Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:3688

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-11-2018
Datum publicatie
14-11-2018
Zaaknummer
201800365/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2017:14332, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 oktober 2016 heeft het college aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een woning van twee bouwlagen op de bedrijfsruimte [locatie] te Den Haag (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201800365/1/A1.

Datum uitspraak: 14 november 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Den Haag,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 6 december 2017 in zaak nr. 17/3287 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

Procesverloop

Bij besluit van 20 oktober 2016 heeft het college aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een woning van twee bouwlagen op de bedrijfsruimte [locatie] te Den Haag (hierna: het perceel).

Bij besluit van 27 maart 2017 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 december 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 27 maart 2017 vernietigd, het bezwaar tegen het besluit van 20 oktober 2016 niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 27 maart 2017. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 oktober 2018, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde A] en mr. I. Stolze, advocaat te Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.W. van Amerongen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder], bijgestaan door [gemachtigde B], als belanghebbende gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    Bij besluit van 7 oktober 2014 heeft het college aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een woning van twee bouwlagen op de bedrijfsruimte op het perceel.

    Bij uitspraak van 21 april 2016 heeft de rechtbank het daartegen door [appellant] ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 7 oktober 2014 vernietigd.

    Bij brief van 31 mei 2016 heeft het college hiertegen hoger beroep ingesteld.

    Op 30 juni 2016 is het bestemmingsplan "Statenkwartier" in werking getreden.

    Op 15 juli 2016 heeft [vergunninghouder] opnieuw een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend voor het bouwen van een woning van twee bouwlagen op de bedrijfsruimte op het perceel.

    Bij besluit van 20 oktober 2016 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend met een binnenplanse ontheffing van het bestemmingsplan "Statenkwartier".

    Bij brief van 19 december 2016 heeft het college het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank van 21 april 2016 ingetrokken.

Het hoger beroep van [appellant]

2.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte zijn bezwaar tegen het besluit van 20 oktober 2016 niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens een niet verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn.

    De rechtbank heeft volgens [appellant] niet onderkend dat het besluit van 20 oktober 2016 dient te worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Dit besluit maakte van rechtswege deel uit van de op dat moment nog lopende hoger beroepsprocedure bij de Afdeling in verband met de bij besluit van 7 oktober 2014 verleende omgevingsvergunning. Volgens [appellant] ziet het besluit van 20 oktober 2016 niet op een substantieel nieuw feitencomplex. Het besluit wijkt voorts inhoudelijk en feitelijk niet af van het oorspronkelijke besluit tot vergunningverlening, het berust niet op een andere bevoegdheidsgrondslag en het roept geen andere rechtsgevolgen in het leven. Artikel 6:19 was volgens [appellant] daarom van toepassing op het moment dat het college op 19 december 2016 de hoger beroepsprocedure inzake het besluit van 7 oktober 2014 introk. Er was een beroep van rechtswege ontstaan. Het indienen van een bezwaarschrift tegen het besluit van 20 oktober 2016 was dan ook niet nodig, aldus [appellant].

2.1.    Artikel 6:19 van de Awb luidt: "1. Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

(…)."

    Artikel 6:24 luidt: "Deze afdeling is met uitzondering van artikel 6:12 van overeenkomstige toepassing indien hoger beroep, incidenteel hoger beroep, beroep in cassatie of incidenteel beroep in cassatie kan worden ingesteld."

2.2.    De Afdeling stelt vast dat ten tijde van het besluit van 7 oktober 2014 het bestemmingsplan "Statenkwartier en omgeving" van kracht was. Aan het perceel was de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" toegekend.

    Het besluit van 20 oktober 2016 is genomen naar aanleiding van een nieuwe aanvraag om omgevingsvergunning van [appellant]. Op dat moment was het bestemmingsplan "Statenkwartier" in werking getreden en waren aan het perceel de bestemmingen "Wonen-1",

"Waarde-cultuurhistorie" en "Waarde-Archeologie" en de functieaanduiding "bedrijf" toegekend. Het bouwplan was ten tijde van het besluit van 20 oktober 2016 grotendeels in overeenstemming met het bestemmingsplan. Uitsluitend ten aanzien van de in het bouwplan opgenomen erker aan de voorzijde, die het bouwvlak overschrijdt, en de naar openbaar toegankelijk gebied gerichte gewijzigde gevel is ontheffing verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, 1o van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).

2.3.    Het besluit van 20 oktober 2016 is voor het college aanleiding geweest om op 19 december 2016 het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank van 21 april 2016 in te trekken.

    De Afdeling stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de aan de onderscheiden besluiten van 7 oktober 2014 en 20 oktober 2016 ten grondslag gelegde bouwplannen inhoudelijk hetzelfde zijn. Voorts heeft het college beide besluiten genomen met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo, met dien verstande dat het besluit van 7 oktober 2014 is verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, 3o en het besluit van 20 oktober 2016 met toepassing van 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, 1o. De besluiten berusten derhalve op dezelfde bevoegdheidsgrondslag. Gelet op deze omstandigheden bestaat naar het oordeel van de Afdeling tussen het door de rechtbank vernietigde besluit van 7 oktober 2014 en het besluit van 20 oktober 2016 een zodanige samenhang, dat dit laatste besluit is aan te merken als een besluit ter vervanging van het besluit van 7 oktober 2014.     

    Gelet hierop heeft de rechtbank naar het oordeel van de Afdeling ten onrechte geen aanleiding gezien om het besluit van 20 oktober 2016 aan te merken als een besluit in de zin van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb. Het enkele feit dat een nieuwe aanvraag aan het besluit van 20 oktober 2016 ten grondslag is gelegd, leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank heeft naar het oordeel van de Afdeling ten onrechte niet onderkend dat [appellant], zoals hij terecht betoogt, niet afzonderlijk bezwaar had behoeven te maken tegen het besluit van 20 oktober 2016, zodat voor niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van [appellant] wegens een niet verschoonbare termijnoverschrijding geen grond bestond.

    Het betoog slaagt.

3.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de beroepsgronden van [appellant] tegen het besluit van 27 maart 2017 inhoudelijk beoordelen.

4.    [appellant] betoogt dat het college ten onrechte omgevingsvergunning heeft verleend voor hetzelfde bouwplan als het bouwplan dat ten grondslag was gelegd aan de op 7 oktober 2014 verleende omgevingsvergunning. [appellant] wijst er op dat de rechtbank bij uitspraak van 21 april 2016 het beroep tegen de omgevingsvergunning van 7 oktober 2014 gegrond heeft verklaard omdat niet aan de Haagse bezonningsnorm was voldaan. Volgens [appellant] valt niet in te zien dat thans wel aan de bezonningsnorm is voldaan, aangezien zowel de desbetreffende norm als het bouwplan niet zijn gewijzigd. Voorts betoogt [appellant] dat sprake zal zijn van uitzichtverlies als gevolg van het bouwplan. Verder treedt verlies van privacy op, nu vanaf het in het bouwplan voorziene buitenterras op de tweede verdieping in de tuin en woning van [appellant] kan worden gekeken. Het bouwwerk met een blinde muur van 10 m hoog en een buitenterras op enkele centimeters van de erfgrens levert volgens [appellant] voorts een evidente privaatrechtelijke belemmering op die aan vergunningverlening in de weg staat. Daarnaast is sprake van een aanzienlijke waardevermindering van zijn woning als gevolg van het bouwplan, aldus [appellant].

4.1.    Artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo luidt: "Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

1o. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,

(…)."

    Artikel 25, lid 25.2 van de planregels behorende bij het bestemmingsplan "Statenkwartier" luidt: "Voor het bouwen binnen de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie' als bedoeld in artikel 25.1 gelden de volgende regels:

(…)

d. in aanvulling op het in voorafgaande sub-leden gestelde, dient bij karakteristieke panden of ensembles zoals opgenomen in bijlage 12 bij de regels van dit plan, de naar openbaar toegankelijk gebied gerichte gevelindeling en de kapvorm gehandhaafd te blijven;

(…)."

    Artikel 25, lid 25.3, luidt: "Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van artikel 25.2 onder d ten behoeve van een afwijkende naar openbaar toegankelijk gebied gerichte gevelindeling en kapvorm, mits naar het oordeel van de commissie als hiervoor bedoeld of een deskundige op het gebied van de Monumentenzorg, de oorspronkelijke waardevolle karakteristiek van het pand of ensemble niet wordt aangetast."    

    Artikel 31, lid 31.1, luidt: "Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de regels van het plan ten behoeve van:

(…)

b. geringe afwijkingen van bestemmingsgrenzen, bouwvlakken, functieaanduidingen en maatvoeringsvlakken tot een maximum van 1 meter;

(…)."

4.2.    De Afdeling stelt vast dat op de verbeelding is aangegeven dat de maximaal toegestane bouwhoogte ter plaatse van het perceel 10 m is. Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwplan 9.80 m hoog is. De in het bouwplan opgenomen uitstekende erker overschrijdt echter het bouwvlak, hetgeen in strijd is met artikel 19.2.1. van de planregels behorende bij het bestemmingsplan "Statenkwartier". Voorts is gebleken dat de aanvraag niet voldoet aan artikel 25, lid 25.2, omdat de naar openbaar toegankelijk gebied gerichte gevel wijzigt. Het college heeft, deze aspecten van het bouwplan in aanmerking genomen, omgevingsvergunning verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, 1o, van de Wabo, alsmede de artikelen 25, lid, 25.3 en 31, lid 31.1, aanhef en onder b, van de planregels behorende bij het bestemmingsplan "Statenkwartier". Hierbij heeft het college in aanmerking genomen dat de welstands- en monumentencommissie op 17 augustus 2016 positief heeft geadviseerd ten aanzien van het bouwplan.

4.3.    Het college heeft naar het oordeel van de Afdeling in het kader van de verlening van de omgevingsvergunning terecht uitsluitend de belangen die worden geraakt door de onderdelen van het bouwplan waarvoor omgevingsvergunning is verleend in afwijking van het bestemmingsplan, te weten de erker aan de voorzijde van het pand en de naar openbaar toegankelijk gebied gerichte gewijzigde gevel, bij de belangenafweging betrokken.

    Nu de bouwhoogte van het bouwplan 9.80 m is en ter plaatse op grond van het bestemmingsplan een bouwhoogte van 10 m is toegestaan, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat de als gevolg van deze bouwhoogte mogelijk optredende hinder niet kan leiden tot het oordeel dat de omgevingsvergunning ten onrechte is verleend.

    Daarnaast heeft het college er terecht op gewezen dat de in opdracht van [appellant] opgestelde bezonningsonderzoeken van iTX Bouwconsult uit 2014 en 2016 zien op de effecten van het gehele bouwplan en niet op effecten die optreden als gevolg van de met de verleende omgevingsvergunning toegestane afwijkingen van het bestemmingsplan.

    Ten aanzien van de erker, die het bouwvlak overschrijdt en is vergund in afwijking van het bestemmingsplan, heeft het college naar het oordeel van de Afdeling terecht geconcludeerd dat deze is gesitueerd aan de voorzijde van het pand en daarom niet van invloed is op de bezonning op de panden van omwonenden aan de achterzijde. Voorts ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de als gevolg van de in het bouwplan voorziene erker en de gewijzigde gevel optredende effecten op het gebied van lichtinval, uitzicht, privacy en waardevermindering van de woning van [appellant] van dien aard zijn dat het college de omgevingsvergunning had moeten weigeren.

    Het betoog faalt.

5.    Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellant] tegen het besluit van 21 maart 2017 alsnog ongegrond verklaren.

6.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 6 december 2017 in zaak nr. 17/3287;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Den Haag tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 501,00 toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Den Haag aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 253,00 (zegge: tweehonderddrieënvijftig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Melenhorst, griffier.

w.g. Slump    w.g. Melenhorst

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 november 2018

490.