Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:3679

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-11-2018
Datum publicatie
14-11-2018
Zaaknummer
201708276/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 januari 2017 heeft het college [appellant sub 2] gelast de bewoning van de bovenverdieping aan de [locatie A] te Santpoort-Zuid (hierna: de bovenverdieping) die niet ten dienste staat van de bestemming garagebox binnen vier maanden te (laten) staken en gestaakt te (laten) houden, op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 ineens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2019/79
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201708276/1/A1.

Datum uitspraak: 14 november 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    het college van burgemeester en wethouders van Velsen, gevestigd te IJmuiden, gemeente Velsen,

2.    [appellanten sub 2] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]), wonend te Santpoort-Zuid, gemeente Bloemendaal,

appellanten,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de voorzieningenrechter) van 5 september 2017 in zaak nrs. 17/3239 en 17/3240 in het geding tussen:

[appellant sub 2],

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 23 januari 2017 heeft het college [appellant sub 2] gelast de bewoning van de bovenverdieping aan de [locatie A] te Santpoort-Zuid (hierna: de bovenverdieping) die niet ten dienste staat van de bestemming garagebox binnen vier maanden te (laten) staken en gestaakt te (laten) houden, op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 ineens.

Bij besluit van 13 juli 2017 heeft het college het door [appellant sub 2] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 september 2017 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank, voor zover thans van belang, het door [appellant sub 2] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 13 juli 2017 vernietigd, het besluit van 23 januari 2017 herroepen en bepaalt dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

[appellant sub 2] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 september 2018, waar [appellant sub 2], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. R.A.J. de Jong en B.C. Stuifbergen, zijn verschenen.

Overwegingen

        In het hoger beroep van het college

1.    [appellant sub 2] is sinds 4 april 1994 eigenaar van het pand aan de [locatie A]. Op het pand is het bestemmingsplan "Santpoort-Zuid" van toepassing en rust de functieaanduiding "garagebox".

    Op 20 juni en 29 juli 2016 heeft het college controles uitgevoerd in het pand, waarbij is geconstateerd dat de bovenverdieping werd aangeduid met het (onofficiële) huisnummer 138D en dat deze bovenverdieping bewoond werd. Blijkens de Basisregistratie Personen stond de aangetroffen bewoonster vanaf 4 oktober 2012 ingeschreven op het adres [locatie B]. Vervolgens is voormeld besluit van 23 januari 2017 genomen en de hiervoor beschreven procedure doorlopen.

    [appellant sub 2] heeft in de procedure betoogd dat de bovenverdieping reeds sinds de jaren zeventig voor bewoning wordt gebruikt en heeft een beroep gedaan op het overgangsrecht in het bestemmingsplan en de daaraan voorafgaande bestemmingsplannen Santpoort-Zuid 2004 en Santpoort-Zuid 1992.

2.    Artikel 22.2, onder a, van de planregels luidt: "Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

    Artikel 22.2, onder c, luidt: "Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten".

    Artikel 22.2, onder d, luidt. "Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan".

3.    De voorzieningenrechter heeft ter zitting een tweetal door [appellant sub 2] voorgedragen getuigen, [getuige A] en [getuige B], onder ede gehoord. Voorts heeft [appellant sub 2] ter zitting een verklaring afgelegd. De voorzieningenrechter heeft overwogen dat [appellant sub 2] met deze verklaringen, in onderlinge samenhang bezien, voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het pand vele jaren voor en op de peildatum van 17 februari 1993, in de periode 1993 tot 1994 en vanaf 1 juli 1994 is bewoond en dat aannemelijk is dat er sprake is geweest van onafgebroken bewoning in die zin dat geen sprake is geweest van een onderbreking voor een periode van langer dan een jaar.

    Voorts heeft de voorzieningenrechter overwogen dat het betoog van het college, dat aan de afgelegde getuigenverklaringen zonder nadere objectieve bewijsmiddelen geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend, niet wordt gevolgd. Aan de redelijk gedetailleerde en onafhankelijk van elkaar onder ede afgelegde verklaringen door getuigen die geen persoonlijk belang bij de uitkomst van de zaak hebben komt zelfstandige bewijskracht toe en er bestaat geen aanleiding aan de juistheid van die verklaringen te twijfelen, aldus de voorzieningenrechter.

4.    In hoger beroep betoogt het college dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat [appellant sub 2] aannemelijk heeft gemaakt dat het overgangsrecht van toepassing is. Daartoe stelt het college dat de getuigenverklaringen de onduidelijkheid over de bewoning op de peildatum niet hebben weggenomen, nu deze onvoldoende concreet zijn en de bewoning op de peildatum niet expliciet bevestigen.

    Bovendien heeft de voorzieningenrechter volgens het college de ter zitting afgelegde verklaring van [appellant sub 2] ten onrechte bij haar oordeel betrokken. Over die verklaring kan in ieder geval niet worden gezegd dat deze is afgelegd door iemand die geen persoonlijk belang bij de uitkomst van de zaak heeft, aldus het college.

4.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 10 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3347, rust in beginsel op degene die een beroep doet op het overgangsrecht de plicht om aannemelijk te maken dat dit van toepassing is.

    Niet in geschil is dat de bestemmingsplannen die voorafgingen aan het thans geldende bestemmingsplan vergelijkbare bepalingen van overgangsrecht bevatten als hiervoor weergegeven. Evenmin is in geschil dat daarmee de peildatum voor de toepasselijkheid van het overgangsrecht, in aanmerking genomen het bestemmingsplan Santpoort-Zuid 1992, 17 februari 1993 is. Evenmin is in geschil dat het pand vanaf 1 juli 1994 tot heden onafgebroken is bewoond.

    Hieruit volgt dat voor een geslaagd beroep op het overgangsrecht [appellant sub 2] aannemelijk diende te maken dat het pand op 17 februari 1993 en in ieder geval tot 1 juli 1994 onafgebroken, althans zonder onderbreking voor een periode langer dan een jaar, voor bewoning werd gebruikt.

4.2.    Ter zitting bij de rechtbank heeft [getuige A] onder ede onder meer verklaard dat hij tot 1992 werkzaam is geweest bij een bedrijf dat gevestigd was aan de [locatie A] en dat tot dat moment de bovenverdieping, gelegen boven de werkplaats van het bedrijf, altijd bewoond was. De bovenwoning had verder niets te maken met het bedrijf en toen dat bedrijf in 1992 is vertrokken is de bewoner van de bovenverdieping, een man genaamd "[voornaam]", daar bij zijn weten blijven wonen. Tevens heeft [getuige A] verklaard dat hij op enig moment binnen is geweest in de bovenverdieping en dat deze toen als woning was ingericht.

    Eveneens ter zitting bij de rechtbank en onder ede heeft [getuige B] onder meer verklaard dat hij vanaf 1975 tot 1999 op nummer […] en vanaf 1999 op nummer […] aan de Bloemendaalsestraatweg heeft gewoond en dat hij in die buurt is opgegroeid. Voorts heeft hij verklaard dat de bovenverdieping altijd bewoond is geweest en dat hij binnen is geweest toen deze werd bewoond door een man genaamd [naam persoon].

4.3.    Uit de verklaringen van [getuige A] volgt dat de bovenverdieping in ieder geval tot 1992 voortdurend bewoond is geweest. Uit de verklaringen van [getuige B] volgt dat de bovenverdieping ook nadien, en dus ook op de peildatum en in de periode daarna bewoond was. De Afdeling ziet in hetgeen het college naar voren heeft gebracht geen aanknopingspunten voor het oordeel dat aan de juistheid van deze verklaringen moet worden getwijfeld. De Afdeling ziet in dit geval dan ook geen aanleiding om niet van de juistheid van deze, door personen die geen verdere betrokkenheid bij het geschil hebben onder ede afgelegde, verklaringen uit te gaan. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de onafhankelijk van elkaar afgelegde verklaringen van [getuige A] en [getuige B], waar deze overlappen, elkaar ondersteunen. Het betoog van het college dat de verklaringen onvoldoende concreet zijn, wordt niet gevolgd, nu de verklaringen, waar deze zien op de feitelijke bewoning van de bovenverdieping, zonder enige terughoudendheid of onduidelijkheid zijn gegeven. Onder deze omstandigheden bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat [appellant sub 2] afdoende aannemelijk heeft gemaakt dat het overgangsrecht van toepassing is. Het betoog van het college over de ter zitting afgelegde verklaring van [appellant sub 2] behoeft hierom geen verdere bespreking.

    Reeds hierom faalt het betoog.

    In het incidenteel hoger beroep

5.    In zijn incidenteel hoger beroep betoogt [appellant sub 2] dat de voorzieningenrechter het betaalde griffierecht en de te vergoeden proceskosten onjuist heeft vastgesteld. Daartoe stelt hij dat de voorzieningenrechter ten onrechte niet heeft bepaald dat het voor het indienen van het verzoek om een voorlopige voorziening betaalde griffierecht van € 168,00 aan hem wordt vergoed en eveneens ten onrechte geen punt aan proceskostenvergoeding heeft toegekend voor het indienen van dat verzoek.

5.1.    Het incidenteel hoger beroep richt zich tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter die is gedaan met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht. De Afdeling is slechts bevoegd kennis te nemen van het hoger beroep tegen een dergelijke uitspraak, voor zover dat hoger beroep is gericht tegen de in die uitspraak vervatte beslissing op het beroep. Het incidenteel hoger beroep richt zich echter tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter voor zover deze betrekking heeft op het met het verzoek om een voorlopige voorziening samenhangende betaalde griffierechten en gemaakte proceskosten. De Afdeling is niet bevoegd van een dergelijk hoger beroep kennis te nemen.

    Conclusie

6.    Het hoger beroep van het college is ongegrond. De Afdeling is onbevoegd om van het incidenteel hoger beroep kennis te nemen. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.    Het college dient op navolgende wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Velsen tot vergoeding van bij [appellanten sub 2] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 501,00 (zegge: vijfhonderdeen euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III.    verklaart zich onbevoegd om van het door [appellanten sub 2] ingestelde incidenteel hoger beroep kennis te nemen.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier.

w.g. Van Diepenbeek    w.g. Verbeek

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 november 2018

574.