Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:3624

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-11-2018
Datum publicatie
07-11-2018
Zaaknummer
201707817/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 juni 2017 heeft het college met toepassing van de artikelen 45 en 46 van de Wet geluidhinder hogere waarden vastgesteld voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting op de woningen Polen 1, 2, 7 en 11 te Spijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2018-0237
JOM 2019/60
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201707817/1/R3.

Datum uitspraak: 7 november 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante] en anderen, allen wonend te Spijk, gemeente Delfzijl,

en

het college van burgemeester en wethouders van Eemsmond,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 6 juni 2017 heeft het college met toepassing van de artikelen 45 en 46 van de Wet geluidhinder hogere waarden vastgesteld voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting op de woningen Polen 1, 2, 7 en 11 te Spijk.

Tegen dit besluit hebben [appellante] en anderen beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 juli 2018, waar [appellante] en anderen, bijgestaan door mr. A.A. Westers, advocaat te Groningen, en het college, vertegenwoordigd door J. Dwarshuis, bijgestaan door mr. W.R. van de Velde en mr. L. Mathey, beiden advocaat te Groningen, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting als partij gehoord [belanghebbende] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. J.H.M. Berenschot, advocaat te Apeldoorn, Green Box Computing B.V., vertegenwoordigd door mr. R. Molenaar, advocaat te Amsterdam, en Groningen Seaports N.V., vertegenwoordigd door [gemachtigden].

Overwegingen

Inleiding

1.    Het bestreden besluit is genomen ten behoeve van het bestemmingsplan "Eemshaven Zuidoost" (hierna: het bestemmingsplan), dat de raad van de gemeente Eemsmond bij besluit van 20 juli 2017 heeft vastgesteld. Het bestemmingsplan maakt de tweede fase mogelijk van bedrijventerrein Eemshaven Zuidoost. Hier mogen op grond van het bestemmingsplan onder meer datacenters worden gevestigd. Het terrein gaat deel uitmaken van een bestaand gezoneerd industrieterrein, dat hierdoor een nieuwe begrenzing krijgt. Het college heeft een hogere waarde van 57 dB(A) vastgesteld voor de woningen [locatie 1] en [locatie 2] en een hogere waarde van 58 dB(A) voor de woningen [locatie 3] en [locatie 4]. In 1993 waren voor deze woningen al hogere waarden vastgesteld van 55 dB(A).

2.    [appellante] en anderen zijn eigenaren en bewoners van Polen 1, 2, 4, 5, 6 en 8. Voor de woningen [locatie 1] en [locatie 2] zijn bij het bestreden besluit hogere waarden vastgesteld. [locatie 5], [locatie 6], [locatie 7] en [locatie 8] zijn recreatiewoningen.

    [appellante] en anderen zijn het niet eens met het besluit tot vaststelling van hogere waarden. Zij voeren aan dat de binnenwaarde in de woningen te hoog zal zijn, dat de geluidhinder van koelinstallaties onvoldoende is onderzocht en dat bron- en overdrachtsmaatregelen hadden moeten worden getroffen om de geluidbelasting te beperken. Daarnaast betogen [appellante] en anderen dat het college bij het vaststellen van de hogere waarden te weinig aandacht heeft besteed aan cumulatie van geluidhinder. Verder voeren [appellante] en anderen aan dat het ontwerpbesluit niet op de juiste manier ter inzage is gelegd.

3.    De tekst van de relevante wettelijke bepalingen is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

Ontvankelijkheid

4.    Het college betoogt dat de beroepen niet-ontvankelijk zijn, omdat [appellante] en anderen geen zienswijze over het ontwerpbesluit naar voren hebben gebracht.

    Het college stelt dat het ontwerpbesluit en het daarbij behorende akoestisch onderzoek als bijlagen bij de plantoelichting van het ontwerpbestemmingsplan, en dus gelijktijdig met het ontwerpbestemmingsplan, ter inzage zijn gelegd. De stukken hebben van 3 maart tot en met 13 april 2017 ter inzage gelegen. Binnen die termijn hebben [appellante] en anderen geen zienswijze naar voren gebracht. De zienswijze die [appellante] en anderen op 25 april 2017 naar voren hebben gebracht, was volgens het college alleen gericht tegen de ontwerpen van het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning voor vijf windturbines. Bovendien is die zienswijze volgens het college pas ingediend na afloop van de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen over het ontwerpbesluit tot vaststelling van hogere waarden.

4.1.    Ingevolge artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij bij het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.

4.2.    Anders dan het college stelt, is de zienswijze van 25 april 2017 ook gericht tegen het ontwerpbesluit tot vaststelling van hogere waarden. Dit ontwerpbesluit is weliswaar niet vermeld aan het begin van de zienswijze, maar wel onder punt 9. [appellante] en anderen hebben onder punt 9 van de zienswijze een aantal procedurele en inhoudelijke gronden over het ontwerpbesluit naar voren gebracht.

4.3.    Op 2 maart 2017 is een kennisgeving gepubliceerd. De aanhef en de eerste alinea van die kennisgeving vermelden alleen het ontwerpbestemmingsplan. Het ontwerpbesluit hogere waarden is daar niet vermeld en inhoudelijk beschreven. In de kennisgeving staat echter ook dat een ieder vanaf 3 maart 2017 zienswijzen kenbaar kan maken over het ontwerpbestemmingsplan, het milieueffectrapport en het ontwerpbesluit hogere waarden. Het ontwerpbesluit heeft, als bijlage bij het ontwerpbestemmingsplan, van 3 maart tot en met 13 april 2017 ter inzage gelegen.

    Op 16 maart 2017 is opnieuw een kennisgeving gepubliceerd. Daarin zijn alleen de ontwerpbesluiten van het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning vermeld. Deze ontwerpbesluiten hebben van 17 maart tot en met 27 april  2017 ter inzage gelegen. Daarbij is het ontwerpbesluit hogere waarden als bijlage bij het ontwerpbestemmingsplan opnieuw ter inzage gelegd. Naar het oordeel van de Afdeling is hiermee echter geen nieuwe termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen over het ontwerpbesluit hogere waarden begonnen. Dat ontwerpbesluit is namelijk in het geheel niet vermeld in de kennisgeving van 16 maart 2017.

    Dit betekent dat [appellante] en anderen met hun zienswijze van 25 april 2017 niet tijdig een zienswijze over het ontwerpbesluit hogere waarden naar voren hebben gebracht. Dat kan [appellante] en anderen echter redelijkerwijs niet worden verweten, omdat in de kennisgeving van 2 maart 2017 niet duidelijk genoeg is vermeld dat ook het ontwerpbesluit hogere waarden ter inzage zou liggen en de inhoud van het ontwerpbesluit hogere waarden in die kennisgeving niet nader is omschreven. Gelet hierop is het beroep ontvankelijk.

Aanvulling beroepsgronden

5.    Het college betoogt dat [appellante] en anderen na afloop van de beroepstermijn geen nieuwe beroepsgronden meer mochten aanvoeren, omdat afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) van toepassing is.

5.1.    Ingevolge artikel 1.6, tweede lid, van de Chw is het beroep, in afwijking van artikel 6:6 van de Awb, niet-ontvankelijk indien niet is voldaan aan artikel 6:5, eerste lid, onderdeel d, van die wet. In artikel 6:5, eerste lid, onderdeel d, van de Awb is bepaald dat het beroepschrift de gronden van het beroep moet bevatten.

    Ingevolge artikel 1.6a van de Chw kunnen na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer worden aangevoerd.

5.2.    Het beroepschrift van 28 september 2017 bevat geen beroepsgronden. De beroepsgronden staan in het aanvullend beroepschrift van 27 oktober 2017. [appellante] en anderen hebben echter op 11 juli 2017 al een bezwaarschrift bij het college ingediend, dat door het college als beroepschrift is doorgezonden naar de Afdeling. Dit beroepschrift is weliswaar voor het begin van de beroepstermijn ingediend, maar naar het oordeel van de Afdeling is voldaan aan de voorwaarden uit artikel 6:10, eerste lid, van de Awb om het beroepschrift in behandeling te kunnen nemen.

    Het beroepschrift van 11 juli 2017 bevat beroepsgronden. [appellante] en anderen hebben dus voor het einde van de beroepstermijn beroepsgronden naar voren gebracht. Er bestaat daarom geen grond om het beroep vanwege het ontbreken van beroepsgronden niet-ontvankelijk te verklaren. De Afdeling zal beoordelen of [appellante] en anderen, gelet op artikel 1.6a van de Chw, hun beroepsgronden na afloop van de beroepstermijn nog konden aanvullen met de nieuwe beroepsgronden uit het aanvullend beroepschrift van 27 oktober 2017.

5.3.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in onder meer de uitspraak van 7 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY2476, ligt het op de weg van het bestuursorgaan om duidelijkheid te verschaffen over de manier waarop rechtsmiddelen kunnen worden aangewend tegen een onder de reikwijdte van de Chw vallend besluit. In de rechtsmiddelenverwijzing die in de kennisgeving van het bestreden besluit is opgenomen is niet vermeld dat de Chw van toepassing is en dat daarom de beroepsgronden in het beroepschrift moeten worden opgenomen en na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen gronden kunnen worden aangevoerd. In dat geval kan een belanghebbende, nu in de Chw wordt afgeweken van de Awb, in beginsel niet worden tegengeworpen dat hij de gronden van het beroep niet binnen de beroepstermijn heeft aangevoerd en dat hij na afloop van de beroepstermijn de beroepsgronden aanvult. Dit is slechts anders indien aannemelijk is dat de belanghebbende anderszins wist of kon weten dat na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen gronden meer kunnen worden aangevoerd en aangevuld. Die situatie doet zich hier niet voor. De enkele omstandigheid dat [appellante] en anderen worden bijgestaan door een professionele rechtsbijstandverlener, maakt niet dat zij ondanks de beperkte rechtsmiddelenverwijzing toch hadden moeten uitgaan van toepasselijkheid van de Chw. De Afdeling ziet daarom geen grond om de beroepsgronden die [appellante] en anderen in het aanvullend beroepschrift van 27 oktober 2017 hebben aangevoerd buiten beschouwing te laten.

Terinzagelegging ontwerpbesluit

6.    [appellante] en anderen stellen dat het ontwerpbesluit niet gelijktijdig met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage is gelegd. Dit is volgens hen in strijd met artikel 110c van de Wet geluidhinder.

6.1.    Het ontwerpbesluit heeft van 3 maart tot en met 13 april 2017 als bijlage bij het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegen. Naar het oordeel van de Afdeling is het ontwerpbesluit hiermee gelijktijdig met het ontwerp van het bestemmingsplan ter inzage gelegd en is voldaan aan artikel 110c, eerste lid, van de Wet geluidhinder.

    Het betoog faalt.

Binnenwaarde

7.    [appellante] en anderen voeren aan dat het niet mogelijk is om maatregelen aan de woningen te treffen om een binnenwaarde van 35 dB(A) te bereiken. Bovendien zijn de maatregelen ten onrechte niet vooraf onderzocht en vastgelegd.

7.1.    Het college moet op grond van artikel 111b, eerste lid, van de Wet geluidhinder gevelisolerende maatregelen treffen om te bevorderen dat de geluidbelasting in de woning bij gesloten ramen ten hoogste 35 dB(A) bedraagt. Uit de systematiek van de artikelen 45, eerste lid, en 111b, eerste lid, van de Wet geluidhinder volgt dat pas na de vaststelling van hogere waarden hoeft te worden bepaald of gevelisolerende maatregelen moeten worden getroffen. De vraag of een verplichting bestaat tot het treffen van dergelijke maatregelen aan de woningen van [appellante] en anderen, staat los van de beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit en kan daarom in deze beroepsprocedure niet aan de orde zijn (vgl. de uitspraak van 26 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:41). Het college hoefde daarom voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit geen nader onderzoek te doen naar deze maatregelen.

    Het betoog faalt.

Akoestisch onderzoek

8.    [appellante] en anderen stellen dat de datacenters zeer volumineuze koelinstallaties nodig hebben om warmte af te voeren. Zij betogen dat de geluidhinder van deze installaties niet voldoende is onderzocht.

8.1.    Bij de voorbereiding van het bestreden besluit en het bestemmingsplan is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. De resultaten daarvan zijn beschreven in het rapport "Bestemmingsplan Eemshaven Zuidoost. Onderzoek industrielawaai Wet geluidhinder" van het Noordelijk Akoestisch Adviesbureau van 21 december 2016 (hierna: het akoestisch rapport).

    Uit het akoestisch rapport blijkt dat de nachtperiode maatgevend is voor de geluidbelasting op de woningen in de buurtschap Polen. Paragraaf 6.1 van het akoestisch rapport beschrijft de mogelijkheden om de geluidbelasting op deze woningen te beperken. Daarbij is vermeld dat bij datacenters in de nachtperiode de koelinstallaties maatgevend zijn voor de geluidbelasting. In bijlage 3 bij het akoestisch rapport is nader ingegaan op de geluidemissie van datacenters. Volgens bijlage 3 zijn de koelinstallaties veruit de maatgevende geluidbronnen in de avond- en nachtperiode. Daarbij is ook ingegaan op de maatgevende deelbronnen en de geluidsvermogens daarvan. Anders dan [appellante] en anderen hebben gesteld, is in het akoestisch rapport dus rekening gehouden met de koelinstallaties van de datacenters als bron van geluidhinder.

    Het betoog mist feitelijke grondslag.

Geluidbeperkende maatregelen

9.    [appellante] en anderen voeren aan dat ten onrechte geen geluidbeperkende maatregelen worden getroffen. Het bestreden besluit is volgens hen daarom in strijd met artikel 110a, vijfde lid, van de Wet geluidhinder. [appellante] en anderen betogen dat het college er ten onrechte van is uitgegaan dat bij de koeltorens geen bronmaatregelen mogelijk zijn. Ook heeft het college volgens hen niet onderbouwd dat sprake is van overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard op grond waarvan maatregelen achterwege konden blijven.

9.1.    Uit artikel 110a, vijfde lid, van de Wet geluidhinder volgt dat het college alleen hogere waarden kan vaststellen als de toepassing van geluidreducerende maatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting tot de voorkeursgrenswaarde - of in dit geval de eerder vastgestelde hogere waarde van 55 dB - onvoldoende doeltreffend zal zijn of overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Als aan een van deze criteria is voldaan, kan van maatregelen worden afgezien. Anders dan [appellante] en anderen veronderstellen, hoeft voor een geluidbeperkende maatregel die onvoldoende doeltreffend is niet ook te worden onderbouwd dat die maatregel op overwegende bezwaren stuit.

9.2.    Bij de voorbereiding van het bestreden besluit is onderzocht of de geluidbelasting op de woningen verlaagd kan worden door bron- of overdrachtsmaatregelen of door aanpassing van het plan. Het college is tot de conclusie gekomen dat bronmaatregelen onvoldoende doeltreffend zullen zijn. Overdrachtsmaatregelen stuiten volgens het college op landschappelijke en financiële bezwaren, omdat zeer lange en hoge schermen nodig zouden zijn, onder meer vanwege de hoogte van de koeltorens. Daarnaast is het volgens het college niet mogelijk om de datacenters verder van de woningen te plaatsen, omdat er dan te weinig ruimte voor deze bedrijven overblijft.

9.3.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college toereikend gemotiveerd dat bronmaatregelen aan de koeltorens onvoldoende doeltreffend zijn. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat het college ter zitting heeft toegelicht dat de berekening van de geluidbelasting van de koeltorens is gebaseerd op de toepassing van de beste beschikbare technieken zoals beschreven in het toepasselijke BREF-document. Er is volgens het college geen gangbare koelmethode die minder geluid veroorzaakt. [appellante] en anderen hebben dit niet gemotiveerd bestreden. Ook overigens hebben zij hun stelling dat doeltreffende bronmaatregelen mogelijk zijn niet geconcretiseerd.

    Daarnaast heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat overdrachtsmaatregelen op overwegende landschappelijke en financiële bezwaren stuiten, gelet op de omvang die bijvoorbeeld geluidschermen in dit geval zouden moeten hebben.

    Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen [appellante] en anderen hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 110a, vijfde lid, van de Wet geluidhinder.

    Het betoog faalt.

Cumulatie

10.    [appellante] en anderen betogen dat het college te weinig aandacht heeft besteed aan cumulatie van geluidhinder. Volgens hen heeft het college het geluid van de industrie ten onrechte niet betrokken in de beoordeling van de cumulatieve geluidbelasting. [appellante] en anderen stellen dat in het akoestisch onderzoek op dit punt alleen rekening is gehouden met wegen en nieuwe en bestaande windturbines.

10.1.    In het akoestisch rapport is de geluidbelasting berekend die wordt veroorzaakt door de bestaande en nieuwe bedrijven op het gezoneerde industrieterrein, zoals dat op grond van het bestemmingsplan mag worden uitgebreid. Vervolgens is in paragraaf 7.4 van het akoestisch rapport onderzocht wat de gecumuleerde geluidbelasting is van de bedrijven op het gezoneerde industrieterrein en andere bronnen, namelijk verkeer op wegen in de omgeving en windturbines, samen. Anders dan [appellante] en anderen stellen, is het industriegeluid dus in het akoestisch onderzoek niet buiten beschouwing gelaten. Het betoog mist feitelijke grondslag.

Conclusie

11.    Het beroep is ongegrond.

12.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, voorzitter, en mr. F.D. van Heijningen en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. Teuben, griffier.

w.g. Hoekstra    w.g. Teuben

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 november 2018

483. BIJLAGE

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 6:5

1. Het bezwaar- of beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

[…]

d. de gronden van het bezwaar of beroep.

[…]

Artikel 6:6

Het bezwaar of beroep kan niet-ontvankelijk worden verklaard, indien:

a. niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, of

b. het bezwaar- of beroepschrift geheel of gedeeltelijk is geweigerd op grond van artikel 2:15,

mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

Artikel 6:10

1. Ten aanzien van een voor het begin van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien het besluit ten tijde van de indiening:

a. wel reeds tot stand was gekomen, of

b. nog niet tot stand was gekomen, maar de indiener redelijkerwijs kon menen dat dit wel reeds het geval was.

2. De behandeling van het bezwaar of beroep kan worden aangehouden tot het begin van de termijn.

Crisis- en herstelwet

Artikel 1.6

[…]

2. In afwijking van artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht is het beroep niet-ontvankelijk indien niet is voldaan aan artikel 6:5, eerste lid, onderdeel d, van die wet.

[…]

Artikel 1.6a

Na afloop van de termijn voor het instellen van beroep kunnen geen beroepsgronden meer worden aangevoerd.

Wet geluidhinder

Artikel 45

1. Voor de ter plaatse ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting, bedoeld in artikel 44, kan een hogere dan de in dat artikel genoemde waarde worden vastgesteld, met dien verstande dat deze waarde voor geprojecteerde woningen 55 dB(A) en voor aanwezige of in aanbouw zijnde woningen 60 dB(A) niet te boven mag gaan.

[…]

Artikel 46

1. Bij wijziging van een zone kan de ingevolge artikel 44 of 45 geldende waarde voor woningen in dat gebied worden gewijzigd.

2. Een verhoging van de in het eerste lid bedoelde waarde mag ten hoogste 5 dB(A) bedragen, met dien verstande dat:

a. degene ten behoeve van wie de waarde wordt verhoogd heeft verklaard dat hij uiterlijk gelijktijdig met de verhoging financiële middelen ter beschikking stelt ten behoeve van de uitvoering van maatregelen om de geluidsbelasting vanwege het industrieterrein, van de gevels van woningen die door de wijziging van de zone dan wel vaststelling van het bestemmingsplan een hogere geluidsbelasting ondervinden te beperken en te voldoen aan artikel 111b, eerste lid, onder b, en

b. de waarde van wat ten tijde van de eerste zonevaststelling geprojecteerde woningen betreft 55 dB(A) en wat ten tijde van de eerste zonevaststelling aanwezige of in aanbouw zijnde woningen betreft 60 dB(A) niet te boven mag gaan.

[…]

Artikel 110a

1. Burgemeester en wethouders zijn binnen de grenzen van de gemeente bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting.

2. In afwijking van het eerste lid zijn indien ten behoeve van een activiteit in meer dan één gemeente een hogere waarde voor de bij of krachtens de wet genoemde ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting dient te worden vastgesteld, burgemeester en wethouders van de gemeente binnen wier grenzen deze activiteit zal worden uitgevoerd bevoegd een hogere waarde vast te stellen.

[…]

5. Het eerste en tweede lid vinden slechts toepassing indien toepassing van maatregelen, gericht op het terugbrengen van de geluidsbelasting vanwege het industrieterrein, de weg of spoorweg, van de gevel van de betrokken woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen onderscheidenlijk aan de grens van de betrokken geluidsgevoelige terreinen tot de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting onvoldoende doeltreffend zal zijn dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de in dit lid bedoelde bevoegdheid enkel in bij die maatregel aan te geven gevallen kan worden toegepast.

Artikel 110c

Op de voorbereiding van een besluit als bedoeld in artikel 110a is de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing, met dien verstande dat indien burgemeester en wethouders bevoegd zijn de hogere waarde vast te stellen en het besluit ten behoeve van de vaststelling of herziening van een bestemmingsplan wordt genomen, het ontwerp van het besluit tegelijkertijd met het ontwerp van het bestemmingsplan ter inzage wordt gelegd.

Artikel 111b

1. Indien met betrekking tot gevels van in aanbouw zijnde of aanwezige woningen een hogere geluidsbelasting, vanwege een industrieterrein, als de ten hoogste toelaatbare is vastgesteld, treffen burgemeester en wethouders met betrekking tot de geluidwering van die gevels maatregelen om te bevorderen dat de geluidsbelasting binnen de woning bij gesloten ramen ten hoogste bedraagt:

a. ingeval met toepassing van artikel 63, tweede lid, een hogere geluidsbelasting dan 55 dB(A) als de ten hoogste toelaatbare is vastgesteld: 40 dB(A);

b. in andere gevallen: 35 dB(A).

[…]