Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:3630

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-11-2018
Datum publicatie
07-11-2018
Zaaknummer
201802286/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2018:697, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 juni 2017 heeft de Belastingdienst/Toeslagen een verzoek om herziening van twee eerdere besluiten waarbij de kinderopvangtoeslag van [appellante] over 2013 en 2014 definitief is berekend en is vastgesteld op nihil, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201802286/1/A2.

Datum uitspraak: 7 november 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 februari 2018 in zaak nr. 17/5892 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 27 juni 2017 heeft de Belastingdienst/Toeslagen een verzoek om herziening van twee eerdere besluiten waarbij de kinderopvangtoeslag van [appellante] over 2013 en 2014 definitief is berekend en is vastgesteld op nihil, afgewezen.

Bij besluit van 30 augustus 2017 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 februari 2018 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 oktober 2018, waar de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, is verschenen.

Overwegingen

Inleiding en besluitvorming

1.    [appellante] heeft kinderopvang afgenomen, in de periode van januari 2013 tot en met augustus 2013 bij [kindercentrum A] en in de periode van september 2013 tot en met juli 2014 bij [kindercentrum B]. In verband hiermee heeft de Belastingdienst/Toeslagen aan [appellante] voorschotten kinderopvangtoeslag voor 2013 en 2014 toegekend. Bij besluiten van 31 juli 2015 en 7 januari 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag over 2013 en 2014 definitief berekend en vastgesteld op nihil en de voorschotten kinderopvangtoeslag van [appellante] teruggevorderd. [appellante] heeft geen bezwaar gemaakt tegen deze besluiten.

2.    [appellante] heeft verzocht de besluiten van 31 juli 2015 en van 7 januari 2016 te herzien.

3.    De Belastingdienst/Toeslagen heeft dat verzoek afgewezen, omdat [appellante] geen documenten heeft ingediend, zodat niet kan worden beoordeeld of de kinderopvangtoeslag over 2013 en 2014 te laag is vastgesteld. In het besluit op bezwaar heeft de dienst zich op het standpunt gesteld dat de ingediende stukken onvoldoende zijn.

Wettelijk kader

4.    Artikel 1.7 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (hierna: de Wkkp) luidt:

"1. De hoogte van de kinderopvangtoeslag is afhankelijk van:

a. de draagkracht, en

b. de kosten van kinderopvang per kind die worden bepaald door:

1º. het aantal uren kinderopvang per kind in het berekeningsjaar,

2º. de voor die kinderopvang te betalen prijs, met inachtneming van het bedrag, bedoeld in het tweede lid, en

3º. de soort kinderopvang.

(…)."

Artikel 18 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) luidt:

"1. Een belanghebbende, een partner en een medebewoner verstrekken de Belastingdienst/Toeslagen desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn.

(…)."

Aangevallen uitspraak

5.    De rechtbank heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen het verzoek om herziening terecht heeft afgewezen. Zij heeft overwogen dat [appellante] geen stukken heeft ingediend waaruit blijkt wat de kosten van kinderopvang in 2013 en 2014 zijn geweest en waaruit blijkt dat zij kosten heeft voldaan.

Hoger beroep

6.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot dit oordeel is gekomen. Zij voert aan dat [kindercentrum A] failliet is verklaard. Dit kindercentrum is vervolgens overgenomen door [kindercentrum B]. [kindercentrum B] is vervolgens ook failliet verklaard. Door de faillietverklaring en door een gebrekkige administratie van de kinderopvangorganisaties kan zij niet meer aan de benodigde documenten komen. Zij heeft geen plaatsingsovereenkomst ontvangen van [kindercentrum B] of een bevestiging van de overname. Zij heeft al het mogelijke gedaan om aan te tonen dat zij gebruik heeft gemaakt van kinderopvang, aldus [appellante].

6.1.    Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie onder meer de uitspraak van 15 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3137) volgt uit artikel 18, eerste lid, van de Awir, gelezen in verbinding met artikel 1.7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wkkp, dat degene die aanspraak maakt op kinderopvangtoeslag, moet kunnen aantonen dat hij kosten van kinderopvang heeft gehad en wat de hoogte ervan is. Het is de verantwoordelijkheid van de ontvanger van de kinderopvangtoeslag om daartoe een deugdelijke administratie bij te houden. Er bestaat geen aanspraak op kinderopvangtoeslag, indien de vraagouder niet kan aantonen dat hij het volledige bedrag aan kosten ook daadwerkelijk heeft betaald. Indien een deel van de kosten aantoonbaar is voldaan, kan geen aanspraak worden gemaakt op een evenredig lager voorschot of lagere tegemoetkoming. In de uitspraak van 8 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1610) heeft de Afdeling voorts in haar overwegingen betrokken dat de Belastingdienst/Toeslagen alleen bij afrondingsverschillen, dat wil zeggen bij kleine verschillen tussen de totale kosten van kinderopvang en de aantoonbaar betaalde kosten, ervan uitgaat dat is aangetoond dat alle kosten van kinderopvang zijn voldaan.

6.2.    [appellante] heeft geen jaaropgaven overgelegd. Zij heeft facturen overgelegd van [kindercentrum A] over de maanden januari, februari, maart, mei, juni, juli en augustus 2013 en facturen van [kindercentrum B] over de maanden september en oktober 2013. Facturen over de maanden april, november en december 2013 ontbreken. Over het jaar 2014 heeft zij geen facturen of jaaropgaven overgelegd. Evenmin heeft zij betaalbewijzen overgelegd.

    Nu de jaaropgaven en facturen over de maanden april, november en december 2013 en over het gehele jaar 2014 ontbreken, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellante] de hoogte van de kosten over 2013 en 2014 niet heeft aangetoond. Zelfs al zou worden uitgegaan van de hoogte van de kosten, zoals die blijkt uit de facturen, dan zou [appellante] niet hebben aangetoond dat zij de kosten van kinderopvang volledig heeft betaald. Weliswaar heeft de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag over 2013 uitbetaald op de betaalrekening van de betreffende kinderopvanginstelling, maar [appellante] heeft niet aangetoond dat zij ook het restant heeft betaald.

6.3.    Dat [appellante], zoals zij heeft gesteld, in bewijsnood is geraakt omdat de kinderopvangorganisaties failliet zijn verklaard en zij daardoor niet aan de benodigde documenten kan komen dient, gelet op hetgeen hiervoor onder 6.1 is overwogen, voor haar rekening te blijven. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het aan [appellante], als degene die aanspraak maakt op kinderopvangtoeslag, is om een deugdelijke administratie van de kinderopvang bij te houden en desgevraagd stukken over die opvang aan de Belastingdienst/Toeslagen te overleggen.

6.4.    Gelet op het voorgaande heeft [appellante] niet aangetoond dat de definitieve vaststellingen op nihil onjuist zijn geweest. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen het verzoek om herziening terecht heeft afgewezen.

    Het betoog faalt.

7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F. Nales, griffier.

w.g. Lubberdink    w.g. Nales

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 november 2018

680.