Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:3719

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-11-2018
Datum publicatie
14-11-2018
Zaaknummer
201801888/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2018:758, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 februari 2017 heeft het CBR het rijbewijs van [appellant] vanaf 13 februari 2017 ongeldig verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201801888/1/A2.

Datum uitspraak: 14 november 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 22 januari 2018 in zaak nr. 17/4981 in het geding tussen:

[appellant]

en

de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (lees: de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen; hierna: het CBR).

Procesverloop

Bij besluit van 6 februari 2017 heeft het CBR het rijbewijs van [appellant] vanaf 13 februari 2017 ongeldig verklaard.

Bij besluit van 12 juni 2017 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 januari 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 november 2018, waar [appellant], en het CBR, vertegenwoordigd door mr. I.S.B. Metaal, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Op 7 september 2016 heeft de korpschef aan het CBR een mededeling gedaan als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: Wvw 1994). In die mededeling is vermeld dat [appellant] op 4 september 2016 omstreeks 01.00 uur een aanrijding heeft veroorzaakt in Noordwijkerhout, waarna hij de plaats van het ongeval heeft verlaten. Omstreeks 05.45 uur werd het voertuig van [appellant] door de politie aangetroffen, waarbij hij achter het stuur zat en het contact van de auto aan stond. Er is een blaastest afgenomen waarvan het resultaat P was. Omdat [appellant] uiterlijke kenmerken vertoonde van het gebruik van verdovende middelen of medicijnen is hij aangehouden. Op het politiebureau is van hem een bloedproef afgenomen.

2.    Naar aanleiding van deze mededeling heeft het CBR bij besluit van 28 september 2016 het rijbewijs van [appellant] geschorst en aan hem een onderzoek naar de rijgeschiktheid opgelegd, omdat het CBR eraan twijfelt of [appellant] geestelijk en lichamelijk in staat is om een motorrijtuig te besturen. Dit onderzoek heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2016 en is uitgevoerd door M. van Loenen, psychiater. In het psychiatrisch rapport van 20 december 2016 heeft Van Loenen geconcludeerd dat er voldoende aanwijzingen aanwezig zijn dat er ten tijde van de aanhouding op 4 september 2016 sprake was van misbruik van amfetamine en schizofrenie in symptomatische remissie volgens de DSM-IV-TR classificatie en dat het aannemelijk is dat [appellant] sinds 5 september 2016 met het drugsmisbruik is gestopt.

3.    Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 6 februari 2017 heeft het CBR het rijbewijs van [appellant] ongeldig verklaard vanaf 13 februari 2017 omdat [appellant] wegens drugsmisbruik ongeschikt is voor het besturen van motorrijtuigen. Het CBR heeft zich daarbij gebaseerd op het psychiatrisch rapport.

Oordeel van de rechtbank

4.    De rechtbank heeft geoordeeld dat het CBR het psychiatrisch rapport aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen. [appellant] heeft geen concrete aanknopingspunten aangevoerd die maken dat het onderzoeksrapport niet zorgvuldig is opgesteld dan wel naar inhoud niet concludent is en hij heeft evenmin om een tweede onderzoek verzocht. [appellant] heeft erkend dat hij een aantal dagen voor de aanhouding amfetamine heeft gebruikt, terwijl hem bekend had moeten zijn dat eerder door een behandelend arts is geconstateerd dat drugsgebruik in zijn geval psychotische symptomen kan doen opflakkeren. Dat de keurend arts aannemelijk acht dat [appellant] na zijn aanhouding is gestopt met drugsgebruik doet volgens de rechtbank daaraan niet af, omdat ten tijde van het onderzoek nog geen recidiefvrije periode van een jaar was verstreken sinds de laatste aanhouding. De door [appellant] overgelegde laboratoriumuitslag van 8 november 2017 leidt evenmin tot een ander oordeel, omdat dit onderzoek ruim een jaar na het onderzoek door de psychiater en een half jaar na het bestreden besluit is verricht. De rechtbank heeft tot slot overwogen dat de ongeldigverklaring van het rijbewijs dwingend is voorgeschreven zodat geen ruimte bestaat voor een belangenafweging.

Hoger beroep

5.    [appellant] heeft ter zitting de in het op 2 maart 2018 door zijn toenmalige gemachtigde ingediende hoger beroepschrift aangevoerde gronden ingetrokken.

6.    Hetgeen [appellant] ter zitting heeft aangevoerd over het besluit van het CBR van 31 augustus 2018 richt zich niet tegen de uitspraak van de rechtbank waartegen [appellant] hoger beroep heeft ingesteld en kan reeds daarom niet leiden vernietiging van de aangevallen uitspraak.

Conclusie

7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Nu hieruit volgt dat zich geen van de in artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgenomen omstandigheden voordoen op grond waarvan een veroordeling tot vergoeding van geleden schade kan worden uitgesproken, zal het verzoek van [appellant] daartoe reeds daarom worden afgewezen.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.A. Komduur, griffier.

w.g. Borman    w.g. Komduur

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 november 2018

809.