Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:3693

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-11-2018
Datum publicatie
14-11-2018
Zaaknummer
201703612/3/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 september 2017 heeft het college aan Powerfield met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een zonnepark met de daarbij behorende bouwwerken, zoals zonnepanelen, hekwerken, een opslagcontainer, traforuimten, omvormers en ruimtes voor camera’s, voor een periode van 30 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201703612/3/A1.

Datum uitspraak: 14 november 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te Sappemeer, gemeente Midden-Groningen,

2.    [appellant sub 2], wonend te Sappemeer,

3.    [appellant sub 3], wonend te Sappemeer,

4.    [appellant sub 4] en anderen, allen wonend te Sappemeer,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Hoogezand-Sappemeer (thans: Midden-Groningen).

Procesverloop

Bij tussenuitspraak van 27 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2122, heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen zes weken na verzending van haar uitspraak, met inachtneming van hetgeen daar in overweging 17.4 is overwogen, het besluit van 20 september 2017 alsnog nader te motiveren dan wel in de plaats daarvan een ander besluit te nemen. Deze tussenuitspraak, waarin tevens uitspraak is gedaan op de hoger beroepen van het college, [appellant sub 1] en [appellant sub 2] tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 21 maart 2017, is aangehecht.

Bij brief van 17 juli 2018 heeft het college het besluit van 20 september 2017 van een aanvullende motivering voorzien.

[appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4] en anderen en Powerfield Free Zone N.V. hebben daartegen een zienswijze ingediend.

De Afdeling heeft vervolgens met gebruikmaking van de in artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde bevoegdheid, bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Het college heeft bij brief, bij de Afdeling ingekomen op 29 augustus 2018, op de zienswijzen gereageerd. Die brief heeft de brief van de Afdeling dat het onderzoek is gesloten, gekruist. De Afdeling heeft hierop het onderzoek heropend en [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4] en anderen en Powerfield in de gelegenheid gesteld op de reactie van het college te reageren. [appellant sub 3] heeft daarvan bij brief van 18 september 2018 gebruik gemaakt.

De Afdeling heeft daarna het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1.    Bij besluit van 20 september 2017 heeft het college aan Powerfield met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een zonnepark met de daarbij behorende bouwwerken, zoals zonnepanelen, hekwerken, een opslagcontainer, traforuimten, omvormers en ruimtes voor camera’s, voor een periode van 30 jaar. Het op te richten zonnepark heeft een oppervlakte van 117 hectare en een capaciteit van 103 MWp. Het zonnepark is voorzien op percelen nabij Achterdiep Noordzijde [.] te Sappemeer. De locatie wordt globaal begrensd door de wegen Achterdiep Noordzijde, Lodijck, Langewijk en Buitenhuizen. De op te richten zonnepanelen hebben een hoogte van 2,2 meter boven het maaiveld.

    [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4] en anderen wonen op korte afstand van het te realiseren zonnepark. Zij stellen dat het zonnepark hun woonomgeving, een open landelijk gebied, en hun uitzicht zal aantasten. Hun beroepen tegen het besluit van 20 september 2017 zijn op de zitting van de Afdeling behandeld op 6 april 2018, tezamen met de hoger beroepen van het college, [appellant sub 1] en [appellant sub 2] tegen de uitspraak van de rechtbank van 21 maart 2017. De Afdeling heeft de hoger beroepen in haar uitspraak van 27 juni 2018 ongegrond verklaard en ten aanzien van het besluit van 20 september 2017 een gebrek in de belangenafweging geconstateerd. De Afdeling heeft in haar uitspraak het college in de gelegenheid gesteld dat gebrek te herstellen. Het college heeft vervolgens een nadere motivering gegeven. Aan de orde is de vraag of het college met die nadere motivering het gebrek heeft hersteld.

De tussenuitspraak

2.    [appellant sub 2], [appellant sub 1] en [appellant sub 4] en anderen hebben in beroep tegen het besluit van 20 september 2017 onder meer betoogd dat het college weliswaar erkent dat er sprake is van cumulatieve effecten van gaswinning en het zonnepark, maar dat het met het verlenen van de gevraagde vergunning geheel voorbij gaat aan het feit dat binnen de gemeente met name de aanwonenden van het Achterdiep, direct gelegen aan het Slochterense veld, met deze cumulatieve effecten worden geconfronteerd. Zij stellen dat de nadelige effecten voor de omwonenden groter zijn dan een verlies aan uitzicht, zoals het college stelt. [appellant sub 3] heeft ter zitting bij de Afdeling betoogd dat het college van de onjuiste veronderstelling uitgaat dat het zonnepark voor omwonenden niet zichtbaar zal zijn. Daarnaast is het college bij de belangenafweging uitgegaan van de onjuiste veronderstelling dat in de bestaande situatie planologisch bezien op vrijwel de gehele locatie glastuinbouw was toegestaan, aldus [appellant sub 2], [appellant sub 1] en [appellant sub 4] en anderen. Op het grootste deel van de locatie, inclusief een groot deel van de gronden ten noorden van het Achterdiep Noordzijde, is glastuinbouw volgens hen niet toegestaan.

    Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het project niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het college verwijst in dit verband naar de ruimtelijke onderbouwing van 23 september 2016. Uit deze ruimtelijke onderbouwing blijkt onder meer dat de op te richten zonnepanelen een hoogte krijgen van 2,2 m boven het maaiveld. Over de belangenafweging heeft het college toegelicht dat het zich bewust is van de gevolgen van de aardgaswinning voor dit gebied en dat het begrijpt dat daaruit maatschappelijke onrust ontstaat. Deze maatschappelijke onrust is reden geweest om een ander initiatief, zoutwinning bij Kiel-Windeweer, bestuurlijk principieel te weigeren. Dit initiatief onderscheidt zich van het aangevraagde project omdat het ziet op mijnbouwactiviteiten in de grond. Bij het aangevraagde project is een verlies aan uitzicht het enige ruimtelijk relevant merkbare gevolg. Dit gevolg heeft het college afgewogen tegen de beperking van het uitzicht die planologisch al was toegestaan en de compenserende maatregelen in de vorm van een ecologische strook en een landschappelijk inpassingsplan. Het is, aldus het college, thans mogelijk om op een groot gedeelte van de beoogde locatie vele malen hogere tuinbouwkassen of daaraan gerelateerde gebouwen te realiseren, welke het uitzicht zouden beperken. Van een grote inbreuk op het bestaande planologische regime is derhalve volgens het college geen sprake.

3.    In de tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat het bestemmingsplan "Buitengebied, partiële herziening diverse percelen" aan de oostzijde van de beoogde locatie op de gronden met de bestemming "Agrarisch-Tuinbouw", die zijn gelegen evenwijdig aan de Langewijk, tot een hoogte van negen meter kassen toestaat. Het grootste deel van de beoogde locatie heeft ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied" echter de bestemming "Agrarisch",  waarbinnen deze bouwwerken niet zijn toegestaan. Voor het oostelijk deel van deze gronden heeft het college weliswaar ingevolge artikel 3.8.1, onder B, van de planregels de bevoegdheid om de bestemming door middel van een wijziging van het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening te wijzigen (hierna: een wijzigingsplan), maar deze bevoegdheid wordt beperkt door de in artikel 3.8.1, onder B, aanhef en onder 2, van de planregels gestelde voorwaarde dat dit alleen kan indien alle gronden met de bestemming "Agrarisch-Tuinbouw" voor tuinbouw in gebruik zijn genomen. Het college heeft niet gemotiveerd dat aan deze voorwaarde wordt voldaan. Daarnaast bepalen de artikelen 2.27.1 en 2.27.2 van de Omgevingsverordening Groningen 2016, gelezen in samenhang met artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Omgevingsverordening dat een wijzigingsplan niet voorziet in de vestiging van nieuwe glastuinbouwbedrijven en dat het onder voorwaarden kan voorzien in de uitbreiding van een bestaand glastuinbouwbedrijf met maximaal 50%. Het college heeft door in het besluit uit te gaan van het gehele oppervlakte waarop de wijzigingsbevoegdheid van toepassing is en daaraan de conclusie te verbinden dat op een groot deel van de beoogde locatie glastuinbouw is toegestaan de beperkingen die de Omgevingsverordening daaraan stelt niet onderkend, aldus de Afdeling. Het standpunt van het college dat geen sprake is van een grote inbreuk op het bestaande planologisch regime is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, onvoldoende gemotiveerd.

Aanvullende motivering

4.    Het college heeft naar aanleiding van de tussenuitspraak een aanvullende motivering gegeven. Het college heeft ten aanzien van het grootste gedeelte van de locatie vastgesteld dat het bestemmingsplan zich verzet tegen bebouwing, omdat de wijzigingsbevoegdheid uit het bestemmingsplan niet kan worden toegepast. Tevens stelt het dat de woningen aan de Langewijk en een gedeelte van de woningen aan het Achterdiep Noord zijn gelegen nabij het gedeelte waar het bestemmingsplan onder meer kassen van een hoogte van negen meter toestaat. Het college stelt zich op het standpunt dat het enige ruimtelijke gevolg van het toestaan van het zonnepark de vermindering van het uitzicht is. Er vinden geen grootschalige bodemingrepen plaats, de zonnepanelen produceren geen geluid, de weerkaatsing van de zon heeft geen gevolgen voor de verkeersveiligheid omdat reflectie altijd omhoog is gericht, het zonnepark heeft minimale verkeersaantrekkende werking omdat het slechts incidenteel zal worden bezocht voor beheer en onderhoud en de locatie kent lage natuurwaarden, aldus het college. Het college stelt zich op het standpunt dat het verlies aan uitzicht door het treffen van mitigerende maatregelen wordt gecompenseerd. Het wijst er op dat in voorschrift 9 van de omgevingsvergunning van 20 september 2017 is bepaald dat de landschappelijke inpassing op de voorgeschreven wijze moet worden uitgevoerd en in stand worden gehouden en dat omwonenden betrokken zijn geweest bij de totstandkoming van het landschappelijke inpassingsplan. Voorts is in het rapport van adviesbureau Eelerwoude B.V. van 22 februari 2018 "Landschappelijke inpassing Zonnepark Midden-Groningen" (hierna: het inpassingsplan) een detaillering van de landschappelijke inpassing van het zonnepark verbeeld. Om het zonnepark komt een strook van minimaal 7 meter breed die met gevarieerde beplanting wordt ingericht zodat de zonnepanelen voor de omwonenden aan het zicht worden onttrokken. Aan de zuidzijde, ter plaatse van de woningen aan het Achterdiep Noordzijde wordt een vrije zone van maximaal 200 meter breed gerealiseerd waarin onder meer een bloemenweide zal worden aangelegd, aldus het college.

    De gevolgen van het tijdelijke zonnepark voor het uitzicht van omwonenden zijn volgens het college niet zodanig zwaarwegend dat de omgevingsvergunning voor het zonnepark niet kan worden verleend. Hierbij betrekt het mede dat er geen recht bestaat op blijvend uitzicht, dat de gevolgen van het zonnepark niet onomkeerbaar zijn, de omgevingsvergunning niet voor onbepaalde tijd is verleend en dat hiermee wordt voldaan aan de transitie naar duurzame energie en minder afhankelijkheid van het aardgas.

Beoordeling

5.    [appellant sub 3] betoogt dat het college in zijn nadere motivering ten onrechte voorbij is gegaan aan het door de gemeenteraad van Hoogezand- Sappemeer op 18 april 2016 vastgestelde nieuwe ruimtelijk kader voor het buitengebied, zoals dat is vastgelegd in de brochure "Uitgangspunten herziening bestemmingsplan buitengebied". Dit nieuwe ruimtelijk kader geeft volgens hem aan dat de bestaande tuinbouwbestemmingen gewijzigd dienen te worden in een agrarisch onbebouwde bestemming. Door het zonnepark toe te staan wordt volgens [appellant sub 3] een te grote inbreuk gemaakt op dit ruimtelijke uitgangspunt. Die inbreuk wordt niet ongedaan gemaakt door het inpassingsplan, aldus [appellant sub 3], omdat hij een bomensingel van maximaal 5 meter hoog voor zijn woning krijgt en daarmee zijn uitzicht op een open landschap verdwijnt. [appellant sub 3] en [appellant sub 1] betogen dat het college er ten onrechte aan voorbij gaat dat er geen draagvlak bij omwonenden bestaat voor het zonnepark op deze locatie en dat het college hun belangen onvoldoende heeft meegewogen. [appellant sub 1] stelt verder dat zonneparken financieel niet rendabel zijn.

    [appellant sub 2] en [appellant sub 4] en anderen betogen dat het besluit van het college van 20 september 2017 onzorgvuldig is voorbereid en misleidend is met betrekking tot de aard en de omvang van het park omdat het college ervan uit is gegaan dat er op een groot deel van de locatie kassenbouw was toegestaan. [appellant sub 2] stelt dat zij ook veel te lijden heeft van de gevolgen van de aardgaswinning en dat, zo begrijpt de Afdeling haar betoog, het college in de nadere motivering geen rekening heeft gehouden met de cumulatieve effecten van de gaswinning.

5.1.    Voor zover [appellant sub 2] en [appellant sub 4] en anderen betogen dat het besluit van het college van 20 september 2017 onzorgvuldig is voorbereid en misleidend is met betrekking tot de aard en de omvang van het park omdat het college er ten onrechte van uit is gegaan dat er op een groot deel van de locatie kassenbouw was toegestaan, wordt overwogen dat de Afdeling in de tussenuitspraak reeds heeft overwogen dat het besluit op dat punt onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. Dit gebrek was voor de Afdeling aanleiding om het college de opdracht te geven een nieuwe belangenafweging te maken. Dit betoog was derhalve al met succes naar voren gebracht in de beroepen tegen het besluit van 20 september 2017 en behoeft dan ook geen bespreking. Voor zover [appellant sub 1] volstaat met de enkele stelling dat het zonnepark financieel niet rendabel is, wordt overwogen dat de Afdeling in haar uitspraak van 27 juni 2018 daar een oordeel over heeft gegeven. De Afdeling kan, behoudens zeer uitzonderlijke gevallen, niet terugkomen van een in een tussenuitspraak gegeven oordeel. Een zeer uitzonderlijk geval is gelet op hetgeen door [appellant sub 1] is aangevoerd niet aan de orde, zodat van het in de tussenuitspraak gegeven oordeel moet worden uitgegaan.

    Het college heeft in zijn nadere motivering terecht een vergelijking gemaakt tussen wat op de locatie ingevolge de bestemmingsplannen "Buitengebied, partiële herziening diverse percelen" en "Buitengebied" maximaal is toegestaan en in welke mate het zonnepark daar een inbreuk op maakt. Anders dan [appellant sub 3] betoogt mocht het college daarbij niet de door de voormalige gemeenteraad van Hoogezand-Sappemeer vastgestelde "Uitgangspunten herziening bestemmingsplan buitengebied", zoals neergelegd in de brochure, betrekken. In de brochure zijn de uitgangspunten opgenomen die worden betrokken bij de herziening van de bestemmingsplannen in het buitengebied van Hoogezand-Sappemeer, maar die vormen niet het geldende planologische kader op de locatie.

     Het college heeft zich in de belangenafweging verder terecht beperkt tot de in de tussenuitspraak opgenomen opdracht een nieuwe belangenafweging te maken. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college in de betogen van [appellant sub 2], [appellant sub 1], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] en anderen in redelijkheid geen aanleiding hoeven te zien de aanvraag om omgevingsvergunning te weigeren. Hierbij acht de Afdeling van belang dat het college de belangen op juiste wijze in kaart heeft gebracht en zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een veranderd uitzicht het enige ruimtelijk effect is dat het zonnepark met zich brengt. Dat het door de reflectie op de zonnepanelen in haar woning nooit meer donker zal zijn, zoals [appellant sub 1] stelt, acht de Afdeling niet aannemelijk. Voor zover [appellant sub 3] heeft bedoeld te betogen dat het college in zijn belangenafweging ten onrechte geen belang heeft toegekend aan de uitgangspunten in de brochure en dat er een agrarisch onbebouwde bestemming op de locatie moet komen te rusten waarmee het zonnepark in strijd is, wordt overwogen dat, daargelaten in hoeverre het college gebonden is aan deze uitgangspunten, een ander uitgangspunt in de brochure is dat in het buitengebied geschikte locaties zullen worden gezocht voor kleine en grote zonnepanelenweides om de inzet van duurzame energie te stimuleren. Als nieuw beleidsonderwerp staat verder vermeld dat er vraag is naar plekken in de gemeente geschikt voor het aanleggen van zonneweides. Dat in de brochure tevens als uitgangspunt is opgenomen dat geen nieuwe glastuinbouwbedrijven worden toegestaan en de bestaande tuinbouwbestemmingen die niet in gebruik zijn, moeten worden gewijzigd in een agrarisch onbebouwde bestemming, maakt nog niet dat het vergunde zonnepark in strijd is met de uitgangspunten uit de brochure.

    Voor zover [appellant sub 2] betoogt dat het college in de nadere motivering geen rekening heeft gehouden met de cumulatieve effecten van een zonnepark en de mijnbouwschade ten gevolge van de gaswinning, overweegt de Afdeling dat zij in de tussenuitspraak reeds heeft overwogen dat het college ter invulling van zijn beleidsruimte van belang heeft kunnen achten dat de nadelige gevolgen van de gaswinning van geheel andere aard zijn dan die van het gebruik van het zonnepark en dat de gevolgen van de gaswinning niet aan het verlenen van een omgevingsvergunning in de weg staan.

    Dat het zonnepark zal leiden tot een veranderd uitzicht voor de omwonenden, maakt de aantasting van het woon- en leefklimaat verder niet zodanig dat het college geen voorrang heeft kunnen verlenen aan het belang van het toestaan van een zonnepark boven het belang van omwonenden op een ongewijzigd uitzicht. Hierbij betrekt de Afdeling dat er geen recht bestaat op een blijvend vrij uitzicht. Daarbij komt dat het college met het inpassingsplan, dat met het besluit van het college van 17 juli 2018 onderdeel uitmaakt van de omgevingsvergunning, het zicht op het zonnepark heeft beperkt. Voor zover [appellant sub 3] heeft gesteld dat met een bomensingel van 5 meter langs het hek van het zonnepark het nadelige effect van het verdwijnen van een open landschap niet ongedaan gemaakt wordt, wordt overwogen dat het inpassingsplan is opgesteld om het zicht op de zonnepanelen en andere bouwwerken op het zonnepark zo veel mogelijk te beperken en niet om het open landschap in stand te houden. Overigens volgt uit paragraaf 3.1.2 van het inpassingsplan dat in een deel van de tussenzone tussen de tuinen van de woning aan het Achterdiep Noordzijde en het zonnepark een bloemenmengsel wordt ingezaaid en het landschap dus open blijft. Daarachter is de bomensingel gepland met een totale breedte van 7 meter.

    Dat er bij een deel van de omwonenden geen draagvlak bestaat voor het zonnepark vormt ook geen aanleiding om te oordelen dat het college de omgevingsvergunning diende te weigeren. Het college dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening alle ruimtelijke belangen af te wegen.

    Hetgeen [appellant sub 2], [appellant sub 1] en [appellant sub 4] en anderen voor het overige aanvoeren heeft geen betrekking op de aanvullende motivering en kan dan ook niet in deze procedure aan de orde komen.

Conclusie

6.    Het college heeft met de aanvullende motivering van 17 juli 2018 voldaan aan de in de tussenuitspraak opgenomen opdracht het gebrek in het besluit van 20 september 2017 te herstellen.

7.    Gelet op hetgeen is overwogen in de tussenuitspraak zijn de beroepen van [appellant sub 2], [appellant sub 1], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] en anderen gegrond. Het besluit van 20 september 2017 komt wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb voor vernietiging in aanmerking. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de Afdeling de rechtsgevolgen van dat besluit in stand laten.

Proceskosten en griffierecht

8.    Het college wordt op na te melden wijze tot vergoeding van proceskosten veroordeeld. De door [appellant sub 2] gestelde kosten van door mr. J. Veltman beroepsmatig verleende rechtsbijstand komen niet voor vergoeding in aanmerking omdat het ingediende beroep niet op de naam van Veltman is ingediend en hij ook niet ter zitting is verschenen. Ook de door [appellant sub 2] opgevoerde kosten voor het meebrengen van een getuige en een deskundige komen niet voor vergoeding in aanmerking, reeds omdat [appellant sub 2] van deze personen geen mededeling aan de Afdeling heeft gedaan. Voorts heeft zij in de procedure geen deskundigenrapport overgelegd, zodat de opgevoerde kosten van een dergelijk rapport reeds om die reden ook niet voor vergoeding in aanmerking komen.

    De door [appellant sub 4] en anderen opgevoerde kosten voor het opstellen van een deskundigenrapport komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat zij geen deskundigenrapport hebben overgelegd. Voor zover daarmee het beroepschrift wordt bedoeld dat door de "Stichting stop zonnecollectoren" namens [appellant sub 4] en anderen is ingediend, wordt overwogen dat een beroepschrift geen deskundigenrapport is.

    De door [persoon] gestelde kosten voor verletkosten van een getuige, reiskosten van een deskundige, een opgesteld deskundigenrapport en reiskosten van hemzelf komen niet vergoeding in aanmerking, reeds omdat [persoon] geen beroep heeft ingesteld.

    Samenvattend komen alleen de gemaakte reiskosten van [appellant sub 2] en [appellant sub 4] en anderen voor vergoeding in aanmerking.

    Het college dient het door [appellant sub 4] en anderen betaalde griffierecht voor het door hen ingestelde beroep te vergoeden. Het door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betaalde griffierecht voor het indienen van hoger beroep komt niet voor vergoeding in aanmerking omdat hun hoger beroep ongegrond is. Van het college zal griffierecht worden geheven omdat zijn hoger beroep ongegrond is.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] en anderen tegen het besluit van 20 september 2017 gegrond;

II.    vernietigt het besluit van 20 september 2017, kenmerk 20160131;

III.    bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

IV.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Midden-Groningen tot vergoeding van bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 55,77 (zegge: vijfenvijftig euro en zevenenzeventig cent),

V.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Midden-Groningen tot vergoeding van bij [appellant sub 4] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 55,77 (vijfenvijftig euro en zevenenzeventig cent), met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het college van burgemeester en wethouders van Midden-Groningen aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

VI.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Midden-Groningen aan [appellant sub 4] en anderen het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 333,00 (zegge: driehonderdendrieëndertig euro) voor de behandeling van het beroep vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het college van burgemeester en wethouders van Midden-Groningen aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

VII.    bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Midden-Groningen een griffierecht van € 501,00 (zegge: vijfhonderdeen euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, voorzitter, en mr. H. Bolt en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, griffier.

w.g. Wortmann    w.g. Van Driel

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 november 2018

414.