Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:3710

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-11-2018
Datum publicatie
14-11-2018
Zaaknummer
201805862/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2018:2427, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

[appellant] heeft op 20 april 2017 een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend voor het verplaatsen van de woning aan de [locatie 1] te Vorden naar een naastgelegen gebouw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2019/8011
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201805862/1/A1.

Datum uitspraak: 14 november 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Vorden, gemeente Bronckhorst,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 1 juni 2018 in zaak nr. 17/5881 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Bronckhorst.

Procesverloop

[appellant] heeft op 20 april 2017 een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend voor het verplaatsen van de woning aan de [locatie 1] te Vorden naar een naastgelegen gebouw.

[appellant] heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig bekendmaken door het college van het van rechtswege ontstaan van de gevraagde omgevingsvergunning.

Bij uitspraak van 1 juni 2018 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 oktober 2018, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.J.H. Hulshof, advocaat te Arnhem, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.K. Gerritsen en mr. P. van Eykel, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] is eigenaar van het perceel aan de [locatie 2] te Vorden (hierna: het perceel). Hij exploiteert op het perceel een agrarisch bedrijf. Op het perceel staan een hoofdgebouw en een vrijstaande schuur. In het hoofdgebouw bevinden zich twee wooneenheden. De ene wooneenheid wordt door [appellant] bewoond en fungeert als bedrijfswoning. De andere wooneenheid wordt door zijn dochter met haar gezin bewoond en fungeert als burgerwoning. De schuur wordt gebruikt voor het stallen van bedrijfsvoertuigen en het opslaan van producten ten behoeve van het agrarisch bedrijf. [appellant] wil zelf in het hoofdgebouw blijven wonen en de wooneenheid van zijn dochter en haar gezin weer bij zijn bedrijfswoning betrekken. Zijn dochter wil met haar gezin in de schuur gaan wonen en daar een tweede bedrijfswoning van maken (hierna: het project).

    Bij brief van 20 april 2017 heeft [appellant] de raad van de gemeente Bronckhorst verzocht om het bestemmingsplan te wijzigen door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning voor het project. Het college heeft deze brief aangemerkt als een aanvraag om omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).

    Het geschil spitst zich toe op de vraag of de door [appellant] gevraagde omgevingsvergunning van rechtswege is verleend. Niet in geschil is dat de termijn voor het beslissen op de aanvraag niet is opgeschort of verlengd. Vast staat dat het project in strijd is met het ten tijde van belang ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied 2005; Hengelo/Vorden", zoals gewijzigd door de bestemmingsplannen "Correctieve herziening Buitengebied Hengelo/Vorden 2005-2008" en "Buitengebied; Hengelo/Vorden Wet BAG" (hierna tezamen en in enkelvoud: het bestemmingsplan). Verder staat vast dat het project niet met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo kan worden verleend.

    De rechtbank heeft overwogen dat slechts artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo een grondslag biedt om de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen. Nu deze aanvraag moet worden voorbereid met de uitgebreide procedure als bedoeld in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), is, gelet op artikel 3:10, vierde lid, van die wet, de gevraagde omgevingsvergunning niet van rechtswege verleend.

2.    De relevante bepalingen van de Awb en de Wabo en de relevante regels van het bestemmingsplan zijn opgenomen in een bijlage die onderdeel is van deze uitspraak.

Hoger beroepsgrond

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de gevraagde vergunning niet met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1°, van de Wabo kan worden verleend. Volgens [appellant] kan de gevraagde vergunning zowel met toepassing van artikel 20, als met toepassing van artikel 17 van de planregels worden verleend. Hierop is de reguliere procedure van toepassing. Nu het college niet tijdig op de aanvraag heeft beslist, is de gevraagde vergunning van rechtswege verleend, aldus [appellant].

3.1.    Onder verwijzing naar haar uitspraak van 9 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2471, overweegt de Afdeling dat de vraag of al dan niet van rechtswege vergunning is verleend, gelet op de bepalingen in de Wabo en de Awb, afhangt van het antwoord op de vraag welke procedure op de aanvraag van toepassing is. De beantwoording van de vraag of op een aanvraag de reguliere dan wel de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is, is, gelet op het bepaalde in artikel 3.10, eerste lid, van de Wabo, afhankelijk van de activiteit die is aangevraagd. De Wabo bepaalt daarmee exclusief welke procedure op een aanvraag om omgevingsvergunning van toepassing is. Het college heeft hierin geen keuze, maar dient de voorbereidingsprocedure toe te passen die uit de Wabo voortvloeit. Dit betekent dat het college na ontvangst van een aanvraag om omgevingsvergunning tijdig dient te bezien welke procedure daarop van toepassing is. Indien de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing is, omdat de aangevraagde activiteit binnen de reikwijdte van de in het bestemmingsplan gegeven afwijkingsbevoegdheid valt, maar niet binnen de daarvoor geldende beslistermijn een besluit op de aanvraag wordt genomen, is de omgevingsvergunning van rechtswege verleend, ongeacht of de aangevraagde activiteit voldoet aan de voorwaarden voor toepassing van de in het bestemmingsplan gegeven afwijkingsbevoegdheid. In dit verband moet de reikwijdte van de bevoegdheid om met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels af te wijken voor een project worden onderscheiden van de voorwaarden om toepassing te geven aan deze bevoegdheid, voor zover in die voorwaarden voor het bestuursorgaan beoordelingsvrijheid besloten ligt. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:483.

3.2.    Anders dan [appellant] betoogt, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de aanvraag niet valt binnen de reikwijdte van artikel 17, eerste lid, van de planregels en het daarbij behorende schema onder nummer 12. Nu het hoofdgebouw noch de schuur op plankaart 1 een specifieke aanduiding hebben, mag, gelet op artikel 4, vierde lid, van de planregels, binnen het agrarisch bouwperceel uitsluitend één dienstwoning worden opgericht. Die dienstwoning bevindt zich in het hoofdgebouw, namelijk de wooneenheid van [appellant]. Dat zich in het hoofdgebouw ook een andere wooneenheid bevindt, namelijk die van de dochter van [appellant] en haar gezin, maakt niet dat artikel 4, vierde lid, van de planregels niet als uitgangspunt heeft te gelden. Anders dan [appellant] betoogt, brengt het bestemmingsplan "Buitengebied; Hengelo/Vorden Wet BAG", dat een correctieve herziening is van de bestemmingsplannen "Buitengebied 2005; Hengelo/Vorden" en "Correctieve herziening Buitengebied Hengelo/Vorden 2005-2008", daarin geen verandering. In dat bestemmingsplan is vastgelegd dat binnen het hoofdgebouw het aantal wooneenheden is toegestaan overeenkomstig het in bijlage M bij de adressen aangegeven aantal huisnummers. Op bijlage M zijn aan het hoofdgebouw op het perceel de huisnummers [.] en [..] toegekend, wat betekent dat in het hoofdgebouw twee wooneenheden zijn toegestaan. Het verplaatsen van de wooneenheid van de dochter van [appellant] naar de schuur heeft tot gevolg dat er een tweede bedrijfswoning op het perceel ontstaat en dat is in strijd met artikel 4, vierde lid, van de planregels. Voor het afwijken hiervan kan niet met toepassing van artikel 17, eerste lid, van de planregels en het daarbij behorende schema onder nummer 12 een omgevingsvergunning worden verleend.    

3.3.    Het beroep van [appellant] op de zogenoemde toverformule als bedoeld in artikel 20, derde lid, van de planregels, faalt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in haar uitspraak van 1 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1531), is een beroep op de zogenoemde toverformule alleen mogelijk indien een zinvol gebruik overeenkomstig het geldende bestemmingsplan objectief gezien niet meer mogelijk is. [appellant] heeft niet gemotiveerd gesteld dat een zinvol gebruik van de schuur overeenkomstig het bestemmingsplan objectief gezien niet meer mogelijk is.

3.4.    Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de aangevraagde omgevingsvergunning niet kan worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1°, van de Wabo, doch slechts met toepassing van het bepaalde onder 3° van dat artikel. Gelet op de artikelen 3.10, eerste lid, aanhef en onder a, en 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo, is de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 van de Awb van toepassing. De rechtbank heeft terecht geconcludeerd dat daarom geen vergunning van rechtswege is verleend.

    Het betoog faalt.

Slotoverwegingen

4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, griffier.

w.g. Borman    w.g. Graaff-Haasnoot

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 november 2018

531. Bijlage

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, luidt:

"Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan […]"

Artikel 2.12, eerste lid, luidt:

"Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

1°.    met toepassing van de in het bestemmingsplan of de     beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,

2°.     in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3°.    in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede     ruimtelijke onderbouwing bevat;

[...]"

Artikel 3.10, eerste lid, luidt:

"Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning, indien de aanvraag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op:

a. een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, voor zover er strijd is met het bestemmingsplan of een beheersverordening en slechts vergunning kan worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°;

[…]"

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 4:20b, eerste lid, luidt:

"Indien niet tijdig op de aanvraag tot het geven van een beschikking is beslist, is de gevraagde beschikking van rechtswege gegeven."

Artikel 3:10, vierde lid, luidt:

"Indien deze afdeling van toepassing is op de voorbereiding van een besluit is paragraaf 4.1.3.3. niet van toepassing."

Planregels

Artikel 4, eerste lid, aanhef en onder c, luidt:

"De op plankaart 1 voor "Agrarisch gebied met natuur- en landschapswaarden" aangegeven gronden zijn bestemd voor woondoeleinden."

Artikel 4, vierde lid, luidt:

"Ten aanzien van de gebouwen en andere bouwwerken geldt het volgende:

a. binnen het agrarisch bouwperceel mag uitsluitend één dienstwoning worden opgericht […]."

Artikel 4, vijfde lid, luidt:

"Ten aanzien van de gebouwen, zoals bedoeld in het eerste lid, onder c, geldt het volgende:

a. een woning wordt op plankaart 1 aangeduid met een "W". Een dubbele woning wordt op plankaart 1 aangeduid met "2xW";

b. de bestaande woningen, die als hoofdgebouw kunnen worden aangemerkt, met daarbij behorende bestaande bijgebouwen zijn toegelaten;

[…]"

Artikel 17, eerste lid, luidt:

"Burgemeester en wethouders zijn bevoegd […] vrijstelling te verlenen volgens het onderstaande schema […]."

Onder nummer 12 van voormeld schema staat dat van artikel 4, vijfde lid, vrijstelling kan worden verleend voor de verplaatsing/herbouw buiten de bestaande bebouwingscontour, mits wordt voldaan aan de voorwaarden als bedoeld in kolom 5.

Artikel 20, eerste lid, luidt:

"Het is verboden opstallen - of delen daarvan - en gronden te gebruiken, in gebruik te geven of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de in het plan aan de grond gegeven bestemming. […]"

Artikel 20, derde lid, luidt:

"Burgemeester en wethouders verlenen vrijstelling van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel indien strikte toepassing van de verbodsbepaling zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, die niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd."