Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:3692

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-11-2018
Datum publicatie
14-11-2018
Zaaknummer
201609908/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 juli 2013 heeft het college een verzoek om tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201609908/1/A2.

Datum uitspraak: 14 november 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Mierlo, gemeente Geldrop-Mierlo,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 17 november 2016 in zaak nr. 14/277 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Helmond.

Procesverloop

Bij besluit van 31 juli 2013 heeft het college een verzoek om tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Bij besluit van 12 december 2013 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 3 februari 2016 heeft het college opnieuw op het door [appellant] gemaakte bezwaar beslist en de afwijzing van het verzoek om een tegemoetkoming in de planschade gehandhaafd.

Bij uitspraak van 17 november 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 december 2017, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. M.C. Boelens-Horn, zijn verschenen.

Na de zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend en de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: StAB) benoemd als deskundige voor het instellen van een onderzoek, ook in de zaak 201609908/1/A2. De StAB heeft op 1 maart 2018 een verslag uitgebracht. [appellant] en het college hebben ieder een zienswijze ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op 2 oktober 2018 voor de tweede keer ter zitting  gelijktijdig behandeld met zaak , waar [appellant] en [persoon] (voor zaak 201609791/1/A2) en het college, vertegenwoordigd door mr. M.C. Boelens-Horn en drs. R.F. Dijker-Lindhoud, en de StAB, vertegenwoordigd door P.A.H.M. Willems en mr. R. Veenhof, zijn verschenen.

Overwegingen

    Inleiding

1.    [appellant] is eigenaar van het perceel [locatie] te Mierlo. Hierop staan een langgevelboerderij en bijgebouwen. De boerderij is in gebruik als woning en als modevakschool. [appellant] houdt ongeveer 30 schapen en 25 konijnen en teelt fruit. Ten noorden van de woning staat een gecombineerde hoogspanningslijn (380/150 kV-lijn) in een weiland. Voorheen was op dezelfde locatie een 380 kV-lijn aanwezig.

2.    Op 6 mei 2012 heeft [appellant] bij het college een aanvraag ingediend om tegemoetkoming in planschade, bestaande uit vermindering van de waarde van de onroerende zaak, die hij stelt te hebben geleden, voor zover thans van belang, als gevolg van de (gedeeltelijke) inwerkingtreding van het bestemmingsplan Brandevoort II op 11 augustus 2007. Het plan maakt de uitbreiding van de wijk Hazenwinkel mogelijk tot vlak bij zijn perceel. Het plan is voorts de planologische basis voor het realiseren van een gecombineerde hoogspanningslijn (380/150 kV lijn) op korte afstand van zijn woning. Dit leidt volgens [appellant] tot verlies van uitzicht, tot gezondheidsrisico's voor zijn gezin en tot extra geluidbelasting.

    Besluitvorming college

3.    Het college heeft voor het op de aanvraag te nemen besluit advies gevraagd aan Hekkelman Advocaten N.V.

4.    Onder verwijzing naar dit advies heeft het college de aanvraag van [appellant] afgewezen bij besluit van 31 juli 2013.

5.    Hekkelman Advocaten heeft op 3 oktober 2013 wederom advies uitgebracht. Het college heeft deze adviezen ten grondslag gelegd aan de beslissing op bezwaar van 12 december 2013.

6.    De Afdeling heeft bij uitspraak van 17 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4750 in een andere procedure overwogen dat de schijn van partijdigheid kan worden gewekt door een deskundige die in het ene geval door een bestuursorgaan wordt ingeschakeld om een onafhankelijk advies uit te brengen, terwijl zij gelijktijdig of bijna gelijktijdig in een ander geval door hetzelfde bestuursorgaan wordt ingeschakeld om zijn belangen te behartigen of als zijn gemachtigde op te treden in een gerechtelijke procedure.

7.    Naar aanleiding van deze uitspraak heeft het college het besluit van 12 december 2013 ingetrokken en aan Tog Nederland BV advies gevraagd.

8.    Bij besluit van 4 februari 2016 heeft het college onder verwijzing naar dit advies de afwijzing van het verzoek om een tegemoetkoming gehandhaafd. In het advies van Tog van 8 januari 2016 is vermeld dat de komst van het woongebied Hazenwinkel leidt tot een planologisch nadeel van € 7000,00. Gelet op de getaxeerde waarde van de onroerende zaak direct voor de inwerkingtreding van het bestemmingsplan Brandevoort II en de forfaitaire drempel van 2% komt de schade niet voor vergoeding in aanmerking, omdat deze minder groot is dan het normaal maatschappelijk risico van € 11.000,00.

    Onder verwijzing naar het advies van Tog heeft het college zich voorts op het standpunt gesteld dat de bundeling van de 150 kV hoogspanningsleiding met de 380 kV hoogspanningsleiding in de directe nabijheid van de woning van [appellant] planologisch reeds mogelijk was op basis van het bestemmingsplan Landgoed Gulbergen. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1457 stelt Tog dat de combinatiehoogspanningsleiding geen extra gezondheidsrisico’s met zich brengt.

    Het verslag van de StAB van 15 juli 2014

9.    De rechtbank heeft op de voet van artikel 8:47 van de Awb de StAB tot deskundige benoemd voor het instellen van een onderzoek.

10.    De StAB een planologische vergelijking gemaakt tussen het bestemmingsplan Buitengebied 1997 en het bestemmingsplan Brandevoort II op de peildatum 11 augustus 2007. Daarbij heeft de StAB ook de maximale invulling van de  planologische mogelijkheden betrokken op grond van het bestemmingsplan Landgoed Gulbergen dat gold voor de gronden direct ten noorden van de woning van [appellant]. Het perceel van [appellant] en het direct ten oosten daarvan gelegen perceel waren op de peildatum geregeld in het bestemmingsplan Buitengebied.

11.    In het verslag van 15 juli 2014 heeft de StAB geconcludeerd dat de komst van het woongebied Hazenwinkel leidt tot een planologisch nadeliger situatie. Weliswaar mogen slechts buiten een aangeduide geurcontour woningen en maatschappelijke doeleinden worden gerealiseerd, maar als gevolg van de uitwerkingsmogelijkheid verandert het karakter van het gebied van een landelijke uitstraling naar een woonwijk. Volgens de StAB is er geen reden voor twijfel aan de taxatie van het nadeel door Tog en valt de waardedaling binnen het normaal maatschappelijk risico.

12.    In het verslag is voorst een planologische vergelijking gemaakt ten aanzien van de gecombineerde hoogspanningslijn. Geconcludeerd is dat de planologische wijziging niet heeft geleid tot planologisch nadeel ten aanzien  van uitzicht, geluid en gezondheidsrisico’s. Daartoe is het volgende vermeld.

13.    Op de gronden waarop het bestemmingsplan Brandevoort II zag, gold voorheen het bestemmingsplan Buitengebied 1997. Onder dit plan hadden de gronden onder de combinatiehoogspanningslijn een agrarische bestemming en een medebestemming ‘leidingen’ met een subbestemming ‘bovengrondse hoogspanningsleiding’. Deze medebestemming betrof een tracé van ongeveer 111 meter breed. Op de plankaart zijn twee parallel aan elkaar gelegen hoogspanningslijnen aangeduid: aan de noordzijde een 150 kV-lijn met een zone aan weerszijden van 25 meter en aan de zuidzijde een hoogspanningslijn van 380 kV met aan beide zijden een zone van 36 meter.  Voor de masten gold een maximale hoogte van 60 meter.

    In het bestemmingsplan Landgoed Gulbergen is een dubbelbestemming hoogspanningsleiding opgenomen met zones van respectievelijk 25 en 36 meter op gronden ten noorden van het perceel van [appellant]. De op de plankaart ingetekende hartlijnen hebben geen juridische status. In het plan zijn geen beperkingen opgenomen ten aanzien van het kilovoltage.

    In het bestemmingsplan Brandevoort II is voor de gronden een dubbelbestemming ‘bovengrondse hoogspanningsleidingen’ opgenomen met een breedte van 78 meter. De hoogte van de masten mag maximaal 60 meter bedragen. Op de plankaart is een dwarsprofiel opgenomen waarop staat dat het gaat om een combinatielijn van 380 kV en 150 kV. Dit dwarsprofiel is niet verwoord in voorschriften, zodat niet is geregeld waar de masten moeten staan.

14.    Volgens de StAB heeft [appellant] geen uitzichtschade geleden als gevolg van het bestemmingsplan Brandevoort II. Onder dit plan is een combinatie van twee hoogspanningslijnen in één mast mogelijk en dit is een voordeel ten opzichte van de mogelijkheid van twee afzonderlijke lijnen in  twee aparte masten. Voor de masten geldt zowel in de oude als de nieuwe situatie een maximale hoogte van 60 meter. Een eventuele zwaardere uitvoering van de masten voor de combinatiehoogspanningslijn betekent onder deze omstandigheden niet dat uitzichtschade zich voordoet.

15.     De wijziging leidt ook niet tot een planologisch nadeel wat betreft geluidbelasting. De StAB merkt op dat het geluid van de hoogspanningslijnen (het corona-effect) kan optreden, maar dat hiervoor geen wettelijke normering bestaat. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 29 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO9217, stelt de StAB dat de geluidtoename beperkt is tot 1,6 dB en dat kan door het menselijk oor nauwelijks worden herkend.

16.    De wijziging leidt evenmin tot toegenomen gezondheidsrisico’s volgens de StAB. Bij het bestemmingsplan Buitengebied 1997 behoorden indicatieve magneetveldzones van 150 meter (380 kV-lijn) en 80 meter (150 kV-lijn). De afstand van het hart van de 380 kV-lijn tot aan het woongedeelte van het pand aan de zuidkant van het perceel bedroeg ongeveer 45 meter. Dit betekent dat de jaargemiddelde sterkte van het magnetisch veld van de 380 kV-lijn meer dan 0,4 microtesla bedroeg. Ten aanzien van de magneetveldzone van de combinatiehoogspanningslijn, mogelijk gemaakt door het bestemmingsplan Brandenburg II, vermeldt de StAB dat door Petersburg Consultants B.V. ten behoeve van de reconstructie en de benodigde bouwvergunningen een berekeningsrapport is opgesteld. Daarbij is rekening gehouden met de advieswaarde van 0,4 microtesla, die op grond van het voorzorgbeginsel geldt. In het rapport van Petersburg van 11 januari 2012 is vermeld dat de magneetveldzone ter plaatse van de combinatiehoogspanningslijn 45 meter aan weerszijden van de lijn bedraagt. De StAB geeft aan geen twijfel te hebben aan de uitkomsten van de berekeningen in het rapport. Petersburg is een voor de berekeningen van specifieke magneetveldzones gecertificeerd bureau met een werkwijze in overeenstemming met de recent aangepaste RIVM-handreiking. De uitkomst is dat de magneetzone waarvoor de waarde 0,4 geldt, zal verkleinen en de woning van [appellant] daar nagenoeg buiten komt te liggen. Dit betekent volgens de StAB dat van een toename van gezondheidsrisico’s geen sprake is.

17.    De StAB heeft desgevraagd aan de rechtbank bevestigd in een nader verslag van  28 juni 2016 dat Tog in het advies van 8 januari 2016 tot dezelfde planologische conclusies is genomen als de StAB. Er is alleen een planologisch nadeel ten aanzien van de wijk Hazenwinkel. Nu de schade binnen het forfaitair normaal maatschappelijk risico valt, komt de schade niet voor vergoeding in aanmerking.

    Uitspraak van de rechtbank

18.    De rechtbank heeft ten aanzien van de vergoedbaarheid van de schade als gevolg van het planologisch mogelijk maken van de komst van de woonwijk Hazenwinkel geoordeeld dat Tog als een onafhankelijk deskundige moet worden aangemerkt en dat de StAB geen reden ziet voor twijfel aan de juistheid van de taxatie van Tog. Nu [appellant] wel stelt dat de schade velen malen hoger is, maar deze stelling niet heeft onderbouwd met een taxatierapport van een eigen deskundige, is er geen grond voor het oordeel dat het college zijn besluitvorming niet op het advies van Tog mocht baseren.

    De rechtbank is verder van oordeel dat het bestemmingsplan Brandevoort II de gecombineerde hoogspanningsleiding heeft mogelijk gemaakt en dat dit de enige wijziging is ten opzichte van het voorgaande planologische regime. Onder verwijzing naar het verslag van de  StAB heeft de rechtbank geoordeeld dat dit niet heeft geleid tot planologisch nadeel in de vorm van verlies van uitzicht, een toename van geluidoverlast of een toename van gezondheidsrisico’s.

    Gronden in hoger beroep

19.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat als gevolg van het bestemmingsplan Brandevoort II huizen staan ingetekend op 50 meter afstand van zijn perceel. Ten onrechte is in zowel het advies van Tog als in het verslag van de StAB vermeld dat niet binnen de geurcontour van 135 meter mocht worden gebouwd en dat slechts woningbouw op ruime afstand mogelijk zou zijn, waardoor uitzichtverslechtering zich niet voordoet. Daarbij is volgens hem miskend dat de geurcontour kan worden gewijzigd, zodat op kleine afstand van zijn perceel woningbouw mogelijk is.

20.    De rechtbank heeft verder miskend dat de gecombineerde hoogspanningsleiding in de nabijheid van het perceel tot waardedaling van de woning heeft geleid van de woning. Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen dat deze schade ook onder het oude regime zou zijn ontstaan. De samenvoeging heeft gezondheidsrisico’s tot gevolg omdat de voorheen op grotere afstand van zijn woning aanwezige 150 kV-hoogspanningslijn nu dichter bij zijn woning is door de samenvoeging van de lijnen op de plaats van de voormalige 380 kV verbinding. Ook is miskend dat daardoor de geluidoverlast is toegenomen.

    Eerste beoordeling in hoger beroep

Taxatie van planologisch nadeel als gevolg komst woongebied Hazenwinkel

21.    De bestuursrechter kan een taxatie slechts terughoudend toetsen. Daarbij is van belang dat de waardering van onroerende zaken niet slechts door het toepassen van een taxatiemethode plaatsvindt, maar daarbij ook de kennis, ervaring en intuïtie van de desbetreffende deskundige een rol spelen.

22.        De maatstaf bij de te verrichten toetsing is niet de eigen waardering door de rechter van de nadelen van de planologische wijziging, maar de vraag of grond bestaat voor het oordeel dat het bestuursorgaan, gelet op de motivering van het advies van de door het bestuursorgaan ingeschakelde deskundige, zich bij de besluitvorming niet in redelijkheid op dat deskundigenoordeel heeft kunnen baseren. Dit laat onverlet dat de besluitvorming dient te voldoen aan de eisen die  het recht aan de zorgvuldigheid en de motivering stelt en dat de rechter de besluitvorming daaraan dient te toetsen. Zie (onder 8.11 van) de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 28 september 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2582).

23.    Anders dan [appellant] betoogt, zijn er geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het college de nadelige gevolgen van de planologische verandering verkeerd heeft ingeschat wat betreft de komst van het woongebied Hazenwinkel. Voor zover [appellant] betoogt dat door wijziging van de geurhindercontour woningen op dichtere afstand van het perceel mogelijk zijn, is van belang dat in deze procedure gestelde schade als gevolg van een mogelijke toekomstige wijziging van die contour niet ter beoordeling staat en dat het bestemmingsplan Brandevoort II en de daarin genoemde geurhindercontour uitgangspunt is voor de beoordeling van het planologisch nadeel.

24.     Voor zover [appellant] betoogt dat de schade ook anderszins te laag is getaxeerd is van belang, dat hij dit niet aannemelijk heeft gemaakt, bijvoorbeeld door het overleggen van een taxatierapport. De enkele stelling dat Tog de verkeerde referentieobjecten heeft gebruikt, biedt geen aanknopingspunten voor twijfel over de juistheid of volledigheid van het advies van Tog. Er is derhalve geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college dit advies niet aan haar besluitvorming ten grondslag mocht leggen.

Het betoog faalt.

Planologisch nadeel als gevolg van de combinatiehoogspanningslijn

25.    Voor de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade dient te worden onderzocht of de aanvrager als gevolg van de desbetreffende wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren en schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient het planologische regime na de inwerkingtreding van de wijziging, waarvan gesteld wordt dat deze schade heeft veroorzaakt, te worden vergeleken met het onmiddellijk daaraan voorafgaande planologisch regime. In die vergelijking dient in beginsel te worden uitgegaan van het realiseren van de maximale mogelijkheden van het oude en nieuwe planologische regime. Indien het realiseren van de maximale mogelijkheden van het oude en nieuwe planologische regime met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, bestaat aanleiding voor afwijking van dit uitgangspunt.

26.    Wanneer, op basis van de door een partij aangevoerde concrete aanknopingspunten voor twijfel, gerede twijfel bestaat over de juistheid van het advies dat het bestuursorgaan aan zijn besluit ten grondslag heeft gelegd, mag de rechter met toepassing van artikel 8:47 van de Awb een deskundige benoemen voor het instellen van een onderzoek. Een bestuursrechter mag in beginsel afgaan op de inhoud van het verslag van een deskundige als bedoeld in artikel 8:47 van de Awb. Dat is slechts anders indien dat verslag onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen of anderszins zodanige gebreken bevat, dat het niet aan de oordeelsvorming ten grondslag mag worden gelegd (overzichtsuitspraak van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582).

27.    [appellant] heeft concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het StAB advies naar voren gebracht. Het bestemmingsplan Brandevoort II bevat geen regeling van het aantal hoogspanningslijnen dat binnen de voor "bovengrondse hoogspanningsleidingen" bestemde gronden kan worden gerealiseerd. Evenmin is onderkend dat de locaties van de hoogspanningslijnen binnen de aldus bestemde gronden en de maximale lijncapaciteit (het maximumvoltage) van deze lijnen niet geregeld zijn. De Afdeling heeft hierom aanleiding gezien de StAB te benoemen tot deskundige voor het instellen van een nader onderzoek naar de vraag of inwerkingtreding van het bestemmingsplan Brandevoort II tot planologisch nadeel heeft geleid en zo ja, welk nadeel.

    Het verslag van de StAB van 1 maart 2018

28.    In het StAB-verslag van 1 maart 2018 is als uitgangspunt gehanteerd dat de combinatie van een 380 kV-lijn met een 150 kV-lijn niet kan worden aangemerkt als de maximale invulling van de planologische mogelijkheden. Ook andere combinaties, zoals 380 kV/220 kV of 380 kV/380 kV zijn mogelijk. Daarnaast dient voor de maximale invulling van de dubbelbestemming te worden uitgegaan van een situering van de combinatiemast binnen de dubbelbestemming die de meest nadelige effecten en daarmee de meest ongunstige situatie voor [appellant] met zich brengt.

29.    In het verslag is ingegaan op de schadefactoren omvang van de magneetveldzones, geluidhinder in de vorm van corona-effecten en uitzicht.

Magneetveldzones en gezondheidsrisico’s

30.    In het verslag is vermeld dat er geen duidelijke relatie bestaat tussen de hoogte van de spanning (maximumvoltage) en de omvang van de magneetveldzone. Daartoe wijst de StAB op een rapport van Petersburg Consultants B.V. van 30 september 2005. De omvang van de magneetveldzone is afhankelijk van een groot aantal factoren. Naast voltage en stroomsterkte, zijn ook uitvoeringsaspecten van belang. In het rapport van Petersburg Consultants van 11 januari 2012 zijn de specifieke magneetveldzones van de combinatiemast van 150 kV-lijn en de 380 kV-lijn vermeld. Dit leidt niet tot de conclusie dat dit heeft geleid tot een planologische verslechtering. Indien moet worden aangenomen dat een combinatiemast met een hogere spanning zou leiden tot een grotere magneetveldzone, is volgens de StAB van belang dat op basis van thans beschikbare wetenschappelijke inzichten geen reden bestaat een oorzakelijk verband aan te nemen tussen het wonen nabij een hoogspanningslijn en het ontstaan van gezondheidsschade. Tot slot is volgens de StAB van belang dat op de nabijgelegen gronden een combinatie van lijnen mogelijk was, waarbij evenmin het kilovoltage was vastgelegd.

Het corona-effect

31.    De corona-effecten worden in belangrijke mate bepaald door factoren die geen verband houden met de hoogte van de spanning, waaronder vuil of onregelmatigheden op de lijn en weersomstandigheden. Onder het oude planologische regime waren reeds twee separate hoogspanningsleidingen van 380 kV en 150 kV mogelijk ten gevolge waarvan geluidhinder in de vorm van het corona-effect kon worden ondervonden. Uit het KEMA-rapport van 26 april 2010 volgt dat door de uitbreiding van het aantal leidingen in een mast de geluidbelasting wat kan toenemen. De combinatie van een 380 kV-lijn met een 150 kV-lijn betekent niet automatisch dat de toename van de geluidbelasting groter zal zijn dan 1,6 dB(A). Een toename van 1,6 dB(A) zal door het menselijke oor niet of nauwelijks worden herkend.

Uitzicht

32.    In het verslag is vermeld dat de bebouwingsmogelijkheden in het nieuwe en het voorgaande bestemmingsplan in beginsel gelijk zijn. De hoogspanningsmasten mogen in beide situaties maximaal 60 meter hoog worden. Een andere combinatie dan een combinatie 380 kV/150 kV, zoals 380kV/220 kV of 380 kV/380 kV, leidt niet zonder meer tot een zwaarder uitgevoerde mast. Een hoogspanningsverbinding is niet massief van aard. Daarbij komt dat ongeacht de zwaarte in kilovoltage en de situering binnen de dubbelbestemming, er zicht bestaat op de hoogspanningsmast. Nu onder het oude regime twee hoogspanningsmasten mogelijk waren, is er geen verslechtering van het uitzicht onder het nieuwe regime.

    Zienswijze [appellant]

33.    [appellant] betoogt dat de 380 kV-mast zich op 34 meter van zijn woning bevond en er dus geen hoogspanningslijn mogelijk was op de tussengelegen gronden. Ook stelt hij dat de combinatie hoogspanningslijn tot extra geluidoverlast heeft geleid. Volgens [appellant] had de StAB niet mogen verwijzen naar het KEMA-rapport van 26 april 2010, omdat dit rapport ziet op Wintrackmasten, terwijl de mast die bij zijn woning staat een zogenoemde Combi-Donau is. Tot slot betoogt [appellant] dat uit het rapport van Petersburg van 24 juni 2016 volgt dat de bij de combinatiehoogspanningslijn behorende magneetveldzone is toegenomen ten opzichte van de 380 kV-lijn die voorheen op die plek stond. Daarbij komt dat het nieuwe bestemmingsplan een combinatie van twee 380-kV lijnen mogelijk maakt, hetgeen tot een verdere vergroting van de magneetveldzone zal leiden. In dit verband wijst hij op de daling van de WOZ-waarde van zijn woning van € 145.000,00 na plaatsing van de combinatie hoogspanningslijn in 2012.

    Tweede beoordeling hoger beroep

Tussengelegen/nabijgelegen gronden

34.    Het bestemmingsplan Buitengebied 1997 vormde de planologische basis voor de realisering van de 380 kV-lijn. Aan beide zijden gold een zone van 36 meter. De woning van [appellant] lag op een afstand van 34 meter van de hoogspanningsmast. [appellant] betoogt op zich terecht dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid moet worden uitgesloten dat op de tussenliggende gronden een andere hoogspanningslijn mogelijk was. Dat laat onverlet dat in het bestemmingsplan Landgoed Gulbergen een dubbelbestemming hoogspanningsleiding is opgenomen op nabijgelegen gronden direct ten noorden van het perceel van [appellant]. De verslagen van de StAB dienen ook in deze zin te worden begrepen.

Het betoog faalt.

Uitzicht

35.    De bebouwingsmogelijkheden in het nieuwe en voorgaande bestemmingsplan zijn in beginsel gelijk. De hoogspanningsmasten mogen maximaal 60 meter hoog zijn. In de oude situatie waren twee aparte lijnen mogelijk en in de nieuwe situatie is een gecombineerde lijn mogelijk. Dat een hoger kilovoltage in beginsel een zwaarder uitgevoerde mast betekent en dat, zoals [appellant] stelt, de maximale hoogte met 10% toeneemt, laat onverlet dat onder het nieuwe regime de oude 150 kV-lijn planologisch niet meer mogelijk is. Er is geen grond voor het oordeel dat de planologische wijziging een verslechtering van het uitzicht tot gevolg heeft.

Het betoog faalt.

Corona-effect

36.    In het verslag van de StAB is vermeld dat als gevolg van de uitbreiding van een dubbel-circuitvariant (380 kV) naar een viercircuitvariant (380 kV/150 kV) het geluidniveau vanwege een toename van het aantal leidingen zal toenemen met ongeveer 1,6 dB(A). Een andere uitvoering van de combinatie (bijvoorbeeld 380/380kV) betekent niet dat de toename wezenlijk groter zal zijn dan 1,6 dB(A), omdat het corona-effect wordt veroorzaakt door factoren die geen verband houden met de spanning en vooral te maken heeft met de configuratie van de lijnen en weersomstandigheden. Omdat weinig informatie voorhanden is met betrekking tot de geluidniveaus van coronageluid, heeft de StAB aansluiting gezocht bij de bevindingen van het KEMA-rapport van 26 april 2010. Dat, zoals [appellant] betoogt, het KEMA-rapport is gebaseerd op Wintrackmasten en die conclusies niet zonder meer houdbaar zijn voor Combi Donaumasten, is onvoldoende voor het oordeel dat de StAB zich niet op het Kema-rapport mocht baseren. De enkele stelling dat Wintrackmasten hoger zijn, is onvoldoende voor het oordeel dat de lijntypes zozeer verschillen, dat voor het aspect geluid niet gewezen kan worden op het KEMA-rapport.

Gezondheidsrisico’s door de combinatiehoogspanningsleiding

37.    Niet in geschil is dat de woning van [appellant] een gevoelige bestemming betreft, die onder het oude regime was gesitueerd in de magneetveldzone van 0,4 microtesla van de oude 380 kV-hoogspanningslijn. In het verslag van de StAB van 15 juli 2014 is vermeld dat ter hoogte van de woning van [appellant] de jaargemiddelde sterkte van het magnetische veld van de bovengrondse 380- kV hoogspanningslijn meer dan 0,4 microtesla bedroeg, omdat dit veld op weerszijden van de mast op 75 meter lag en de afstand van het hart van de 380 kV-lijn tot aan het woongedeelte van het pand 45 meter bedroeg. Volgens het verslag van de StAB van 15 juli 2014 wordt de magneetveldzone in de nieuwe planologische situatie verkleind tot 45 meter aan weerszijden van de mast. Zoals volgt uit hetgeen is overwogen onder 27, houdt die conclusie niet zonder meer stand, omdat deze is gebaseerd op de feitelijk aanwezige 380/150 kV-combinatielijn op een afstand van 45 meter van de woning van [appellant]. Hierbij is geen rekening gehouden met de maximale planologische mogelijkheden waardoor een 380/380 kV-combinatielijn op kortere afstand van de woning kan worden gerealiseerd. Daarbij komt dat, zoals de StAB in het verslag van 1 maart 2018 vermeldt, indien in de berekening rekening wordt gehouden met effecten van meervoudige verbindingen op basis van de Handreiking van het RIVM, waarin extra rekenregels zijn opgenomen voor het verrekenen van effecten van verschillende hoogspanningslijnen in elkaars nabijheid en effecten van meervoudige verbindingen in een gemeenschappelijke hoogspanningslijn,  voor het perceel van [appellant] uitgegaan moet worden van een vergroting van de eerder berekende magneetveldzone behorend bij de 380/150 kV-lijn, te weten 75/84 meter.

38.    De StAB stelt zich in het verslag van 1 maart 2018 op het standpunt dat ook als wordt uitgegaan van de maximale invulling, te weten een 380/380 kV-combinatiemast die dichterbij kan worden geplaatst, omdat de situering binnen de dubbelbestemming niet vastligt, er geen reden is om uit te gaan van een planologische verslechtering. Daartoe stelt de StAB dat niet zonder meer gesteld kan worden dat een combinatie met een hogere stroombelasting, leidt tot een grotere magneetveldzone. De omvang van een magneetveldzone is afhankelijk van een groot aantal factoren, zoals voltage, stroomsterkte, uitvoering van de mast en de wijze waarop de lijnen in de mast zijn gehangen. Dat betekent dat in feite pas inzicht kan worden verkregen in de effecten van het nieuwe bestemmingsplan op het moment dat de wijze van uitvoering van de hoogspanningsleidingen concreet vorm krijgt, aldus de StAB. De Afdeling deelt dit standpunt niet. Voor de beoordeling van de vraag of het nieuwe regime in planologisch opzicht nadeliger is, moet worden uitgegaan van een representatieve invulling van de magneetveldzone, uitgaande van de situering van een  380/380 kV-combinatiemast binnen de dubbelbestemming die de meest ongunstige situatie voor [appellant] met zich brengt. Daarbij dient in ieder geval de Handreiking van het RIVM, waarin extra rekenregels voor het verrekenen van effecten van verschillende hoogspanningslijnen in elkaars nabijheid en effecten van meervoudige verbindingen in een gemeenschappelijke hoogspanningslijn zijn opgenomen, te worden gehanteerd.

39.    Anders dan [appellant] kennelijk betoogt, staat niet op grond van de door hem zelf uitgevoerde metingen op voorhand vast dat de situatie in planologisch opzicht slechter is geworden. Daargelaten dat de metingen niet door een deskundige zijn uitgevoerd, is van belang dat specifieke magneetveldzones worden berekend aan de hand van vereenvoudigingen, die ertoe leiden dat de berekende specifieke magneetveldzone niet de werkelijke sterkte van het magnetische veld op een bepaalde locatie op een bepaald tijdstip weergeeft, maar een in de toekomst te verwachten magneetveldzone. In zoverre heeft beleid gebaseerd op het voorzorgbeginsel geen relatie met actueel optredende magneetvelden, maar uitsluitend met de zone waarbinnen bij een berekening volgens de Handreiking van het RIVM het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla.

40.    De conclusie in het verslag van de StAB van 1 maart 2018 dat een eventuele planologische verslechtering niet leidt tot planologisch nadeel, omdat vrees voor gezondheidsschade niet objectiveerbaar is, nu op basis van beschikbare wetenschappelijke inzichten geen reden bestaat om een oorzakelijk verband aan te nemen tussen het wonen in de omgeving van een hoogspanningslijn en het ontstaan van gezondheidsschade, kan in dit geval niet zonder meer worden gevolgd. Daartoe wordt als volgt overwogen.

41.     Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling spelen subjectieve elementen, zoals een negatieve gevoelswaarde bij een bestemming, geen rol bij de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade. In de vergelijking tussen het oude en nieuwe planologische regime zijn slechts de ruimtelijke gevolgen en de objectief te verwachten overlast van een bestemming relevant. Zie onder 2.12 van de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 28 september 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2582). Dit uitgangspunt geldt evenzeer voor de vaststelling van een eventuele waardevermindering (zie de uitspraak van de Afdeling van 13 juni 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA7100).

42.    Met betrekking tot de langetermijneffecten van hoogspanningsverbindingen op de gezondheid is op rijksniveau beleid ontwikkeld. Dit beleid is gebaseerd op het Europese voorzorgbeginsel. Bij brief van de toenmalige staatssecretaris van VROM van 3 oktober 2005, kenmerk SAS/2005183118, nadien bevestigd en verduidelijkt in een brief van de toenmalige minister van VROM van 4 november 2008, kenmerk DGM\2008105664 (www.rijksoverheid.nl), is een advies aan gemeenten en provincies gezonden met betrekking tot de aanwezigheid van hoogspanningsverbindingen in de nabijheid van gevoelige bestemmingen in verband met gezondheidsrisico's. Het advies houdt in om bij de vaststelling van streek- en bestemmingsplannen en van de tracés van bovengrondse hoogspanningslijnen zoveel als redelijkerwijs mogelijk is te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied onder bovengrondse hoogspanningsverbindingen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla (de magneetveldzone). In de brief wordt geadviseerd zo weinig mogelijk gevoelige bestemmingen, zoals woningen, crèches en kinderopvangplaatsen, te situeren in de specifieke zone. Volgens de brief is de reden hiervan dat mogelijk een statistisch significante associatie aanwezig is tussen het optreden van leukemie bij kinderen en de magnetische velden van bovengrondse hoogspanningsverbindingen.

43.    Indien komt vast te staan dat het perceel van [appellant] onder een maximale invulling van het planologische regime dieper in de zone van 0,4 microtesla komt te liggen, kan in het licht van het hiervoor uiteengezette beleid niet staande worden gehouden dat een redelijk denkend en handelend koper dit niet zal meewegen bij zijn beslissing om de woning te kopen. In dat geval kan de gestelde vrees voor het ontstaan van gezondheidsschade als gevolg is van het wonen in de buurt van een hoogspanningslijn niet als een subjectieve beleving of onbestemde angst worden afgedaan. Dat het oorzakelijke verband niet vast staat, laat onverlet dat een statistisch significant verband tot het advies van de Gezondheidsraad heeft geleid om in verband met het voorzorgbeginsel een dergelijk beleid te voeren.

Het betoog slaagt.   

WOZ-waarde

44.    Bij het vaststellen van de WOZ-waarden wordt niet, zoals bij het maken van een planologische vergelijking, gekeken naar de maximale invulling van het planologische regime, maar is vooral de feitelijke situatie bepalend. Dit neemt evenwel niet weg dat onder omstandigheden een nadere motivering kan worden verlangd voor het verschil tussen de in het kader van de planschade en de in het kader van de WOZ vastgestelde waardebepalingen. Zie onder 4.7 van de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 28 september 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2582). In dit geval stelt het college zich op het standpunt dat een eventuele planologische verslechtering zich niet vertaalt in planologisch nadeel in de vorm van waardevermindering [appellant] heeft de waardedaling van zijn woning inzichtelijk gemaakt aan de hand van de WOZ-waardes. De door hem gestelde daling van de WOZ-waarde van € 145.000,00, opgetreden na feitelijke plaatsing van de combinatiehoogspanningslijn, wordt niet betwist door het college. Het ligt in de rede dat het college nader onderzoekt in hoeverre de planologische verslechtering heeft geleid tot waardedaling. Het college nader dient te onderzoeken in hoeverre de waardedaling het gevolg is van de planologische wijziging. Daarbij dient te worden betrokken dat het perceel van [appellant] zich bevindt op de grens van de bestemmingsplannen Brandevoort II en Landgoed Gulbergen.

Het betoog slaagt.

Conclusie

45.    Ingevolge artikel 8:51d van de Awb kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. De Afdeling ziet, in het belang van een spoedige beëindiging van het geschil, aanleiding het college op de voet van deze bepaling op te dragen de in deze tussenuitspraak vastgestelde gebreken in het besluit van 3 februari 2016 binnen 26 weken na verzending van deze tussenuitspraak te herstellen, door dat besluit alsnog toereikend te motiveren dan wel te wijzigen.

46.    Het college dient te bezien of een maximale invulling van het nieuwe planologische regime, de plaatsing van een 380/380 kV-combinatielijn ten opzichte van de woning van [appellant] meest ongunstige plaats, het mogelijk maakt dat de woning dieper binnen een magneetveldzone met een hoger jaargemiddelde dan 0,4 microtesla komt te liggen. Het college dient daartoe een onafhankelijke deskundige dient in te schakelen, die dient uit te gaan van een representatieve invulling van een bij een combinatielijn behorende magneetveldzone. Daarbij dient te worden uitgegaan van rekenregels van het RIVM voor het verrekenen van effecten van meervoudige verbindingen in een gemeenschappelijke hoogspanningslijn.

Het college dient tevens alsnog te beoordelen in hoeverre de door [appellant] gestelde waardedaling van zijn woning het gevolg is van de planologische wijziging en voor vergoeding in aanmerking komt.

47.    In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht door [appellant].

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

a. draagt het college van burgemeester en wethouders van Helmond op om binnen 26 weken na de verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van de overwegingen ervan de gebreken in het besluit van 3 februari 2016 te herstellen, en

b. de Afdeling de uitkomst mede te delen en een eventueel gewijzigd besluit op de wettelijke voorgeschreven wijze bekend te maken en dit ook aan de Afdeling toe te zenden.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten Hinloopen, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. E.A. Minderhoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen    w.g. Planken

voorzitter                         griffier    

Uitgesproken in het openbaar op 14 november 2018

299.