Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:3611

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-11-2018
Datum publicatie
07-11-2018
Zaaknummer
201800657/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 december 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Oud Ade en Rijpwetering" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201800657/1/R3.

Datum uitspraak: 7 november 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Rijpwetering, gemeente Kaag en Braassem,

en

de raad van de gemeente Kaag en Braassem,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Oud Ade en Rijpwetering" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 oktober 2018, waar [appellant] en de raad, vertegenwoordigd door [gemachtigden], zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het plan voorziet in een actueel planologisch kader voor de kernen Oud Ade en Rijpwetering, gelegen in de gemeente Kaag en Braassem.

2.    [appellant] woont aan de [locatie] te Rijpwetering. Zijn perceel beslaat een stuk grond dat gedeeltelijk bestemd is voor recreatiedoeleinden. De Achterdijk is onderdeel van het plangebied.

Toetsingskader

3.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Bestemming "Wonen" onterecht niet toegekend

4.    [appellant] betoogt dat de raad ten onrechte niet de bestemming "Wonen" heeft toegekend aan het achterste gedeelte van zijn perceel [locatie]. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat het vestigen van een woonbestemming op dit deel van zijn perceel niet in overeenstemming is met de Maatschappelijk Ruimtelijke Structuurvisie 2025 (hierna: de MRSV). [appellant] is het hier niet mee eens. Daartoe stelt hij dat de woning die hij voornemens is om te bouwen goed past in de omgeving en derhalve een kwalitatieve verbetering is ten opzichte van de huidige situatie. Daarbij wijst [appellant] erop dat er in de afgelopen jaren een zestal woningen is gerealiseerd in de directe omgeving van zijn perceel.

    Voorts wijst [appellant] op het rapport van Van der Reest Advies van 18 juni 2018. In dat rapport is vermeld dat uit het ambtelijk advies, dat ten grondslag heeft gelegen aan de reactie van het college op het principeverzoek van 20 januari 2018, is gebleken dat de bestemmingswijziging naar "Wonen" wel degelijk verenigbaar is met de MRSV. Uit het ambtelijk advies blijkt volgens het rapport dat er voor een recreatiebestemming geen perspectief is op het perceel [locatie] omdat het een recreatie-enclave is binnen een woongebied. Daarnaast bieden ook andere recreatieve invullingen van de bestemming geen perspectief. Met een beroep op de MRSV wordt geconcludeerd dat een bestemmingswijziging van "Recreatie" naar "Wonen" een wenselijke ontwikkeling is. Volgens het ambtelijk advies zou de bestemmingswijziging leiden tot een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in die zin dat een woning met landelijk karakter veel beter aansluit op de bestaande bebouwing. Gelet op het vorenstaande is [appellant] van mening dat de raad ten onrechte niet de bestemming "Wonen" aan het achterste gedeelte van het perceel [locatie] heeft toegekend.

4.1.    De raad heeft in de nota van beantwoording zienswijzen verwezen naar de reactie van het college van 17 december 2015 op het principeverzoek van [appellant] van 10 juli 2014. Daarin heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het wijzigen van de bestemming van een gedeelte van het perceel [locatie] van "Recreatie" naar "Wonen" in strijd is met de gemeentelijke visie die gericht is op een recreatieve ontwikkeling nabij Koppoel en in de dorpskern van Rijpwetering. De recreatiebestemming op dit perceelsgedeelte past volgens deze reactie binnen de uitgangspunten van intensieve recreatie zoals benoemd in de MRSV. Het niet toekennen van een recreatiebestemming is niet nodig om bij te dragen aan de ruimtelijke kwaliteit.

4.2.    De Afdeling stelt vast dat de raad het bestemmingsplan heeft getoetst aan de structuurvisie zoals die gold op 18 december 2018. In de MRSV staat een aantal strategische keuzes waarvan in deze zaak vooral van belang is dat de raad in de kern van Rijpwetering niet aanstuurt op nieuwe woningbouwplannen. [appellant] wenst een nieuwe woning te realiseren op het achterste gedeelte van zijn perceel waaraan de bestemming "Recreatie" is toegekend. In de MRSV wordt de dorpskern van Rijpwetering echter aangemerkt als een locatie waar het woningaanbod slechts nog kwalitatief maar niet kwantitatief wordt uitgebreid. Ten aanzien van recreatie blijkt uit de MRSV dat er juist ruimte is voor groei. De raad vindt het wenselijk om de functie van Rijpwetering als recreatief knooppunt te versterken. In de MRSV is vermeld dat de gemeente er bewust voor kiest om niet overal recreatie mogelijk te maken, maar om die op bepaalde locaties te intensiveren. De intensivering kan volgens de MRSV langs de oevers in en bij dorpen, bij het Vennemeer en de Koppoel. De gemeente geeft volgens de MRSV bestaande watersport -, horeca - en recreatiebedrijven zo veel mogelijk de ruimte om te groeien en nieuwe horeca- en recreatiebedrijven de gelegenheid zich te vestigen.

    Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat de raad in redelijkheid heeft kunnen afzien van het toekennen van de bestemming "Wonen" aan het achterste gedeelte van perceel [locatie]. Het betoog faalt.

Uitvoerbaarheid van het plan

5.    [appellant] voert aan dat het achterste gedeelte van zijn perceel geen toekomst heeft met een recreatiebestemming vanwege maatschappelijke en feitelijke ontwikkelingen die een commerciële exploitatie van het perceel [locatie] als recreatiegrond verhinderen. [appellant] heeft het bovenstaande onderbouwd met twee onderzoeken, te weten het rapport van GVB architecten van 19 januari 2018 en de marktverkenning van Van der Reest Advies van 10 januari 2018. Uit de rapporten blijkt dat het recreatieterrein, gelegen op het achterste gedeelte van perceel [locatie], is omringd door woningbouw. Gelet daarop worden de mogelijkheden voor het recreatieterrein volgens [appellant] aanzienlijk beperkt. Zo is de privacy voor recreanten verminderd en kan gebruik van het recreatieterrein leiden tot overlast voor de omliggende woningen. Uit de marktverkenning blijkt volgens [appellant] dat het recreatiepotentieel van het achterste gedeelte van perceel [locatie] sterk verminderd is. Dat komt onder meer door een krimpende binnenlandse kampeermarkt. Mensen hebben steeds minder behoefte aan vaste kampeerplekken en zoeken juist de luxe en kleinschaligheid van een bed and breakfast (hierna: b&b) op. Voor de exploitatie van zijn b&b heeft [appellant] de recreatiebestemming op het achterste deel van zijn perceel echter niet nodig. Gelet hierop betoogt [appellant] dat de bestemming "Recreatie" op het achterste deel van zijn perceel [locatie] niet uitvoerbaar is.

5.1.    De raad stelt dat de door [appellant] overgelegde rapporten niet aantonen dat invulling van de recreatiebestemming niet mogelijk is. Het rapport van Van der Reest Advies noemt volgens de raad de mogelijkheid van het plaatsen van chalets van 70 m2 of aanvulling dan wel ondersteuning van de b&b. De invulling met woonfuncties om het recreatieve perceel heen acht de raad een verbeterde ruimtelijke situatie ten opzichte van de voorheen aanwezige bedrijfslocaties. Ook stelt de raad dat voor de uitvoerbaarheid van de bestemming niet per se bepalend is wat [appellant] met de gronden wenst aan te vangen. De raad heeft bij het toekennen van de bestemming "Recreatie" aan het achterste gedeelte van perceel [locatie] geabstraheerd van de huidige eigenaar.

5.2.    De Afdeling stelt voorop dat in het kader van een beroep tegen een bestemmingsplan een betoog dat ziet op de uitvoerbaarheid van dat plan slechts kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit indien en voor zover het aangevoerde leidt tot de conclusie dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd binnen de planperiode van in beginsel tien jaar.

5.3.    De Afdeling stelt vast dat het achterste gedeelte van het perceel [locatie] bestemd is voor "Recreatie". Uit de planregels blijkt dat de gronden zijn aangewezen voor een kampeerterrein met verblijfsrecreatie van categorie 1 en 2. Daaronder vallen kampeermiddelen zoals tenten en caravans en verblijfsrecreatieve gebouwen tot 36 m2.

    De Afdeling overweegt dat voor de vraag of die bestemming uitvoerbaar is bepalend is of een willekeurige eigenaar de bestemming "Recreatie" al dan niet als onderdeel van een groter recreatiebedrijf kan realiseren. Dat dit niet het geval kan zijn blijkt niet uit de rapporten die [appellant] heeft overgelegd.

    Gelet op het bovenstaande bestaat geen aanleiding voor de conclusie dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan, voor zover het de bestemming "Recreatie" op het achterste gedeelte van het perceel [locatie] betreft, niet kan worden uitgevoerd binnen de planperiode van in beginsel tien jaar. Het betoog faalt.

Conclusie

6.    Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant] ongegrond.

Proceskosten

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, griffier.

w.g. Van Diepenbeek    w.g. Lap

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 november 2018

288-901.