Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:3712

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-11-2018
Datum publicatie
14-11-2018
Zaaknummer
201804374/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2018:1376, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 juli 2017 heeft het CBR aan [appellant] een Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer (hierna: EMG) opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2019/68
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201804374/1/A2.

Datum uitspraak: 14 november 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 13 april 2018 in zaak nr. 17/3828 in het geding tussen:

[appellant]

en

de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: CBR).

Procesverloop

Bij besluit van 25 juli 2017 heeft het CBR aan [appellant] een Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer (hierna: EMG) opgelegd.

Bij besluit van 27 september 2017 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 april 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 oktober 2018, waar het CBR, vertegenwoordigd door mr. J.J. Kwant, is verschenen.

Overwegingen

1.    Bij besluit van 25 juli 2017 heeft het CBR aan [appellant] een EMG - een cursus over verantwoord rijgedrag - opgelegd naar aanleiding van een schriftelijke mededeling van de korpschef van politie, gedateerd 10 juli 2017, van het vermoeden dat [appellant] niet langer voldoet aan de eisen van rijvaardigheid. Dit vermoeden is onderbouwd met een proces-verbaal van overtreding van 5 juli 2017, opgesteld door een brigadier van de politie-eenheid Noord-Nederland, district Groningen, basisteam Ommelanden-Noord. Volgens het CBR blijkt dat uit dat proces-verbaal dat [appellant] op dinsdagavond 4 juli 2017 tijdens een autorit herhaaldelijk gedragingen heeft vertoond als genoemd in de bij de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (hierna: de Regeling) behorende bijlage 1, onder A, onderdeel III, Rijgedrag.

2.    [appellant] heeft in bezwaar betwist dat hij de verkeersgedragingen die door de politie zijn waargenomen heeft begaan. Het CBR heeft bij het besluit op bezwaar van 27 september 2017 de oplegging van de EMG evenwel gehandhaafd. Daarbij heeft het CBR zich op het standpunt gesteld dat het kan en mag uitgaan van de juistheid van de gegevens van de politie. Dit is slechts anders indien [appellant] het tegendeel bewijst of op zijn minst aannemelijk maakt. Uit het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal blijkt volgens het CBR duidelijk dat [appellant] door de verbalisant als bestuurder van de auto is herkend. De enkele stelling van [appellant] dat hij niet de bestuurder was en geen overtreding heeft begaan, leidt niet tot twijfel aan de juistheid van de bevindingen in het proces-verbaal.

3.    In het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van overtreding van 5 juli 2017 is vermeld dat de verbalisant een voertuig met hoge snelheid en tegen de rijrichting in hoorde naderen. Toen het voertuig hem dicht genoeg was genaderd, zag hij dat de bestuurder een getinte man was met een Moluks uiterlijk. De verbalisant herkende de bestuurder als zijnde de hem ambtshalve bekende [appellant]. In een proces-verbaal van 5 maart 2018 heeft de verbalisant onder meer aanvullend verklaard dat [appellant] hem ambtshalve bekend is vanwege zijn lidmaatschap van Satudarah en hij als verdachte in het verleden veelvuldig in aanraking is geweest met de politie Noord-Nederland. Daarnaast is het hem ambtshalve bekend dat [appellant] de regelmatige bestuurder is van het voertuig waarvan het kenteken op naam staat van diens vader. Ook heeft de verbalisant aanvullend verklaard dat het portierraam van het bestuurdersportier geopend was en [appellant] hem aankeek terwijl hij hem passeerde.

4.    De rechtbank heeft, voor zover thans van belang, geoordeeld dat, gelet op de omstandigheden, het onaannemelijk moet worden geacht dat de verbalisant [appellant] niet heeft herkend en hem heeft verward met zijn broer of vader. In dat verband heeft de rechtbank overwogen dat de verbalisant [appellant] kende, de auto hem op 2,5 meter afstand heeft gepasseerd en hij tijdens het passeren van de auto oogcontact met [appellant] had. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de verbalisant de auto ook aan heeft zien komen rijden, waardoor hij meer tijd had voor het observeren en registreren. De betrokken verbalisant moet als ervaringsdeskundige voldoende in staat worden geacht te observeren en te registreren en hij heeft bovendien geen belang bij het opnemen van onjuistheden in het proces-verbaal, aldus de rechtbank.

5.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het onaannemelijk is dat verbalisant [appellant] niet heeft herkend. Daarmee heeft de rechtbank volgens hem een onjuiste maatstaf aangelegd voor de beoordeling van de vraag of hij bestuurder van het voertuig is geweest. Gelet op de toelichting van de wetgever bij artikel 23, derde lid, onder b, van de Regeling dient de identiteit van de betrokken bestuurder onomstotelijk te zijn vastgesteld. De identiteit kan niet onomstotelijk worden vastgesteld als er nog enige twijfel is over de identiteit. Gelet op de feitelijke situatie ten tijde van de waarneming van de verbalisant - de intredende duisternis, de snelheid waarmee het voertuig zou hebben gereden en het feit dat de omschreven kenmerken van de bestuurder evengoed aan een ander zouden kunnen toebehoren - maakt dat er enige twijfel is over de vaststelling van de identiteit van de bestuurder. Daarbij komt dat [appellant] ook niet door de verbalisant is aangehouden. Volgens [appellant] leidt het voorgaande ertoe dat niet onomstotelijk kan worden vastgesteld dat hij de bestuurder was van het voertuig en kan hem daarom geen EMG worden opgelegd.

5.1.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt onderdeel uit van deze uitspraak.

5.2.    Het betoog van [appellant] komt erop neer dat de rechtbank een onjuiste maatstaf heeft aangelegd voor de beoordeling van de vraag of hij bestuurder van het voertuig is geweest. De Afdeling is van oordeel, anders dan [appellant] heeft aangevoerd, dat het woord ‘onomstotelijk’ moet worden uitgelegd in de context van de Nota van Toelichting bij artikel 23, derde lid, onder b, van de Regeling, waarin het woord is gebezigd. In de Nota van Toelichting is het volgende vermeld:

[…] Op grond van de gekozen formulering dat ten aanzien van betrokkene als bestuurder van een motorrijtuig, niet zijnde een bromfiets, de desbetreffende snelheidsoverschrijding moet zijn geconstateerd, is duidelijk dat een bekeuring op kenteken niet onder deze omschrijving valt, maar dat de identiteit van de betrokken bestuurder onomstotelijk moet zijn vastgesteld, net zoals dat geldt voor alle emg-waardige gedragingen. In de meeste gevallen zal de betrokken bestuurder zijn staande gehouden, maar ook op andere wijze kan de politie de identiteit van de betrokken bestuurder onomstotelijk hebben vastgesteld. In deze laatste gevallen zal derhalve ook een mededeling kunnen worden gedaan. […]"

Uit deze passage volgt dat een EMG niet op kenteken aan een bestuurder kan worden opgelegd, maar enkel aan de bestuurder die de EMG-waardige gedraging feitelijk heeft begaan. Daaraan ligt ten grondslag dat de oplegging van een dergelijke maatregel tot doel heeft om een gedragsverandering teweeg te brengen bij de bestuurder die zich EMG-waardig heeft gedragen. Dat betekent dat, om een EMG te kunnen opleggen, met voldoende zekerheid moet komen vast te staan wie de bestuurder is. Daarvoor is niet noodzakelijk dat, zoals ook uit de voornoemde passage blijkt, de betrokken bestuurder staande wordt gehouden. Ook op andere wijze kan de identiteit van de bestuurder met voldoende zekerheid komen vast te staan.

5.3.    De rechtbank heeft terecht, onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Afdeling, overwogen dat in het geval de vaststelling van het CBR is gebaseerd op de constatering van een verbalisant, opgenomen in een ambtsedig proces-verbaal waarin gemotiveerd is beschreven dat de verbalisant de bestuurder positief heeft herkend, het CBR daar in beginsel op mag afgaan. In een dergelijk geval is het niet noodzakelijk dat de betrokkene ook is staande gehouden of anderszins door de verbalisant is gehoord. Dat is anders wanneer er aanleiding bestaat voor redelijke twijfel aan de in het proces-verbaal opgenomen waarneming van de verbalisant.

5.4.    In het onderhavige geval zag de verbalisant de auto aankomen en had hij op een bepaald moment op een afstand van 2,5 meter door het open portierraam van het bestuurdersportier oogcontact met de bestuurder, die hij ambtshalve herkende. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, geen aanleiding geeft om te twijfelen aan de waarnemingen van de verbalisant in het proces-verbaal van overtreding en het aanvullende proces-verbaal. Daarmee bestaat voldoende zekerheid dat [appellant] de bestuurder van de auto was. De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat het CBR in de gegeven omstandigheden was gehouden om aan [appellant] een EMG op te leggen.

5.5.    Het betoog faalt.

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, voorzitter, en mr. E.A. Minderhoud en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Rijsdijk, griffier.

w.g. Bijloos    w.g. Rijsdijk

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 november 2018

705. BIJLAGE - Wettelijk kader

Wegenverkeerswet

Artikel 130

1. Indien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, doen zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.

[…].

Artikel 131

1. Indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, besluit het CBR in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen respectievelijk tot:

a. oplegging van een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid;

[…].

Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011

Artikel 14

1. Het CBR besluit tot oplegging van een educatieve maatregel gedrag en verkeer indien:

a. betrokkene tijdens een rit herhaaldelijk gedragingen heeft verricht als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 1, onder A, onderdeel III, Rijgedrag;

[…];

Bijlage 1 bij de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid

[…]

A. Rijvaardigheid en rijgedrag

[…]

III. Rijgedrag

[…]

2. Gebrek aan inzicht in risico’s in het verkeer, zoals:

[…]

e. met een te hoge snelheid naderen van en inhalen nabij voetgangersoversteekplaatsen of in andere onoverzichtelijke situaties, zoals kruisingen en spoorwegovergangen;

[…]

4. Duidelijk een gedrag tentoonspreiden dat in strijd is met de essentiële verkeersregels en verkeerstekens terzake van:

a. de plaats op de weg, waaronder begrepen spookrijden;

[…]

c. het verlenen van voorrang;

[…]

e. het gebruik van lichten en geven van signalen;

[…].