Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:3731

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-11-2018
Datum publicatie
14-11-2018
Zaaknummer
201800778/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2017:4677, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 november 2016 heeft de minister aan [vennootschap] een bestuurlijke boete opgelegd van € 20.500,00 wegens overtreding van de Arbeidstijdenwet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201800778/1/A3.

Datum uitspraak: 14 november 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [plaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 19 december 2017 in zaak nr. 17/1703 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Infrastructuur en Milieu (thans: de minister van Infrastructuur en Waterstaat).

Procesverloop

Bij besluit van 23 november 2016 heeft de minister aan [vennootschap] een bestuurlijke boete opgelegd van € 20.500,00 wegens overtreding van de Arbeidstijdenwet.

Bij besluit van 21 juni 2017 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 19 december 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 oktober 2018, waar [appellant], bijgestaan door mr. B. Garnaat, advocaat te Amsterdam, en de minister, vertegenwoordigd door mr. I.M. Kops, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    [vennootschap] is bij vonnis van de rechtbank Overijssel van 23 november 2016 failliet verklaard. [appellant] is vennoot van [vennootschap]. De minister heeft aan de niet-ontvankelijkheid van het door [appellant] gemaakte bezwaar ten grondslag gelegd dat [appellant] dat bezwaar na afloop van de wettelijke bezwaartermijn heeft gemaakt. De minister heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat hij de overschrijding van de bezwaartermijn niet verschoonbaar acht.

2.    In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat de minister, door een uitdraai van de verzendadministratie over te leggen, aannemelijk heeft gemaakt dat hij het besluit van 23 november 2016 nog op diezelfde datum per niet aangetekende post naar het bedrijfsadres van [vennootschap] (hierna: het bedrijfsadres) heeft verzonden, waardoor het vermoeden is gerechtvaardigd dat dat besluit door [vennootschap] is ontvangen. De rechtbank heeft voorts overwogen dat [appellant] dat vermoeden van ontvangst niet heeft weerlegd. Daardoor is dat besluit op 23 november 2013 op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt en is de wettelijke bezwaartermijn op 4 januari 2017 verstreken, aldus de rechtbank. Omdat de ongedateerde brief waarbij [appellant] dat bezwaar heeft gemaakt blijkens het poststempel op de enveloppe op 25 april 2017 voor bezorging ter post is aangeboden, heeft [appellant] eerst na het verstrijken van de bezwaartermijn bezwaar gemaakt. Van een verschoonbare termijnoverschrijding als gevolg van het niet hebben ontvangen van het besluit van 23 november 2016 is geen sprake, omdat [appellant] de ontvangst van dat besluit als voormeld niet heeft weerlegd, aldus de rechtbank.

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister het besluit van 23 november 2016 op de voorgeschreven wijze heeft bekendgemaakt en dat de overschrijding van de bezwaartermijn niet verschoonbaar is. Ter toelichting bij dit betoog voert [appellant] aan dat de rechtbank onvoldoende gewag heeft gemaakt van de specifieke omstandigheden van het geval. [appellant] wijst erop dat hij indertijd als gevolg van het faillissement geen toegang meer had tot het bedrijfspand, dat de post bij de curator werd bezorgd en hij één keer per maand de voor hem relevante post van de curator ontving. Voorts wijst [appellant] erop dat hij boeterapport en het voornemen tot boeteoplegging niet heeft ontvangen en dat het onduidelijk is waarom het besluit van 23 november 2016 naar het bedrijfsadres zou zijn verzonden, terwijl de aanmaning tot betaling van 30 maart 2017 en het besluit van 21 juni 2017 naar zijn huisadres zijn verstuurd. [appellant] stelt dat de goede trouw van de curator voldoende had moeten zijn om het vermoeden van ontvangst van het besluit van 23 november 2016 te weerleggen. Gelet daarop mag niet ervan worden uitgegaan dat het besluit van 23 november 2016 is bekendgemaakt, dan wel had de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar moeten worden geacht, aldus [appellant].

3.1.    De rechtbank heeft overwogen dat [appellant] heeft verklaard dat hij op 24 november 2016 op het bedrijfsadres is geweest om de sleutel van het pand aan de eigenaar te overhandigen, dat hij het besluit van 23 november 2016 daar toen niet heeft aangetroffen, dat de curator op de dag van de faillietverklaring, dan wel de dag erna, PostNL heeft verzocht om alle aan [vennootschap] op het bedrijfsadres geadresseerde post bij de curator te bezorgen, dat de curator de voor [appellant] relevante poststukken weer naar [appellant] heeft doorgezonden en dat de curator [appellant] te kennen heeft gegeven dat hij het besluit van 23 november 2016 niet voorbij heeft zien komen, dan wel dat hij zich dat niet meer kan herinneren. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat [appellant] niet heeft gestaafd wat hij over de curator heeft gesteld en dat het op de weg van [appellant] had gelegen een verklaring van de curator over te leggen waaruit blijkt vanaf welke datum de poststukken naar de curator zijn doorgezonden, welke poststukken aldus zijn doorgezonden en dat de curator het besluit van 23 november 2016 niet heeft ontvangen. De rechtbank heeft eveneens overwogen dat zij de stelling van [appellant] dat hij het besluit van 23 november 2016 niet op 24 november 2016 op het bedrijfsadres heeft aangetroffen, passeert, omdat aannemelijk is dat het besluit toen nog onderweg was.

3.2.    De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het op de weg van [appellant] ligt om het vermoeden dat hij het boetebesluit op het bedrijfsadres heeft ontvangen, te weerleggen. Op grond van de verzendadministratie van de minister is aannemelijk dat het besluit op 23 november 2016 naar het bedrijfsadres is verzonden en op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Ook het boeterapport en het voornemen tot boeteoplegging, waarvan [appellant] de ontvangst eveneens heeft ontkend, zijn naar het bedrijfsadres verzonden. De enkele ontkenning van [appellant] de stukken te hebben ontvangen, is onvoldoende om het vermoeden te weerleggen. Zo heeft [appellant] ook in hoger beroep geen verklaring van de curator overgelegd over de wijze van postafdoening. Omdat [appellant] het vermoeden van de ontvangst van het besluit van 23 november 2016 niet heeft weerlegd, is in de ontkenning van de ontvangst van dat besluit evenmin grond gelegen voor het oordeel dat de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar is te achten. De rechtbank is tot dezelfde conclusie gekomen.

    Het betoog faalt.

4.    Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, behoeft het betoog van [appellant] tegen hetgeen de rechtbank ten overvloede heeft overwogen voor het geval [appellant] niet zou kunnen worden verweten dat hij na het verstrijken van de bezwaartermijn bezwaar heeft gemaakt, geen bespreking.

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.J.C. Robben, griffier.

w.g. Van Altena    w.g. Robben

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 november 2018

610.