Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:3787

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-11-2018
Datum publicatie
21-11-2018
Zaaknummer
201800675/1/V6
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2017:6531, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 oktober 2016 heeft de minister [appellant] een boete opgelegd van € 500,00 wegens het niet naleven van artikel 7, eerste lid, van de Wet inburgering (hierna: de Wi).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2019/98 met annotatie van M. Wever
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201800675/1/V6.

Datum uitspraak: 21 november 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 7 december 2017 in zaak nr. 17/2490 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Procesverloop

Bij besluit van 17 oktober 2016 heeft de minister [appellant] een boete opgelegd van € 500,00 wegens het niet naleven van artikel 7, eerste lid, van de Wet inburgering (hierna: de Wi).

Bij besluit van 10 mei 2017 heeft de minister het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 december 2017 heeft de rechtbank het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 augustus 2018, waar [appellant], bijgestaan door mr. G. van Reemst, advocaat te Utrecht, en de minister, vertegenwoordigd door drs. P.M.S. Slagter, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Bij brief van 16 augustus 2013 heeft de minister [appellant] meegedeeld dat hij inburgeringsplichtig is, dat zijn inburgeringstermijn op 22 juli 2013 is gestart en dat hij voor 21 juli 2016 aan deze plicht moet hebben voldaan. Aangezien [appellant] niet voor die datum heeft voldaan aan de inburgeringsplicht, heeft de minister hem bij voorlopige beschikking van 25 juli 2016 meegedeeld dat hij een boete krijgt en dat de hoogte daarvan voorlopig € 1.250,00 is. Bij besluit van 17 oktober 2016 heeft de minister [appellant] een boete van € 500,00 opgelegd. Omdat [appellant] niet op tijd is ingeburgerd, moet hij voorts de lening die hij bij Dienst Uitvoering Onderwijs (hierna: DUO) heeft afgesloten terugbetalen.

2.    [appellant] heeft op 26 juli 2016 aan zijn inburgeringsverplichting voldaan. De minister heeft hem niet de maximale boete opgelegd, omdat [appellant] cursusuren heeft gevolgd aan een instelling met een blik-op-werk-keurmerk.

3.    Op dit geding is de Wi van toepassing zoals die wet luidde tot de inwerkingtreding van de Wet van 23 juni 2017 (Stb. 2017, 285) op 1 oktober 2017.

4.    Artikel 7 van de Wi luidt: '1. De inburgeringsplichtige verwerft binnen drie jaar mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal op ten minste het niveau A2 van het Europese Raamwerk voor Moderne Vreemde Talen en kennis van de Nederlandse samenleving. […] 3. Onze Minister verlengt de in het eerste lid bedoelde termijn: a. indien de inburgeringsplichtige aannemelijk maakt dat hem geen verwijt treft ter zake van het niet voldoen aan de inburgeringsplicht, […]'

    Artikel 31 van de Wi luidt: '1. Onze Minister legt een bestuurlijke boete op aan de inburgeringsplichtige die niet binnen de in artikel 7, eerste lid, genoemde termijn, of de met toepassing van artikel 7, derde lid, of van de krachtens artikel 7, vierde lid, aanhef en onderdeel a, gestelde regels verlengde termijn aan de inburgeringsplicht heeft voldaan. […]'

5.    De Afdeling stelt vast dat het hoger beroep op zowel de aan [appellant] opgelegde boete als de terugvordering van de lening voor de inburgeringscursus ziet.

6.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat uit het besluit van 10 mei 2017 blijkt dat een volledige heroverweging heeft plaatsgevonden en dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om de inburgeringstermijn alsnog te verlengen. Volgens [appellant] heeft de minister in bezwaar geen rekening gehouden met de door hem aangevoerde medische omstandigheden, terwijl hem tijdens de hoorzitting in bezwaar uitdrukkelijk is gevraagd om medische stukken aan te leveren. Door deze medische informatie niet alsnog bij de besluitvorming te betrekken, heeft er geen volledige heroverweging plaatsgevonden. De rechtbank heeft dat niet onderkend, aldus [appellant].

6.1.    Artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) luidt: '1. Indien het bezwaar ontvankelijk is, vindt op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats.'

6.2.    De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat de minister ter zitting heeft toegelicht dat een verlenging van de termijn ook met terugwerkende kracht kan en dat als de termijn wordt verlengd, de terugvordering van de lening van de baan is en er ook geen grond meer is om aan [appellant] een boete op te leggen. De minister heeft deze overweging in hoger beroep niet bestreden. De vraag die derhalve beantwoording behoeft is of de minister ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om de inburgeringstermijn te verlengen wegens de door [appellant] aangevoerde omstandigheden.

6.3.    De minister heeft zich in het besluit van 10 mei 2017 op het standpunt gesteld dat hij geen rekening kan houden met de door [appellant] in bezwaar overgelegde medische stukken, omdat [appellant] bijzondere omstandigheden uiterlijk tijdens de telefonische hoorzitting op 9 september 2016 naar voren had moeten brengen en dat het te laat is om rekening met deze omstandigheden te houden. Anders dan de minister stelt betekent de omstandigheid dat [appellant] die stukken pas in de bezwaarfase heeft overgelegd, niet dat die stukken niet bij de beoordeling in bezwaar konden worden betrokken. De minister heeft de door [appellant] overgelegde medische stukken ten onrechte niet bij zijn beoordeling in bezwaar betrokken. Reeds hierom komt het besluit van 10 mei 2017 wegens strijd met artikel 7:11, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank heeft dat niet onderkend.

    Het betoog slaagt.

6.4.    De minister had in bezwaar moeten onderzoeken of de door [appellant] gestelde medische omstandigheden aanleiding vormden om de inburgeringstermijn te verlengen en dat heeft hij niet gedaan. Dat maakt de boeteoplegging in dit geval onrechtmatig.

    Het standpunt van de minister ter zitting dat de uitkomst van het bezwaar niet anders zou zijn geweest indien hij de overgelegde medische stukken wel bij zijn beoordeling had betrokken wordt niet gevolgd. Gelet op de daarin genoemde feiten en omstandigheden, waaronder dat en waarom [appellant] dakloos is geweest en de genoemde medische problematiek, is niet zonder meer duidelijk dat deze geen aanleiding voor verlenging van de inburgeringstermijn kunnen vormen.

6.5.    Nu uit het voorgaande volgt dat de minister onvoldoende onderzoek heeft gedaan en het besluit van 10 mei 2017 niet op een deugdelijke motivering berust, bestaat geen aanleiding om de rechtsgevolgen van dat besluit dat voor vernietiging in aanmerking komt in stand te laten. Omdat het om een boetebesluit gaat, betekent dit dat het besluit van 17 oktober 2016 moet worden herroepen. Dit betekent dat [appellant] geen boete hoeft te betalen en dat de verplichting om de lening voor de inburgeringscursus terug te betalen komt te vervallen.

7.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellant] tegen het besluit van 10 mei 2017 alsnog gegrond verklaren, dat besluit vernietigen en het besluit van 17 oktober 2016 herroepen. Gelet hierop behoeft hetgeen [appellant] overigens heeft aangevoerd geen bespreking.

8.    De minister dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 7 december 2017 in zaak nr. 17/2490;

III.    verklaart het in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 10 mei 2017, kenmerk JSCI240/004134326;

V.    herroept het besluit van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 17 oktober 2016, kenmerk HH35/462748765;

VI.    veroordeelt de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.002,00 (zegge: duizendtwee euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII.    veroordeelt de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.004,00 (zegge: tweeduizend vier euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en € 22,40 (zegge: tweeëntwintig euro en veertig cent) aan reiskosten

VIII.    gelast dat de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 172,00 (zegge: honderdtweeënzeventig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.M. Woestenburg-Bertels, griffier.

w.g. Van der Spoel    w.g. Woestenburg-Bertels

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 november 2018

501.