Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:3655

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-11-2018
Datum publicatie
21-11-2018
Zaaknummer
201805958/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

Het beroep richt zich tegen het besluit van het college van 29 mei 2018, waarbij het wijzigingsplan "Wilhelminapark, Buiten-Wittevrouwen, 1e wijziging Prinsesselaan 20" is vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201805958/2/R2.

Datum uitspraak: 8 november 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker] en anderen, allen wonend te Utrecht,

verzoekers,

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht,

verweerder.

Openbare zitting gehouden op 8 november 2018 om 10:00 uur.

Mondelinge uitspraak gedaan op 8 november 2018 om 12:00 uur.

Tegenwoordig:

Staatsraad mr. J.E.M. Polak, voorzieningenrechter

griffier: mr. S.E. Reichardt

Verschenen:

[verzoeker];

Het college, vertegenwoordigd door T. Brouwer, mr. F. Koer, B.J.R. Hamster, N.F. Tijhuis;

Blend Vastgoed B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde];

R.K. Begraafplaats St. Barbara, vertegenwoordigd door [gemachtigde].

Het beroep richt zich tegen het besluit van het college van 29 mei 2018, waarbij het wijzigingsplan "Wilhelminapark, Buiten-Wittevrouwen, 1e wijziging Prinsesselaan 20" is vastgesteld.

Daarnaast richt het beroep zich tegen het besluit van het college van 29 mei 2018, waarbij aan Blend Vastgoed B.V. een omgevingsvergunning is verleend voor sloop van bebouwing op het adres Prinsesselaan 20 te Utrecht en de aanleg van een parkeerterrein met in- en uitrit op die gronden.

Voornoemde besluiten zijn gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt als bedoeld in artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening.

[verzoeker] en anderen hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende schorsing van beide besluiten. De voorzieningenrechter heeft ter zitting aan de orde gesteld dat de zienswijze alleen door [verzoeker] is ingediend, zodat de anderen in de bodemprocedure gelet op artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht naar verwachting niet ontvankelijk zullen worden verklaard. Op dit verzoek wordt inhoudelijk ingegaan omdat het beroep en het verzoek in ieder geval ontvankelijk zijn voor zover ingesteld door [verzoeker].

De voorzieningenrechter

wijst het verzoek af.

Daartoe overweegt hij het volgende.

1. De gronden aan de Prinsesselaan 20 hadden in het bestemmingsplan "Wilhelminapark, Buiten-Wittevrouwen", dat door de raad is vastgesteld op 4 februari 2016, de bestemming "Groen" en de aanduiding "wetgevingzone - wijzigingsgebied". In dit bestemmingsplan is in artikel 12, lid 12.3, van de planregels een wijzigingsbevoegdheid voor het college opgenomen om voor de aanleg van parkeerplaatsen ten behoeve van bezoekers van de naastgelegen begraafplaats de bestemming zodanig te wijzigen dat de gronden ter plaatse van de aanduiding "wetgevingzone - wijzigingsgebied" van groen worden gewijzigd in parkeerplaatsen met bijbehorende ontsluiting.

In het wijzigingsplan is aan de gronden waarop het parkeerterrein is voorzien de bestemming "Verkeer-Verblijfsgebied" toegekend. Op grond van de planregels zijn de voor "Verkeer - Verblijfsgebied" aangewezen gronden onder andere bestemd voor parkeervoorzieningen, uitsluitend voor de naastgelegen begraafplaats.

2. Op de gronden aan de Prinsesselaan 20 is bebouwing aanwezig die voorheen heeft gefunctioneerd als een gemeentelijke wijkpost. De bebouwing was in het bestemmingsplan "Wilhelminapark, Buiten-Wittevrouwen" niet meer als zodanig bestemd en werd jaren lang gekraakt.

Het wijzigingsplan en de omgevingsvergunning zijn vastgesteld onderscheidenlijk verleend om een parkeerterrein mogelijk te maken op gronden aan de Prinsesselaan 20 in Utrecht. Daarvoor dient de aanwezige bebouwing te worden gesloopt. Blend Vastgoed B.V. is de aanvrager en houder van de omgevingsvergunning. R.K. Begraafplaats St. Barbara zal het parkeerterrein gaan gebruiken.

3. Met het verzoek om voorlopige voorziening beogen [verzoeker] en anderen onomkeerbare gevolgen van de inwerkingtreding van het plan en de omgevingsvergunning te voorkomen.

4. Voor zover [verzoeker] en anderen betwisten dat het besluit tot vaststelling van het wijzigingsplan is genomen, oordeelt de voorzieningenrechter dat er op grond van de stukken geen aanleiding is voor twijfel dat zowel het besluit tot vaststelling van het wijzigingsplan als het besluit tot verlenen van de omgevingsvergunning zijn genomen op 29 mei 2018 en vervolgens bekend zijn gemaakt.

5. Verder is van de kant van vergunninghouder zonder voorbehoud toegezegd dat voordat de Afdeling uitspraak heeft gedaan in de bodemprocedure uitsluitend van de omgevingsvergunning gebruik zal worden gemaakt voor zover dat de sloop van de bestaande bebouwing betreft. Nu de bebouwing ter plaatse al in strijd is met het bestemmingsplan "Wilhelminapark, Buiten-Wittevrouwen" had een omgevingsvergunning voor de sloop daarvan naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter ook moeten worden verleend op grond van dat bestemmingsplan. De sloop van de bebouwing is dan ook niet afhankelijk van de uitkomst van deze procedure over het wijzigingsplan.

6. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben verzoekers daarom onvoldoende rechtens te beschermen belang voor zover hun verzoek betrekking heeft op de voorziene sloop van de bebouwing. Verder leidt het in werking zijn van het wijzigingsplan door de hiervoor genoemde toezegging van vergunninghouder wat betreft het parkeerterrein niet tot onomkeerbare gevolgen voordat de Afdeling in de bodemprocedure op het beroep heeft beslist.

7. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening, zodat het verzoek van [verzoeker] en anderen wordt afgewezen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S.E. Reichardt, griffier.

w.g. Polak    w.g. Reichardt

voorzieningenrechter    griffier    

772.