Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:3715

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-11-2018
Datum publicatie
14-11-2018
Zaaknummer
201800693/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2017:6464, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 januari 2017 heeft het CBR [appellant] een onderzoek naar de geschiktheid opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201800693/1/A2.

Datum uitspraak: 14 november 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 14 december 2017 in zaak nr. 17/3350 in het geding tussen:

[appellant]

en

de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR).

Procesverloop

Bij besluit van 10 januari 2017 heeft het CBR [appellant] een onderzoek naar de geschiktheid opgelegd.

Bij besluit van 24 mei 2017 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 december 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 november 2018, waar het CBR, vertegenwoordigd door mr. L. Jonkers, is verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Op 28 december 2016 heeft de korpschef het CBR medegedeeld dat het vermoeden bestaat dat [appellant] niet langer beschikt over de rijvaardigheid of de lichamelijke of geestelijke geschiktheid vereist voor het besturen van de categorieën van motorrijtuigen waarvoor zijn rijbewijs is afgegeven. Dit vermoeden is gebaseerd op het feit dat uit het proces-verbaal van de politieregio Gelderland-Midden van 14 november 2016 volgt dat op 13 november 2016 bij [appellant] een ademalcoholgehalte van 690 µg/l is geconstateerd. Het CBR heeft [appellant] vervolgens bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 10 januari 2017 verplicht mee te werken aan een onderzoek naar de geschiktheid als bedoeld in artikel 131, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de Wvw 1994). Het CBR heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat [appellant] zowel op 4 juli 2014 als op 13 november 2016 is aangehouden voor rijden onder invloed. Gelet hierop is [appellant] de afgelopen vijf jaar ten minste twee keer aangehouden voor rijden onder invloed waarvan in elk geval één keer met een ademalcoholgehalte van 220 µg/l of hoger. Nu [appellant] de afgelopen vijf jaar aan een Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer heeft deelgenomen komt hij daarvoor niet nogmaals in aanmerking en wordt aan hem een onderzoek naar de geschiktheid opgelegd.

Oordeel van de rechtbank

2.    De rechtbank heeft geoordeeld dat het CBR zich, gelet op de mededeling van de korpschef van 28 december 2016 en het proces-verbaal van de politie Gelderland-Midden van 14 november 2016, op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat er in dit geval een vermoeden van ongeschiktheid bestond en dat met voldoende mate van zekerheid is komen vast te staan dat [appellant] op 13 november 2016 onder invloed van alcohol, als bestuurder van een motorvoertuig is opgetreden.

Hoger beroep

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat met voldoende mate van zekerheid is komen vast te staan dat hij op 13 november 2016 onder invloed van alcohol als bestuurder van een motorvoertuig is opgetreden. Terwijl hij geparkeerd stond op een parkeerplaats bij een restaurant van McDonalds heeft hij een aantal biertjes gedronken en zijn partner gebeld om te vragen of zij hem op kon halen. In afwachting van de komst van zijn partner is hij in het voertuig blijven zitten. Hij betwist dat hij onder invloed van alcohol door de McDrive is gereden. Hij verwijst daarbij naar de getuigenverklaring van zijn partner waaraan de rechtbank volgens hem te weinig waarde heeft gehecht. Deze verklaring wordt volgens [appellant] ondersteund door de telefoongegevens van zijn partner waaruit volgt dat er op 13 november 2016 om 20.37 uur een telefoongesprek tussen hem en zijn partner heeft plaatsgevonden. Hieruit volgt dat de overweging van de rechtbank dat hij haar slechts wilde bellen onjuist is. Voorts is volgens [appellant] de getuigenverklaring van Hoogewaard, een medewerker van de McDonalds, in de strafrechtelijke zaak tegen [appellant] onduidelijk, omdat hij stelt dat de persoon die door de McDrive reed in een witte bus reed terwijl [appellant] in een zwarte bus reed. Verder stelt de medewerker in zijn verklaring dat hij zich geen bijzondere dingen over de bestuurder van de bus kan herinneren, terwijl [appellant] opvallende kenmerken heeft, waaronder veel tatoeages, oorbellen en piercings. [appellant] voert voorts aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het CBR ten onrechte op de stoel van de strafrechter is gaan zitten nog voordat die inhoudelijk over de zaak heeft geoordeeld. [appellant] voert tot slot aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij in zijn verdediging is geschaad doordat de politie aan de McDonalds heeft laten weten dat de camerabeelden waarmee zijn onschuld kan worden aangetoond niet meer nodig waren voor het onderzoek terwijl hij deze beelden meermaals heeft opgevraagd.

3.1.    De toepasselijke regelgeving is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

3.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 30 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1715) dient, voor het opleggen van de verplichting om mee te werken aan een onderzoek naar de geschiktheid voor het besturen van een motorrijtuig, voor het CBR op basis van geconstateerde feiten met voldoende mate van zekerheid vast komen te staan dat de betrokkene onder invloed van alcohol als bestuurder van een motorrijtuig is opgetreden. De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat het CBR met voldoende mate van zekerheid kon vaststellen dat [appellant] op 13 november 2016 onder invloed van alcohol een auto heeft bestuurd. Blijkens het proces-verbaal met kenmerk PL0600-2016558455-5 zag de verbalisant op 13 november 2016 op het parkeerterrein bij een restaurant van McDonalds een zwarte bus van het merk Volkswagen met brandende verlichting schuin in het parkeervak staan. Hij zag dat [appellant] achter het stuur zat en dat hij schuin in het voertuig hing. Vervolgens zag hij dat [appellant] bij kennis kwam, verward overkwam en dat hij met dubbele tong sprak. De verbalisant rook een stevige alcohollucht in het voertuig en hij zag dat de sleutel van het voertuig in het contact zat. Verder zag hij dat een lege fles bier in het portiervak stond, dat in de dashboardhouder een geopende fles bier stond en dat op de bijrijdersstoel twee blikken bier lagen. Voorts blijkt uit het op ambtseed en ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal, met kenmerk PL0600-2016558455-3, dat Hoogewaard heeft verklaard dat [appellant] dronken door de McDrive is gereden. Verder blijkt uit het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal, met kenmerk 131120162144093136, dat bij [appellant] een ademalcoholgehalte van 690 µg/l is geconstateerd.

    De rechtbank heeft in hetgeen [appellant] als tegenbewijs heeft aangevoerd terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat niet met voldoende mate van zekerheid vaststaat dat [appellant] onder invloed van alcohol als bestuurder van een motorrijtuig is opgetreden.

    De verklaring van de partner van [appellant] is onvoldoende om aan de bevindingen in de processen-verbaal te twijfelen. De rechtbank heeft in dat verband terecht overwogen dat de partner van [appellant] niet uit eigen waarneming kan bevestigen dat [appellant] pas is gaan drinken op de parkeerplaats van de McDonalds en dat aan deze verklaring bovendien minder gewicht toekomt vanwege hun familieband. De verklaring wordt evenmin ondersteund door de eerst in hoger beroep overgelegde telefoongegevens. Uit het mutatierapport, met kenmerk PL0600-2016558455-1, blijkt dat Hoogewaard [appellant] omstreeks 21.30 uur door de McDrive heeft zien rijden, om 21.32 uur bij de politie een melding over [appellant] is binnengekomen en uit het proces-verbaal, met kenmerk PL0600-2016558455-5, blijkt dat het eerste contact van de politie met [appellant] om 21.40 uur plaatsvond. Uit de telefoongegevens kan niet worden afgeleid dat [appellant] tussen 21.30 uur en 21.40 uur met zijn partner heeft gebeld. Voorts heeft [appellant] blijkens het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal, met kenmerk 131120162144093136, op 14 november 2016 om 00.20 uur verklaard dat hij iemand wilde bellen, niet dat hij iemand heeft gebeld.

    De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat de getuigenverklaring die Hoogewaard op 31 maart 2017 in de strafrechtelijke zaak tegen [appellant] heeft afgelegd onvoldoende aanleiding vormt om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de door hem op 13 november 2016 ten overstaan van de verbalisanten afgegeven getuigenverklaring. De verklaringen komen inhoudelijk sterk overeen. Dat Hoogewaard in zijn verklaring van 31 maart 2017 een onjuiste kleur van de bus heeft genoemd leidt gelet op het tijdsverloop en de sterke overeenkomst tussen de verklaringen, niet tot een ander oordeel. Dat Hoogewaard zich op 31 maart 2017 geen bijzondere dingen over de bestuurder van de bus meer kon herinneren maakt, gelet op het eerdergenoemde tijdsverloop en de omstandigheid dat Hoogewaard in zijn verklaring van 13 november 2016 de bestuurder gedetailleerd heeft omschreven, evenmin dat aan de betrouwbaarheid van de verklaring moet worden getwijfeld.

3.3.    Dat het strafrechtelijke onderzoek nog niet is afgerond betekent voorts niet dat het CBR geen onderzoek naar de geschiktheid had mogen opleggen. Het besluit van 10 januari 2017 heeft betrekking op een bestuursrechtelijke maatregel ter bevordering van de verkeersveiligheid, die los staat van de strafrechtelijke procedure.

3.4.    Er bestaat verder geen grond voor het oordeel dat het CBR in strijd met het verdedigingsbeginsel heeft gehandeld. Zoals hiervoor is overwogen, kon het CBR op basis van de processen-verbaal van de politie met voldoende mate van zekerheid vaststellen dat [appellant] op 13 november 2016 onder invloed van alcohol een auto heeft bestuurd. Daarvoor waren de camerabeelden van de McDonalds niet nodig. [appellant] is in bezwaar in de gelegenheid gesteld om tegenbewijs te leveren. Gelet hierop is hij niet in zijn verdediging geschaad.

3.5.    De betogen falen.

Conclusie

4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.A. Komduur, griffier.

w.g. Borman    w.g. Komduur

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 november 2018

809. BIJLAGE

Wegenverkeerswet 1994

Artikel 130

1. Indien bij de algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, doen zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.

[…].

Artikel 131

1. Indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, besluit het CBR in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen respectievelijk tot:

a. oplegging van een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid;

b. oplegging van een alcoholslotprogramma, of

c. een onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid.

[…].

Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011

Artikel 2

1. Een vermoeden als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de wet wordt gebaseerd op feiten of omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage.

2. Indien een vermoeden als bedoeld in het eerste lid wordt gebaseerd op het gestelde in de bij deze regeling behorende bijlage 1, onderdeel B, subonderdeel III, Drogerende stoffen, dient betrokkene bij minimaal één feit bestuurder te zijn geweest van een motorrijtuig waarvoor een rijbewijs is vereist.

Artikel 12, aanhef en onder c

Betrokkene komt niet in aanmerking voor de educatieve maatregel alcohol en verkeer indien hij de afgelopen vijf jaar aan een educatieve maatregel alcohol en verkeer heeft deelgenomen.

Artikel 23, eerste lid, aanhef en onder e

Het CBR besluit dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de geschiktheid, bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de wet indien betrokkene op grond van artikel 12 niet in aanmerking komt voor een educatieve maatregel alcohol en verkeer.

Bijlage 1, onder B, onderdeel III, Drogerende stoffen, Alcohol

a. bij betrokkene is een adem- of bloedalcoholgehalte geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 350 µg/l, respectievelijk 0,8‰;

[…]