Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:365

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-02-2018
Datum publicatie
14-02-2018
Zaaknummer
201710448/1/A1 en 201710448/2/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 mei 2017 heeft het college [appellant] onder aanzegging van bestuursdwang gelast het gebouw (de caravan) op het perceel nabij [locatie] (hierna: het perceel) te verwijderen en verwijderd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201710448/1/A1 en 201710448/2/A1.

Datum uitspraak: 5 februari 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellant], verblijvend te Meeden, gemeente Midden-Groningen,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de rechtbank) van 1 december 2017 in zaak nrs. 17/3786 en 17/3785 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Menterwolde, thans: gemeente Midden-Groningen.

Procesverloop

Bij besluit van 8 mei 2017 heeft het college [appellant] onder aanzegging van bestuursdwang gelast het gebouw (de caravan) op het perceel nabij [locatie] (hierna: het perceel) te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 21 september 2017 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 december 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

[appellant] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De voorzieningenrechter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 30 januari 2018, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. J. Haarsma, en het college, vertegenwoordigd door A. Kuiper en J. Leegstra, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Inleiding

2.    Op het perceel dat eigendom is van de zus van [appellant] heeft [appellant], als vruchtgebruiker van het perceel, een caravan geplaatst. Het college heeft op 5 november 2015 geconstateerd dat deze caravan wordt gebruikt door [appellant] voor dag- en nachtverblijf. Ingevolge het  bestemmingsplan "Buitengebied" rust op het perceel de bestemming "Groen". Deze gronden zijn, onder andere, bestemd voor groenvoorzieningen, waaronder bebossing en het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke en natuurlijke waarden van de groengebieden, waaronder een goede landschappelijke afscherming ten opzichte van de naastgelegen functies. Daaraan ondergeschikt is extensief dagrecreatief medegebruik en het educatief medegebruik toegestaan. Het college heeft aan het bij besluit van 21 september 2017 gehandhaafde besluit van 8 mei 2017 ten grondslag gelegd dat het gebruik dat [appellant] van het perceel maakt in strijd is met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo), nu het gebruik in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan en door het college voor dat gebruik geen omgevingsvergunning is verleend

    Op 12 oktober 2017 heeft het college de caravan van het perceel verwijderd en sindsdien verblijft [appellant] in een tent op het perceel.

Overtreding

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college niet bevoegd is handhavend op te treden. Hij voert hiertoe aan dat in artikel 4:18, tweede lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Menterwolde (hierna: de APV) is geregeld dat het verbod voor het plaatsen van kampeermiddelen opgenomen in artikel 4:18, eerste lid, van de APV niet geldt voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op het terrein en de caravan op het perceel om die reden is toegestaan.

3.1.    Artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) luidt: "Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

(…)

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, (…)

(…)."

Artikel 4:17 van de APV luidt: "In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: een onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de zin van artikel 2.1, eerste lid onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf."

Artikel 4:18 van de APV luidt:

"1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan, de beheersverordening, exploitatieplan of een voorbereidingsbesluit is bestemd of mede bestemd.

2. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.

[…];."

3.2.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college bevoegd is handhavend op te treden tegen het gebruik dat [appellant] van het perceel maakt. Daarbij heeft de rechtbank in navolging van het college terecht van belang geacht dat het gebruik dat [appellant] van de caravan maakt dient te worden aangemerkt als permanente bewoning van de caravan, omdat [appellant] sinds november 2015 verblijft in de caravan en niet is gesteld noch gebleken dat [appellant] elders zijn hoofdverblijf had gedurende die periode. Het college heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat het gebruik van de gronden waarop de bestemming "Groen" rust voor permanente woondoeleinden in strijd is met het bestemmingsplan. In hetgeen door [appellant] is aangevoerd over artikel 4:18, tweede lid, van de APV, ziet de voorzieningenrechter met de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het college niet bevoegd zou zijn handhavend op te treden tegen het gebruik van het perceel in strijd met het bestemmingsplan. Nog daargelaten dat een overtreding van de APV niet aan het besluit van 21 september 2017 ten grondslag is gelegd, brengt de omstandigheid dat artikel 4:18, tweede lid, van de APV het plaatsen van kampeermiddelen op een eigen terrein toestaat niet met zich dat daarmee het permanent bewonen van een caravan op een perceel waar de bestemming "Groen" op rust is toegestaan.

    Het betoog faalt.

Belangenafweging

4.    Gelet op het algemeen belang dat is gediend met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in de concrete situatie behoort te worden afgezien.

5.    [appellant] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het onevenredig is handhavend op te treden gelet op zijn belangen. [appellant] voert hiertoe aan dat het college hem voorafgaand aan het opleggen van de last onder bestuursdwang geen aanbod voor een vervangende woning heeft gedaan en hij dientengevolge verblijft in een tent op het perceel. In dit verband verwijst [appellant] naar een uitspraak van de Afdeling van 21 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3411.

5.1.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat geen bijzondere omstandigheden bestaan op grond waarvan het college van handhavend optreden had moeten afzien. Daarbij is van belang dat het college voorafgaand aan het besluit van 21 september 2017, onder andere door het inschakelen van een sociaal team, heeft getracht met [appellant] tot een oplossing te komen voor zijn situatie. Nu [appellant] voorafgaand aan de besluitvorming te kennen heeft gegeven aan het college geen genoegen te nemen met een woning minder dan van vergelijkbare omvang als zijn vorige woning met een waarde van ongeveer € 400.000,00, acht de voorzieningenrechter, nog daargelaten dat het college daar niet toe was verplicht, het niet onredelijk dat het college aan [appellant] geen aanbod voor een vervangende woning heeft gedaan voorafgaand aan het besluit van 8 mei 2017. Verder heeft de rechtbank terecht van belang geacht dat in de door [appellant] gestelde jegens hem gepleegde onrechtmatigheden door derden geen grond behoeft te worden gezien voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen overgaan tot handhavend optreden.

    Het betoog faalt.

Slot en conclusie

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.    Gelet hierop zal het verzoek van [appellant] om het treffen van een voorlopige voorziening worden afgewezen.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    wijst het verzoek van [appellant] af.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Vermeulen, griffier.

w.g. Slump    w.g. Vermeulen

voorzieningenrechter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2018

700.