot en met 14.3 volgt, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de korpschef openbaarmaking van die (delen van) documenten heeft mogen weigeren. De Afdeling zal de beroepsgronden die zien op die onderdelen daarom niet bij haar oordeel over het besluit van 21 juli 2017 betrekken.

17.1.    De Afdeling zal de onderdelen D, E, G, I en J van het besluit van 21 juli 2017 in het licht van de daartegen aangedragen beroepsgronden hieronder beoordelen. Verder heeft de korpschef bij een tweede onderzoek meer documenten aangetroffen. De gronden die zien op de bij dat tweede onderzoek aangetroffen documenten, de onderdelen K en L van het besluit van 21 juli 2017, zal de Afdeling daarna behandelen.

Onderdeel D van het besluit van 21 juli 2017

18.    [appellante] betoogt over onderdeel D "Afschriften van voortgangs- en functioneringsgesprekken" dat de korpschef deze documenten weliswaar heeft verstrekt, maar dat hij onderdelen van de documenten heeft weggelakt en heeft voorzien van het nummer 1. Daarmee heeft de korpschef niet voldaan aan de opdracht van de rechtbank, omdat hij alleen heeft vermeld welke weigeringsgrond hij heeft toegepast. De weigering heeft hij echter nog altijd categoriaal gemotiveerd en die motivering is ondeugdelijk. [appellante] heeft gemotiveerd gesteld dat de korpschef ten onrechte openbaarmaking heeft geweigerd van de documenten met nrs. 30, 31, 32, 35, 36 en 38. Het besluit van 21 juli 2017 is niet deugdelijk gemotiveerd, aldus [appellante].

18.1.    Na met toepassing van artikel 8:29 van de Awb kennis te hebben genomen van de niet-openbaar gemaakte documenten, overweegt de Afdeling als volgt.

18.2.    De korpschef heeft ter uitvoering van de aangevallen uitspraak voortgangs- en functioneringsgesprekken alsnog verstrekt. De documenten 26, 27, 28, 29, 33, 34 en 37 heeft de korpschef alsnog verstrekt, maar hij heeft toegevoegde informatie op die documenten weggelaten. De documenten 26 tot en met 29 zijn verslagen van functioneringsgesprekken. De documenten 33 en 34 zijn verslagen van persoonlijke jaargesprekken. Op al deze documenten zijn de verschillende onderwerpen zichtbaar die tijdens het functioneringsgesprek aan bod zijn gekomen, maar de korpschef heeft de informatie weggelaten die gaat over het persoonlijke functioneren van de politiefunctionaris. Document 37 is een gespreksverslag over het persoonlijk functioneren van de politiefunctionaris. Dat verslag is verstrekt, maar de specifieke informatie over het persoonlijk functioneren is weggelaten.

    Verder heeft de korpschef openbaarmaking geweigerd van de documenten 30, 31, 32, 35, 36 en 38, omdat deze over het persoonlijke functioneren van de politiefunctionaris gaan. De documenten 30 en 32 zijn verslagen van functioneringsgesprekken. Document 31 ziet op de beoordeling van het functioneren over de periode oktober 1999 tot oktober 2002. Documenten 36 en 38 zijn verslagen van persoonlijke jaargesprekken. De korpschef heeft in zijn besluit over de documenten 30, 31, 32, 35, 36 en 38 aanvullende informatie over de inhoud ervan verstrekt. Van alle documenten die onder onderdeel D vallen, heeft de korpschef data en onderwerp vermeld.

18.3.    De Afdeling stelt vast dat de gevraagde informatie deel uitmaakt van het personeelsdossier van de politiefunctionaris en ziet op diens persoonlijk functioneren in zijn functie. Om een idee te geven van de wijze waarop dat persoonlijk functioneren in de verschillende gesprekken aan de orde komt, heeft de korpschef een aantal verslagen van de verschillende gesprekken openbaar gemaakt, maar daarbij de specifieke gedeelten over het persoonlijk functioneren van de politiefunctionaris weggelaten. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de korpschef openbaarmaking van die (delen van) de documenten in redelijkheid kunnen weigeren. Openbaarmaking van die informatie raakt de persoonlijke levenssfeer van de politiefunctionaris en de korpschef mocht in dit geval een beroep doen op de eerbiediging daarvan. Gezien de aard van deze informatie, heeft de korpschef in redelijkheid een groter gewicht kunnen toekennen aan bescherming van dat belang dan aan het belang van openbaarmaking. Gelet op de grotendeels overeenkomende strekking en inhoud van de documenten, behoefde de korpschef in dit geval niet voor ieder document afzonderlijk die afweging te maken. De Afdeling vindt steun voor haar oordeel in de uitspraken van 14 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV8748 (overwegingen 2.6.3 en 2.6.3.1) en van 24 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:445 (overweging 4.3 en 4.4).

    Het betoog faalt.

Onderdeel E van het besluit van 21 juli 2017

19.    Over onderdeel E "Tevredenheidsbetuigingen" voert [appellante] aan dat de korpschef nog altijd niet heeft gemotiveerd op welke grond hij openbaarmaking van deze stukken heeft geweigerd. Over de weigeringsgrond bedoeld in artikel 10, tweede lid, onder e, van de Wob heeft de korpschef ten onrechte overwogen dat de identiteit aan de hand van het handschrift van de briefschrijver kan worden achterhaald. Zo had de korpschef volgens [appellante] een letterlijke weergave van de inhoud van het document kunnen verstrekken onder weglating van de tot de burger herleidbare gegevens. Dat geldt ook voor het handgeschreven gedeelte bij het ongenummerde document met kenmerk 20030324. De korpschef heeft verder wat document 41 betreft slechts in algemene zin gemotiveerd dat een burger erop moet kunnen vertrouwen dat een persoonlijke bedankbrief op grond van de Wob niet wordt geopenbaard, aldus [appellante].

19.1.    Dit onderdeel van het besluit van 21 juli 2017 gaat over vijf tevredenheidsbetuigingen. Van twee tevredenheidsbetuigingen, te weten een handgeschreven bedankbrief en een tevredenheidsbetuiging van een burger, heeft de korpschef openbaarmaking in zijn geheel geweigerd. Hij heeft openbaarmaking van de handgeschreven bedankbrief geweigerd, omdat het handschrift en de in de brief opgenomen informatie kan worden gebruikt om de persoon te identificeren. Hij heeft openbaarmaking van een tevredenheidsbetuiging van een burger geweigerd, omdat een burger erop moet kunnen vertrouwen dat een persoonlijke bedankbrief niet wordt geopenbaard. Eén tevredenheidsbetuiging heeft de korpschef verstrekt onder weglating van de handgeschreven opmerking van de politiefunctionaris. De andere twee tevredenheidsbetuigingen heeft de korpschef verstrekt onder weglating van namen en van gegevens die betrekking hebben op het persoonlijk functioneren van betrokkenen.

19.2.    De Afdeling overweegt over de weigering van de openbaarmaking van de twee tevredenheidsbetuigingen dat, zoals de korpschef terecht stelt, de identiteit van de burgers kan worden achterhaald aan de hand van de daarin opgenomen persoonlijke informatie en aan de hand van het handschrift van één van de briefschrijvers. Openbaarmaking van die gegevens kan het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer schaden (vgl. de uitspraak van 5 november 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BG3399). Dat geldt ook voor de handgeschreven opmerkingen van de politiefunctionaris en de informatie over het persoonlijk functioneren van de betrokkenen. De korpschef heeft zich hierbij ook terecht op het standpunt gesteld dat de persoonlijke levenssfeer wordt geschonden met het verstrekken van een letterlijke weergave van de inhoud van de twee tevredenheidsbetuigingen waarvan openbaarmaking is geweigerd. De korpschef heeft het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer in redelijkheid zwaarder kunnen laten wegen dan het belang van openbaarheid.

    Het betoog faalt.

Onderdeel G van het besluit van 21 juli 2017

20.    [appellante] betoogt over onderdeel G "Overige documenten in Personeelsdossier" dat de korpschef geen juiste uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de rechtbank. De korpschef heeft namelijk per document en per onderdeel informatie weggelakt en in algemene zin verwezen naar de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob. Daarmee heeft de korpschef niet per document of onderdeel van een document een motivering voor de weigering gegeven. Bovendien heeft de korpschef de door hem gehanteerde weigeringsgrond niet nader gemotiveerd, aldus [appellante].

20.1.    Dit onderdeel ziet, net als de documenten die vallen onder onderdeel D, op documenten van persoonlijke aard die in het personeelsdossier zijn aangetroffen van de politiefunctionaris. De korpschef heeft die documenten verstrekt, maar per document informatie weggelaten. De weggelaten informatie ziet op sollicitaties van de politiefunctionaris en op zijn salaris en financiële vergoedingen. Ook heeft de korpschef persoonsgegevens van ambtenaren weggelaten. De korpschef heeft aan het weglaten van informatie, naar het oordeel van de Afdeling terecht, artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob ten grondslag gelegd. Ook salarisgegevens en financiële vergoedingen die aan de politiefunctionaris zijn te relateren, worden gezien als persoonlijke en dus te beschermen gegevens (vgl. de uitspraak van de Afdeling van 24 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:445, overweging 4.3). De korpschef heeft, naar het oordeel van de Afdeling, het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer in redelijkheid zwaarder kunnen laten wegen dan het belang van openbaarheid. De Afdeling verwijst voor de motivering verder naar hetgeen zij heeft overwogen in de overwegingen 18.3 en 11.1.

Onderdeel I van het besluit van 21 juli 2017

21.    Verder voert [appellante] over onderdeel I "Klachten" aan dat de motivering van de korpschef op dit onderdeel ondeugdelijk is. De korpschef heeft deze documenten volgens het besluit van 21 juli 2017 alsnog verstrekt, maar ze ontbreken in de bijlagen bij het besluit.

21.1.    Over de documenten die onder dit onderdeel vallen, heeft de korpschef aangegeven dat hij deze documenten alsnog openbaar maakt. Omdat deze documenten klachten betreffen van burgers, deze burgers er niet op bedacht zijn dat klachten openbaar worden gemaakt en volledige openbaarmaking kan leiden tot terughoudendheid om klachten in te dienen, heeft de korpschef deze klachten geanonimiseerd openbaar gemaakt. Daarmee heeft de korpschef dit onderdeel, anders dan [appellante] betoogt, deugdelijk gemotiveerd. Voor zover deze documenten zouden ontbreken in de bijlagen bij het besluit, kan de Afdeling daarover geen oordeel geven omdat dit ziet op de feitelijke uitvoering van het besluit van 21 juli 2017.

Onderdeel J van het besluit van 21 juli 2017

22.    Over onderdeel J "E-mails met leiding" betoogt [appellante] dat de korpschef weliswaar e-mails openbaar heeft gemaakt, maar dat hij informatie op deze documenten heeft weggelakt zonder duidelijk te maken dat hij informatie heeft weggelakt. Hierdoor is niet kenbaar of een document weggelakte informatie bevat. Volgens [appellante] is dit onderdeel dan ook gebrekkig gemotiveerd.

22.1.    Dit onderdeel van het besluit gaat over een lijst met e-mails die tussen de politiefunctionaris en leidinggevenden zijn gewisseld. Die lijst begint met een e-mail van 7 maart 2007 en eindigt met een e-mail van 31 mei 2012. De korpschef heeft deze e-mails, in navolging van de uitspraak van de rechtbank van 15 december 2016, geanonimiseerd openbaar gemaakt. Daar waar de korpschef meer informatie heeft weggelakt, heeft hij met de pen aangetekend welke informatie hij onleesbaar heeft gemaakt. Het betoog van [appellante] dat niet kenbaar is of een document weggelakte informatie bevat, heeft daarom geen feitelijke grondslag.

    Het betoog faalt.

Onderdeel K van het besluit van 21 juli 2017

23.    Wat onderdeel K "Disciplinaire ambtenaren zaak" betreft, betoogt [appellante] dat de korpschef zich ten aanzien van een volledig opgeschoonde oplegnotitie zonder motivering op het standpunt stelt dat de notitie is opgesteld ten behoeve van intern beraad en persoonlijke beleidsopvattingen en persoonsgegevens bevat. Volgens [appellante] valt niet in te zien dat een samenvatting van feiten of verweten plichtsverzuim persoonlijke beleidsopvattingen kan bevatten. Het onderdeel is, aldus [appellante], onvoldoende gemotiveerd.

23.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 27 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3563) volgt uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 11, eerste lid, van de Wob dat het doel van de daarin neergelegde bescherming van persoonlijke beleidsopvattingen is de bescherming van de vrije meningsvorming, het belang om in vertrouwelijke sfeer te kunnen "brainstormen" zonder vrees voor gezichtsverlies en het kunnen waarborgen dat bij de primaire vormgeving van het beleid de betrokkenen in alle vrijheid hun gedachten en opvattingen kunnen uiten (Kamerstukken II, 19 859, nr. 3, blz. 14 en 38). Onder persoonlijke beleidsopvatting wordt verstaan een opvatting, voorstel, aanbeveling of conclusie van één of meer personen over een bestuurlijke aangelegenheid en de daartoe door hen aangevoerde argumenten.

23.2.    Na met toepassing van artikel 8:29 van de Awb de "Oplegnotitie Strafmaatoverleg" te hebben ingezien, stelt de Afdeling vast dat deze is opgesteld ten behoeve van intern beraad. De notitie ziet op een intern overleg over een eventuele disciplinaire maatregel en bevat een gemotiveerd voorstel daarover. Daarmee bevat de notitie naar het oordeel van de Afdeling persoonlijke beleidsopvattingen, als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Wob en heeft de korpschef openbaarmaking van de in die notitie opgenomen informatie terecht geweigerd.

Onderdeel L van het besluit van 21 juli 2017

24.    [appellante] betoogt over onderdeel L "VIK dossier 2012-50" dat deze documenten, die volgens de korpschef ten grondslag liggen aan een onderzoeksrapport, opgesteld zouden zijn ten behoeve van intern beraad en deels persoonlijke beleidsopvattingen bevatten. Omdat het een grote verzameling documenten betreft, die naar aard en inhoud niet overeenkomen, kan de korpschef niet volstaan met een categoriale weigering, aldus [appellante]. Volgens [appellante] heeft de korpschef voor de weigering van openbaarmaking van deze documenten verschillende weigeringsgronden gehanteerd, maar deze niet gemotiveerd.

24.1.    De documenten die onder dit onderdeel van het besluit van 21 juli 2017 vallen, zijn documenten die bij een tweede onderzoek in de geautomatiseerde omgeving zijn gevonden. De documenten zijn opgenomen in een digitale map met het kenmerk 2012-50. Het dossier bevat 30 items en daarvan bevatten 24 items meerdere documenten. De documenten behelzen in totaal 2688 pagina’s en ze hebben ten grondslag gelegen aan het onderzoekrapport dat is opgesteld ter afdoening van het disciplinair onderzoek 2012-50. Een groot gedeelte van de documenten bestaat, zoals de korpschef ter zitting van de Afdeling heeft verklaard, uit telefoongegevens, maar de documenten bevatten ook informatie over bijvoorbeeld getuigen en afgelegde getuigenverklaringen. De korpschef heeft die documenten integraal geweigerd onder verwijzing naar paragraaf 7.2.1 van zijn besluit van 21 juli 2017.

24.2.    In die paragraaf heeft de korpschef gemotiveerd dat het verzoek van [appellante] ziet op een met naam genoemde politiefunctionaris inclusief zijn dienstnummer. Daarmee is openbaarmaking van de documenten die onder het verzoek vallen direct herleidbaar naar de politiefunctionaris. De publieke aandacht die de politiefunctionaris rondom het disciplinaire traject heeft gekregen, draagt daaraan bij, aldus de korpschef. Volgens de korpschef wordt de politie onevenredig benadeeld indien documenten uit het disciplinaire dossier, waaronder bijlagen uit het rapport, afgelegde verklaringen, rapporten en processen-verbaal die deel uitmaken van het onderzoek, openbaar worden gemaakt. In het kader van integriteitsonderzoeken is, aldus de korpschef, van belang te onderkennen dat onderzoekers afhankelijk zijn van de vrijwillige medewerking van personen die bereid zijn onderzoekers van informatie te voorzien. Integriteitsonderzoeken naar het functioneren van politieambtenaren worden ernstig belemmerd, indien betrokkenen moeten vrezen voor openbaarmaking. Juist in een integriteitsonderzoek waarbij burgergetuigen en politieambtenaren zich uitspreken over het handelen van een politieman, bestaat de gerechtvaardigde vrees dat in de toekomst de bereidheid tot medewerking aan zo’n onderzoek zal afnemen, aldus de korpschef. Wat betreft mutaties, rapporten of processen-verbaal van bevindingen, overzichten, aanvraagformulieren en toestemming voor het verrichten van technisch onderzoek, heeft de korpschef gemotiveerd dat de werkwijze van de politie ernstig zou worden belemmerd, indien deze informatie openbaar zou worden gemaakt.

24.3.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft de korpschef deugdelijk gemotiveerd waarom hij openbaarmaking van de verzochte documenten heeft geweigerd en heeft hij zich onder verwijzing naar artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de politie onevenredig zou worden benadeeld bij de uitvoering van interne disciplinaire onderzoeken indien de documenten openbaar zouden worden. Daarbij heeft de korpschef terecht gewezen op de uitspraak van Afdeling van 21 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1665 (overweging 9.1.2). De Afdeling wijst ook op hetgeen zij hierover in overweging 12.2 heeft overwogen.

Conclusie beroep

25.    Het beroep tegen het besluit van 21 juli 2017 is ongegrond.

Slotsom

26.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank daarbij heeft nagelaten de korpschef opdracht te geven nader onderzoek te verrichten naar de verzochte documenten. Uit hetgeen hiervoor onder 10.3 is overwogen, vloeit evenwel voort dat de korpschef dit onderzoek niet alsnog hoeft te verrichten. Het beroep tegen het besluit van 21 juli 2017 is ongegrond.

27.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 15 december 2016 in zaak nr. 14/7082, voor zover de rechtbank daarbij heeft nagelaten de korpschef van politie opdracht te geven nader onderzoek te verrichten naar de verzochte documenten;

III.    verklaart het beroep tegen het besluit van 21 juli 2017, kenmerk JZ14.020 ongegrond;

IV.    gelast dat de korpschef van politie aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 250,00 (zegge tweehonderdvijftig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. J.J. van Eck en mr. H. Bolt, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. Grimbergen, griffier.

w.g. Borman    w.g. Grimbergen

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 november 2018

581. BIJLAGE

Wet openbaarheid van bestuur

Artikel 3

1. Een ieder kan een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

[…].

Artikel 10

[…].

2 Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

[…];

e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;

[…];

g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

Artikel 11

1. In geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, wordt geen informatie verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen.

[…].

Wet bescherming persoonsgegevens

Artikel 35

1. De betrokkene heeft het recht zich vrijelijk en met redelijke tussenpozen tot de verantwoordelijke te wenden met het verzoek hem mede te delen of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt. De verantwoordelijke deelt de betrokkene schriftelijk binnen vier weken mee of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt.

2. Indien zodanige gegevens worden verwerkt, bevat de mededeling een volledig overzicht daarvan in begrijpelijke vorm, een omschrijving van het doel of de doeleinden van de verwerking, de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft en de ontvangers of categorieën van ontvangers, alsmede de beschikbare informatie over de herkomst van de gegevens.

[…].

Artikel 36

1. Degene aan wie overeenkomstig artikel 35 kennis is gegeven van hem betreffende persoonsgegevens, kan de verantwoordelijke verzoeken deze te verbeteren, aan te vullen, te verwijderen, of af te schermen indien deze feitelijk onjuist zijn, voor het doel of de doeleinden van de verwerking onvolledig of niet ter zake dienend zijn dan wel anderszins in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen.

[…].

Wet politiegegevens

Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. politiegegeven: elk persoonsgegeven dat in het kader van de uitoefening van de politietaak wordt verwerkt;

[…].