Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:3701

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-11-2018
Datum publicatie
14-11-2018
Zaaknummer
201708690/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2017:4856, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij een eerste besluit van 18 maart 2015 heeft de staatssecretaris de aan SWO toegekende subsidie voor het project "SWO-Opleidingen in de sport IIII 2011-2012", met nr. 2011ESFN310 (hierna: project 1), lager vastgesteld op € 174.102,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201708690/1/A2.

Datum uitspraak: 14 november 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1.    Stichting Centrum Arbeidsmarktvraagstukken Informatie en Communicatie Technologie (hierna: CA-ICT), gevestigd te Utrecht,

2.    Stichting Sport Werk & Opleiding (hierna: SWO), gevestigd te Gorinchem, en

3.    Stichting Opleidings- en Ontwikkelingsfonds Call Centers

(hierna: OOCC), gevestigd te Aalsmeer,

appellanten (hierna ook tezamen: CA-ICT e.a.),

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 21 september 2017, in zaken nrs. 16/5026, 16/5165 en 16/5293, in het geding tussen:

CA-ICT e.a.

en

de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Procesverloop

Bij een eerste besluit van 18 maart 2015 heeft de staatssecretaris de aan SWO toegekende subsidie voor het project "SWO-Opleidingen in de sport IIII 2011-2012", met nr. 2011ESFN310 (hierna: project 1), lager vastgesteld op € 174.102,00.

Bij een tweede besluit van 18 maart 2015 heeft de staatssecretaris de aan CA-ICT toegekende subsidie voor het project "CA-ICT-Aanbod opleidingen 2011 en 2012", met nr. 2011ESFN364 (hierna: project 2), lager vastgesteld op € 585.344,00.

Bij besluit van 23 april 2015 heeft de staatssecretaris de OOCC toegekende subsidie voor het project "Scholingsinitiatief Callcenterbranche 2011-2012", met nr. 2011ESFN326 (hierna: project 3), lager vastgesteld op € 996.814,00.

Bij een eerste besluit van 27 september 2016 heeft de staatssecretaris het door SWO tegen het eerste besluit van 18 maart 2015 gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, dat besluit gedeeltelijk herzien en de subsidie voor project 1 vastgesteld op € 450.004,80. SWO heeft hiertegen beroep ingesteld.

Bij een tweede besluit van 27 september 2016 heeft de staatssecretaris het door CA-ICT tegen het tweede besluit van 18 maart 2015 gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, dat besluit gedeeltelijk herzien en de subsidie voor project 2 vastgesteld op € 1.116.597,70. CA-ICT heeft hiertegen beroep ingesteld.

Bij een derde besluit van 27 september 2016 heeft de staatssecretaris het door OOCC tegen het besluit van 23 april 2015 gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, dat besluit gedeeltelijk herzien en de subsidie voor project 3 vastgesteld op € 1.127.712,24. OOCC heeft hiertegen beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 21 september 2017 heeft de rechtbank het door SWO ingestelde beroep gegrond verklaard, het eerste besluit van 27 september 2016 gedeeltelijk vernietigd en de staatssecretaris opgedragen om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van SWO met inachtneming van de uitspraak. De rechtbank heeft voorts de beroepen van CA-ICT en van OOCC ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben CA-ICT e.a. hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 augustus 2018, waar CA-ICT e.a., vertegenwoordigd door mr. Van den Berg Jeths, advocaat te Eindhoven, bijgestaan door [gemachtigden], en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. F.A. Gelauff en P. Leunge, zijn verschenen.

Overwegingen

Subsidieverlening

1.    Bij besluit van 5 april 2011 heeft de staatssecretaris aan SWO voor project 1 een subsidie verleend van maximaal € 924.327,00, uitgaande van de begrote projectkosten van € 2.310.818,00. Met het project wordt beoogd om de werknemers vanuit de sportsector in andere sectoren in te zetten, door onder meer opleidingen in het kader van de Beroepsbegeleidende Leerweg (BBL) aan te bieden. De projectperiode liep van 2 februari 2011 tot en met 31 juli 2012.

    Bij besluit van 13 april 2011 heeft de staatssecretaris aan CA-ICT voor project 2 een subsidie verleend van maximaal € 4.000.000,00, uitgaande van de begrote projectkosten van € 10.000.000,00. Met het project wordt beoogd om de werkgelegenheid in de ICT-sector te verbeteren en de concurrentiekracht van Nederland te vergroten, door opleidingen in het kader van de BBL te ondersteunen en te stimuleren. De projectperiode liep van 2 februari 2011 tot en met 31 juli 2012.

    Bij besluit van 20 april 2011 heeft de staatssecretaris aan OOCC voor project 3 een subsidie verleend van maximaal € 1.305.620,00, uitgaande van de begrote projectkosten van € 3.264.050,00. Met dit project wordt beoogd om de kwaliteit van de medewerkers in de callcentersector en de  doorgroeimogelijkheden voor deze medewerkers te verbeteren, door onder meer opleidingen in het kader van de BBL aan te bieden. De projectperiode liep van 1 februari 2011 tot en met 31 juli 2012.

2.    De subsidies zijn verstrekt uit het Europees Sociaal Fonds (hierna ook: ESF), een van de structuurfondsen van de Europese Unie. De subsidies voor het project zijn verleend in het kader van Actie D van de "Subsidieregeling ESF 2007-2013 (herzien)" (Stcrt. 2009, nr. 12998; hierna: de Regeling).

Subsidievaststelling

3.    Vervolgens hebben CA-ICT, SWO en OOCC einddeclaraties bij de staatssecretaris ingediend. SWO heeft verzocht om vaststelling van de subsidie van project 1 op € 651.506,00 (totale kosten: € 1.628.765,00). CA-ICT heeft verzocht om vaststelling van de subsidie van project 2 op € 1.470.332,00 (totale kosten: € 3.675.831,00). OOCC heeft verzocht om vaststelling van de subsidie van project 3 op € 1.183.933,00 (totale kosten: € 2.959.834,00).

4.    Namens de staatssecretaris heeft het Agentschap SZW de einddeclaraties tijdens eindcontrolebezoeken op juistheid gecontroleerd en zijn bevindingen neergelegd in drie conceptrapporten van bevindingen. Daarin heeft de staatssecretaris zijn voornemen kenbaar gemaakt correcties toe te passen. Eén van deze correcties ziet op de kosten van deelnemers aan BBL-trajecten voor wie een beroepspraktijkvormingsovereenkomst (BPV) is gesloten en waarbij de einddatum in de BPV is verlengd. Een andere correctie betreft, voor project 2, de kosten van inhuur van "PNO Consultants" (hierna: PNO).

5.    Op 24 april 2014, op 14 mei 2014 en op 29 september 2014 heeft de staatssecretaris de definitieve rapporten van bevindingen aan CA-ICT e.a. toegezonden. Daarin heeft de staatssecretaris te kennen gegeven dat hij de correcties, die zien op de kosten van deelnemers aan BBL-trajecten, waarbij de einddatum in de BPV is verlengd, handhaaft. In het rapport over project 2 heeft de staatssecretaris daarnaast laten weten dat hij de correctie op de kosten van PNO handhaaft. In het rapport over project 1 heeft de staatssecretaris te kennen gegeven dat hij een aanvullende correctie toepast van € 1.138.402,00. Deze ziet op de kosten van deelnemers vanuit het bedrijf "Teleperformance" aan BBL-trajecten, uitgevoerd door Global Academy B.V (hierna: Global) voor zover deze zijn gestart na 31 juli 2011.

6.    Aan het eerste besluit van 18 maart 2015 ligt het definitieve rapport van bevindingen van 29 september 2014 en een rapport van de Auditdienst Rijk van 3 december 2014 ten grondslag.

7.    Bij het tweede besluit van 18 maart 2015 heeft de staatssecretaris, na toepassing van een aanvullende correctie van € 1.710.386,00, op de kosten van deelnemers aan BBL-trajecten vanuit "Teleperformance", uitgevoerd door Global, voor zover deze zijn gestart na 31 juli 2011, de subsidie voor project 2 (CA-ICT), lager vastgesteld. Aan dat besluit ligt het definitieve rapport van bevindingen van 14 mei 2014 ten grondslag.

8.    Bij brief van 1 april 2015 heeft de staatssecretaris zijn voornemen aan OOCC kenbaar gemaakt om een aanvullende correctie van € 446.796,00 toe te passen op kosten van deelnemers aan BBL-trajecten vanuit "Teleperformance", uitgevoerd door Global, voor zover deze zijn gestart na 31 juli 2011 en de subsidie voor project 3 lager vast te stellen. Bij besluit van 23 april 2015 heeft de staatssecretaris overeenkomstig zijn voornemen de subsidie voor project 3 lager vastgesteld. Aan dat besluit liggen het definitieve rapport van bevindingen van 24 april 2014 en een  rapport van 24 maart 2015 van de Auditdienst ten grondslag.

Besluiten op bezwaar

9.    In de besluiten op bezwaar heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat, om in aanmerking te komen voor een subsidie voor de kosten van een opleiding in het kader van de BBL ter hoogte van de vastgestelde standaardprijs van € 3.700,00 per opleiding per schooljaar, deze opleiding moet zijn geregistreerd in het Centraal Register Beroepsopleidingen (hierna: het CREBO). Daarbij is het aantal Studie Belastingsuren (SBU), zoals dat is vastgesteld door de Centrale Financiën Instellingen (CFI; thans: DUO; hierna: CFI), leidend. De kosten van deelnemers van BBL-trajecten die zijn gestart vóór 1 augustus 2010, komen voor subsidie in aanmerking, omdat deze zijn verzorgd door ROC Twente. De trajecten zijn vervolgens door ROC Twente per 1 augustus 2010 overgedragen aan Global. Tijdens de periode van 1 augustus 2010 tot en met 31 juli 2011 beschikte Global wel over diploma-erkenning, zodat de kosten van trajecten, die zijn gestart in die periode, voor subsidie in aanmerking komen. Echter Global beschikte, gelet op een besluit van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 31 mei 2011, vanaf 31 juli 2011 niet meer over een diploma-erkenning voor de betreffende opleidingen. De kosten van deelnemers die zijn gestart na die datum moeten buiten beschouwing worden gelaten bij de vaststelling van de subsidie, aldus de staatssecretaris.

Aangevallen uitspraak

10.    De rechtbank heeft het beroep van SWO gegrond verklaard, het besluit op bezwaar gericht aan SWO gedeeltelijk vernietigd en de staatssecretaris opgedragen om een nieuw besluit te nemen.

    Verder heeft zij geoordeeld dat de staatssecretaris de aan CA-ICT e.a. verleende subsidies voor het overige terecht lager heeft vastgesteld. Zij heeft daartoe overwogen dat de staatssecretaris terecht de correcties die zien op de kosten van deelnemers vanuit "Teleperformance" aan BBL-trajecten, uitgevoerd door Global, voor zover deze zijn gestart na 31 juli 2011, heeft toegepast. Aan hetgeen CA-ICT e.a. hebben aangevoerd over de toegepaste correctie over de verlenging van de einddatum in de BPV, is de rechtbank niet toegekomen. De rechtbank heeft voorts overwogen dat de staatssecretaris terecht een correctie voor project 2, die ziet op de kosten van PNO heeft toegepast, omdat de marktconformiteit niet is aangetoond.

Hoger beroep

11.    Ter zitting is gebleken dat de staatssecretaris, ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, een nieuw besluit op bezwaar heeft genomen op het bezwaar van SWO, maar dat het hoger beroep zich hiertegen niet richt.

Correctie kosten deelnemers BBL-Trajecten Global

12.    CA-ICT e.a. betogen allereerst dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris terecht de correcties bij de kosten van deelnemers vanuit "Teleperformance" aan BBL-trajecten, uitgevoerd door Global, voor zover de trajecten zijn gestart na 31 juli 2011, heeft toegepast. Zij voeren daartoe aan dat diploma-erkenning geen vereiste is om voor een ESF-subsidie in aanmerking te komen, dat Global ook in het schooljaar 2011-2012 een erkende en bevoegde onderwijsinstelling was en dat de toegepaste correcties in strijd zijn met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

12.1.    De relevante bepalingen van de Regeling luiden:

Artikel 1:

[…]

In deze regeling wordt verstaan onder:

- Instelling: een opleidingscentrum als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs (hierna: de Web), dan wel een instituut als bedoeld in artikel 12.3.8 van die wet;

[…].

Artikel 13:

1. Voor subsidiering komen uitsluitend in aanmerking: […]

3. Kosten voor opleidingen in het kader van de Beroepsbegeleidende leerweg (BBL) ter hoogte van de vastgestelde standaardprijs á € 3.700,00 per opleiding, per schooljaar, mits de volgende bewijsstukken kunnen worden overgelegd:

- de toepasselijke beroepspraktijkvormingsovereenkomst,

- loonstrook deelnemer van de laatste scholingsmaand in het ESF project, of een door het pensioenfonds verstrekt overzicht, waaruit het dienstverband van de deelnemer bij het leerbedrijf in de laatste scholingsmaand in het ESF-project blijkt,

- behaald diploma of bewijsstuk van de instelling waaruit blijkt dat de leerling gedurende een schooljaar de betreffende opleiding heeft genoten.

Artikel D6 van Bijlage 1 bij de Regeling:

1. Een project in het kader van Actie D komt slechts voor subsidie in aanmerking indien:

[…]

d. het project gericht is op een in het CREBO opgenomen opleiding, dan wel op een daarmee gelijk te stellen opleiding, die in de branche als extra kwalificatie voor de arbeidsmarkt wordt erkend, een civiel effect heeft, algemeen toegankelijk is en het MBO-4 niveau niet overstijgt.

    Artikel 1.1.1, aanhef en onderdeel b, van de Web luidt:

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder

[…]

instelling:

1º. een regionaal opleidingencentrum als bedoeld in artikel 1.3.1,

2º. een vakinstelling als bedoeld in artikel 1.3.2a, of

3º. een agrarisch opleidingscentrum als bedoeld in artikel 1.3.3;

tenzij anders blijkt;

b1. kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven: kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven als bedoeld in artikel 1.5.1 […].

12.2.    CA-ICT e.a. hebben diploma’s overgelegd van BBL-opleidingen die zijn uitgevoerd door Global, over de gehele projectperiode, dus ook voor opleidingen die zijn gestart ná 31 juli 2011, ten bewijze van de in hun einddeclaratie opgenomen kosten voor opleidingen.

12.3.     CA-ICT e.a. hebben aan de hand van een proces-verbaal van een notaris van 26 juli 2012 en bijgevoegde afdrukken van een door hem geraadpleegde website van CFI aannemelijk gemaakt dat de opleidingen, die door Global zijn uitgevoerd, ook na 31 juli 2011 opgenomen zijn geweest in het CREBO. De staatssecretaris heeft ter zitting te kennen gegeven dat hij, op grond hiervan, het ervoor houdt dat de opleidingen gedurende de gehele projectperiode in het CREBO opgenomen zijn geweest. Gelet hierop is het project ook na 31 juli 2011 gericht geweest op (een) in het CREBO opgenomen opleiding(en) en is gedurende de gehele projectperiode voldaan aan artikel D6 van Bijlage 1 bij de Regeling.

12.4.    De staatssecretaris heeft onvoldoende toegelicht waarom de diploma’s van Global desondanks na 31 juli 2011 niet als bewijsstukken in de zin van artikel 13, derde lid, van de Regeling kunnen worden aangemerkt. Voor het standpunt van de staatssecretaris, dat uit de definitie van "instelling" in artikel 1, gelezen in samenhang met "diploma van de instelling" in artikel 13, derde lid, van de Regeling, volgt dat het moet gaan om diploma’s afkomstig van een instelling met diploma-erkenning in de zin van de Web, kan niet zonder meer worden gevolgd. In die definitie is immers slechts verwezen naar een aantal specifiek omschreven instellingen in de Web, waartoe Global niet wordt gerekend. Een verwijzing naar de Web ontbreekt verder in artikel 13, derde lid, van de Regeling, terwijl CA-ICT e.a., mede gelet op hetgeen hiervoor in 12.3 is overwogen, wél aannemelijk hebben gemaakt dat is voldaan aan het vereiste in artikel D6 van Bijlage 1 bij de Regeling. Ook indien moet worden aangenomen dat alleen diploma’s afkomstig van instellingen met diploma-erkenning voldoen aan de Regeling, geldt dat CA-ICT e.a. er terecht op hebben gewezen dat zij, gelet op de doelstelling van en de gedachte achter het CREBO, van de volledigheid en juistheid van dat register mochten uitgaan. Naar het oordeel van de Afdeling mocht de staatssecretaris dan ook niet volstaan met een enkele verwijzing naar het besluit van 31 mei 2011 van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, nu daaruit niet blijkt dat de betreffende opleidingen uit het CREBO zijn of worden verwijderd. Een besluit waaruit dat blijkt ontbreekt.

12.5.    Gelet op het voorgaande kan zonder een nadere motivering niet worden ingezien waarom de diploma’s van Global na 31 juli 2011 niet als bewijsstukken kunnen worden geaccepteerd voor de kosten van BBL-opleidingen. Daarom zijn de besluiten op bezwaar onvoldoende gemotiveerd.

    Het betoog slaagt.

Marktconformiteit

13.    CA-ICT e.a. betogen verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de staatssecretaris terecht een correctie van € 20.897,00 heeft toegepast bij project 2, van CA-ICT. Zij voeren daartoe aan dat, nu de totale kosten van PNO € 126.793,00 bedroegen, de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de marktconformiteit door middel van een benchmarkprocedure moest worden aangetoond. Volgens CA-ICT e.a. moest de marktconformiteit door middel van een offerteprocedure worden aangetoond. De rechtbank heeft niet onderkend dat CA-ICT die procedure juist heeft uitgevoerd. Zij heeft, in overeenstemming met artikel 13, vierde lid, van de Regeling, meer dan drie offertes, namelijk vier offertes, met elkaar vergeleken en, terwijl dat geen vereiste is, in haar zienswijze op het conceptrapport van bevindingen beargumenteerd waarom zij offertes niet heeft meegenomen bij de vergelijking, aldus CA-ICT e.a.

13.1.    Artikel 13, vierde lid, van de Regeling luidt:

    Om voor subsidie in aanmerking te komen dient voor opdrachten met een financieel belang van hoger of gelijk aan € 15.000,00 de marktconformiteit aangetoond te worden. Voor opdrachten tot € 50.000,00 kan worden volstaan met een benchmarkprocedure. Voor opdrachten hoger of gelijk aan € 50.000,00 dient marktconformiteit te worden aangetoond door middel van een vergelijking van drie offertes, een niet-openbare aanbestedingsprocedure of een openbare aanbestedingsprocedure.

    In de Handleiding voor het voeren van de projectadministratie, versie december 2010, is in 4.2.4 het volgende vermeld:

    "Bij een transparante offerteprocedure stelt u een bestek op waarin u duidelijk aangeeft wat de opdracht is. Op basis van dit bestek vraagt u bij minimaal drie partijen een gelijke uitnodiging tot het doen uitbrengen van een offerte voor een bepaalde opdracht. In dit bestek neemt u de eisen en wensen op die betrekking hebben op het voorwerp zodat alle inschrijvers weten waarop zij hun offerte moeten richten. Nadat de offertes zijn binnengekomen vergelijkt u deze met elkaar op basis van de criteria die u hebt opgenomen in het bestek. Het is belangrijk om de totstandkoming van uw keuze duidelijk vast te leggen in het dossier onder andere door middel van een ondertekende gunningsmatrix en indien van toepassing gespreksverslagen met de offrerende partijen. Vervolgens verstrekt u de opdracht aan de aanbieder met de economisch meest voordelige aanbieding (hoeft niet de goedkoopste aanbieding te zijn) en stuurt u de afgewezen partijen een brief waarin aangegeven is dat zij de opdracht niet gegund krijgen. De vast te leggen gegevens in uw dossier bestaan uit:

- Procedurebeschrijving offerteprocedure;

- Bestek ten behoeve van de opdracht;

- De uitvraag voor offertes;

- De ingediende offertes;

- De gunningsfase (gespreksverslagen en gunningsmatrices);

- Motivering van de gemaakte keuze;

- De gunnings- en afwijzingsbrieven;

- Het contract met de gegunde partij."

13.2.    Niet in geschil is dat de totale kosten van de opdracht meer bedroegen dan € 50.000,00. Er gold geen aanbestedingsverplichting, zodat, gelet op artikel 13, vierde lid, van de Regeling, de marktconformiteit moest worden aangetoond door middel van een vergelijking van drie offertes of een (onverplichte) aanbestedingsprocedure. Gelet hierop hebben CA-ICT e.a. terecht naar voren gebracht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de marktconformiteit had moeten worden aangetoond door middel van een benchmarkprocedure. Dit leidt evenwel niet tot een gegrond hoger beroep. Daartoe wordt als volgt overwogen.

13.3.    In de zienswijze op het conceptrapport heeft CA-ICT uiteengezet dat zij zeven offertes heeft opgevraagd en dat zij de offerteprocedure heeft uitgevoerd met vier offertes. In twee offertes is een prijs opgenomen. De andere drie offertes van partijen zijn afgekeurd voor de offerteprocedure, wegens de te hoge kosten, de onduidelijke aanbieding of omdat een partij zich had teruggetrokken.

13.4.    De staatssecretaris heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat CA-ICT wel uiteen heeft gezet waarom twee partijen zijn afgevallen, maar dat zij niet met voorafgaand opgestelde criteria, vervat in een gunningsmatrix, heeft onderbouwd waarom de opdracht niet aan hen is gegund. Daarnaast heeft zij haar toelichting niet met documenten onderbouwd. Verder heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat nu deze partijen niet zijn opgenomen in de uiteindelijke procedure en nu in twee offertes geen prijs is opgenomen, de uiteindelijke offerteprocedure slechts heeft plaatsgevonden tussen twee partijen, waardoor niet is voldaan aan artikel 13, vierde lid, van de Regeling.

13.5.    Gelet hierop is de rechtbank terecht, zij het om andere redenen, tot de conclusie gekomen dat de staatssecretaris de correctie terecht heeft toegepast.

    Het betoog faalt.

Conclusie hoger beroep

14.    Gelet op hetgeen hiervoor in 12.5 is overwogen, is het hoger beroep gegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd, voor zover aangevallen. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de beroepen van CA-ICT en OOCC tegen de besluiten van 27 september 2016, over projecten 2 en 3, van de staatssecretaris alsnog gegrond verklaren en die besluiten vernietigen. De rechtbank had reeds het beroep van SWO tegen het besluit van 27 september 2016, over project 1, gegrond verklaard en dat besluit gedeeltelijk vernietigd, maar ook dat besluit komt wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) thans geheel voor vernietiging in aanmerking. De staatssecretaris dient nieuwe besluiten op de bezwaren van CA-ICT e.a. te nemen, met in achtneming van deze uitspraak. Daarin dient de staatssecretaris, mede gelet op hetgeen hiervoor in 12.1 tot en met 12.5 is overwogen, nader te motiveren waarom hij de correcties heeft toegepast op de kosten van deelnemers aan BBL-trajecten vanuit "Teleperformance", uitgevoerd door Global, na 31 juli 2011.

15.    Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de nieuwe besluiten slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

Correcties verlenging einddatum BPV-overeenkomsten

16.    In verband met deze te nemen nieuwe besluiten op bezwaar, zal de Afdeling alsnog ingaan op hetgeen CA-ICT e.a. hebben aangevoerd over de correcties aangaande de verlenging van de einddatum in de BPV-overeenkomsten, nu de rechtbank hieraan niet was toegekomen.   

17.    CA-ICT e.a. hebben in beroep aangevoerd dat de staatssecretaris ten onrechte een correctie van € 230.876,00 voor project 1 (SWO), € 44.932,61 voor project 2 (CA-ICT) en € 16.898,00 voor project 3 (OOCC) heeft toepast.

17.1.    De staatssecretaris heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat  de opleidingen, die een nominale studieduur hebben van 4.800 studiebelastingsuren, oftewel drie jaar, slechts gedurende die drie jaren subsidiabel zijn. Ingeval van overschrijding van die studieduur kunnen de kosten na die drie jaar niet voor subsidie in aanmerking komen. Dit is anders, ingeval er een gegronde reden is voor een verlenging van de nominale studieduur, bijvoorbeeld ingeval van een taalachterstand. Nu, zoals ook ter zitting is gebleken, de einddatum is verlengd, wegens een trage start om andere redenen bij aanvang en er aldus niet is gebleken van een gegronde reden voor een verlenging van de studieduur, heeft de staatssecretaris de correcties terecht toegepast.

    Hetgeen CA-ICT e.a. in beroep hebben aangevoerd over dit punt, slaagt niet.

Proceskosten

18.    De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten in beroep en hoger beroep te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 21 september 2017 in zaken nrs. 16/5026, 16/5165 en 16/5293, voor zover aangevallen;

III.    verklaart de bij de rechtbank door Stichting Centrum Arbeidsmarktvraagstukken Informatie en Communicatie Technologie en Stichting Opleidings- en Ontwikkelingsfonds Call Centers ingestelde beroepen gegrond;

IV.    vernietigt de besluiten van de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 27 september 2016, kenmerk WBJA/JA-BBS/2.2015.0677.001, kenmerk WBJA/JA-BBS/2.2015.0678.001 en kenmerk WBJA/JA-BBS/2.2015.0864.001;

V.    draagt de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op om met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen nieuwe besluiten te nemen op de bezwaren van Stichting Centrum Arbeidsmarktvraagstukken Informatie en Communicatie Technologie en anderen;

VI.    bepaalt dat tegen deze nieuw te nemen besluiten slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VII.    veroordeelt de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot vergoeding van bij Stichting Centrum Arbeidsmarktvraagstukken Informatie en Communicatie Technologie en anderen in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.004,00 (zegge: tweeduizend vier euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling aan een van hen de staatssecretaris aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

VIII.    gelast dat de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan Stichting Centrum Arbeidsmarktvraagstukken Informatie en Communicatie Technologie en anderen het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 1.169,00 (zegge: elfhonderdnegenenzestig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt, met dien verstande dat bij betaling aan een van hen de staatssecretaris aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. F. Nales, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.    

w.g. Nales

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 november 2018

680.