Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:361

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-01-2018
Datum publicatie
07-02-2018
Zaaknummer
201608027/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 december 2015 heeft de staatssecretaris de vreemdeling ongewenst verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201608027/1/V1.

Datum uitspraak: 31 januari 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 27 september 2016 in zaak nr. 16/9748 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2015 heeft de staatssecretaris de vreemdeling ongewenst verklaard.

Bij besluit van 13 april 2016 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 september 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. E. Schoneveld, advocaat te Haarlem, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

2.    De vreemdeling bezit de Colombiaanse nationaliteit en beschikt over een vergunning voor verblijf in Spanje. De echtgenote van de vreemdeling bezit de Spaanse nationaliteit. De staatssecretaris heeft de vreemdeling ongewenst verklaard krachtens artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) omdat hij geen rechtmatig verblijf heeft en is veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf wegens het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne.

3.    De staatssecretaris klaagt in de grieven dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat Richtlijn 2008/115/EG (de Terugkeerrichtlijn) niet op de vreemdeling van toepassing is en daarom kan worden afgezien van toetsing aan het unierechtelijke openbare orde-begrip. Daartoe voert de staatssecretaris aan dat de door hem gegeven motivering voldoende dragend is. Deze motivering houdt in dat de ongewenstverklaring geen maatregel is als bedoeld in artikel 11 van de Terugkeerrichtlijn omdat het in dat artikel bedoelde inreisverbod het verblijf verbiedt op het grondgebied van alle lidstaten van de Europese Unie terwijl de ongewenstverklaring beperkt is tot het grondgebied van Nederland.

3.1.    In het besluit van 18 december 2015, dat bij het besluit van 13 april 2016 is gehandhaafd, heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat de vreemdeling beschikt over een Spaanse verblijfstitel, zodat hij niet onder de regels van het Europese inreisverbod valt die zijn opgenomen in afdeling 3, hoofdstuk 6 van de Vw 2000, maar onder de regels van de nationale ongewenstverklaring die zijn opgenomen in artikel 67 van de Vw 2000.

3.2.    Dit standpunt is onjuist. De vreemdeling heeft niet gesteld dat hij zich samen met zijn echtgenote naar Nederland heeft begeven en evenmin dat hij zich in Nederland bij haar ging voegen, zodat hij niet kan worden aangemerkt als gemeenschapsonderdaan zoals gedefinieerd in artikel 1, onder 'gemeenschapsonderdanen', sub 2, van de Vw 2000. Dit betekent dat de enkele omstandigheid dat de vreemdeling over een Spaanse verblijfstitel beschikt niet in de weg staat aan de toepassing van afdeling 3 van hoofdstuk 6 van de Vw 2000 en derhalve niet met zich brengt dat artikel 67 van de Vw 2000 op de vreemdeling van toepassing is.

De toepassing van afdeling 3 van hoofdstuk 6 van de Vw 2000 betekent dat de vreemdeling wordt opgedragen zich onmiddellijk naar het grondgebied van Spanje te begeven en dat, indien dit bevel niet wordt nageleefd of indien om redenen van openbare orde of nationale veiligheid het onmiddellijke vertrek van de vreemdeling is vereist, de vreemdeling wordt opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten. Vervolgens kan dan wel moet een inreisverbod tegen hem worden uitgevaardigd.

Het besluit van 13 april 2016 kan reeds gelet op het voorgaande niet in stand blijven. De grieven kunnen daarom niet tot het ermee beoogde doel leiden, zodat zij falen.

4.    Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.    De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 501,00 (zegge: vijfhonderdeen euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. E. de Groot, griffier.

w.g. Verheij    w.g. De Groot

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2018

210.

BIJLAGE

Richtlijn 2008/115/EG (de Terugkeerrichtlijn)

Artikel 11

1.    Het terugkeerbesluit gaat gepaard met inreisverbod:

a)    indien er geen termijn voor vrijwillig vertrek is toegekend, of

b)    indien niet aan de terugkeerverplichting is voldaan.

In de overige gevallen kan het terugkeerbesluit een inreisverbod omvatten.

2.    De duur van het inreisverbod wordt volgens alle relevante omstandigheden van het individuele geval bepaald, en bedraagt in principe niet meer dan vijf jaar. De duur kan meer dan vijf jaar bedragen indien de onderdaan van een derde land een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid.

3.    De lidstaten overwegen de intrekking of schorsing van het inreisverbod dat overeenkomstig lid 1, tweede alinea, is uitgevaardigd tegen een onderdaan van een derde land, mits deze kan aantonen het grondgebied van een lidstaat geheel in overeenstemming met het terugkeerbesluit te hebben verlaten.

    Tegen slachtoffers van mensenhandel aan wie een verblijfstitel is verstrekt overeenkomstig Richtlijn 2004/81/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie, en die met de bevoegde autoriteiten samenwerken wordt, onverminderd het bepaalde in lid 1, eerste alinea, onder b), en op

voorwaarde dat zij geen bedreiging vormen voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid, geen inreisverbod uitgevaardigd.

    In individuele gevallen kunnen de lidstaten om humanitaire of andere redenen afzien van een inreisverbod, dan wel het verbod intrekken of schorsen.

    In individuele gevallen of voor bepaalde categorieën gevallen kunnen de lidstaten om andere redenen een inreisverbod intrekken of schorsen.

4.    De lidstaat die overweegt een verblijfstitel of een andere vorm van toestemming tot verblijf af te geven aan de onderdaan van een derde land jegens wie een door een andere lidstaat uitgevaardigd inreisverbod geldt, pleegt vooraf overleg met de lidstaat die het inreisverbod heeft uitgevaardigd en houdt rekening met diens belangen, overeenkomstig artikel 25 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst.

5.    De leden 1 tot en met 4 laten in de lidstaten onverlet het recht op internationale bescherming in de zin van artikel 2, onder a), van Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft en de inhoud van de verleende bescherming.

Vreemdelingenwet 2000

Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

Gemeenschapsonderdanen:

1°    onderdanen van de lidstaten van de Europese Unie die op grond van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie gerechtigd zijn een andere lidstaat binnen te komen en er te verblijven;

2°    familieleden van de onder 1° genoemden die de nationaliteit van een derde staat bezitten en die uit hoofde van een ter toepassing van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie genomen besluit gerechtigd zijn een lidstaat binnen te komen en er te verblijven;

3°    onderdanen van een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992, die ter zake van binnenkomst en verblijf in een lidstaat rechten genieten die gelijk zijn aan die van burgers van de lidstaten van de Europese Unie;

4°    familieleden van de onder 3° genoemden die de nationaliteit van een derde staat bezitten en die krachtens bovengenoemde Overeenkomst gerechtigd zijn een lidstaat binnen te komen en er te verblijven;

5°    onderdanen van de Zwitserse Bondsstaat, indien zij verblijven op grond van de op 21 juni 1999 te Luxemburg totstandgekomen Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen (Trb. 2000, 16 en 86);

6°    familieleden van de onder 5° genoemden die de nationaliteit van een derde staat bezitten en die krachtens de onder 5° genoemde Overeenkomst gerechtigd zijn een lidstaat binnen te komen en er te verblijven;

(…)

Hoofdstuk 6. Vertrek, uitzetting en overdracht, inreisverbod en ongewenstverklaring

Afdeling 1

(…)

Artikel 62

1.    Nadat tegen de vreemdeling een terugkeerbesluit is uitgevaardigd dan wel, indien het een gemeenschapsonderdaan betreft, nadat het rechtmatig verblijf van de vreemdeling is geëindigd, dient hij Nederland uit eigen beweging binnen vier weken te verlaten.

2.    Onze Minister kan de voor een vreemdeling geldende termijn, bedoeld in het eerste lid, verkorten, dan wel, in afwijking van het eerste lid, bepalen dat een vreemdeling Nederland onmiddellijk moet verlaten, indien:

a.    een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken;

b.    de aanvraag van de vreemdeling tot het verlenen van een verblijfsvergunning of tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning is afgewezen als kennelijk ongegrond of wegens het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens; of

c.    de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid.

(…)

Artikel 62a

1.    Onze Minister stelt de vreemdeling, niet zijnde gemeenschapsonderdaan, die niet of niet langer rechtmatig verblijf heeft, schriftelijk in kennis van de verplichting Nederland uit eigen beweging te verlaten en van de termijn waarbinnen hij aan die verplichting moet voldoen, tenzij:

a.    reeds eerder een terugkeerbesluit tegen de vreemdeling is uitgevaardigd en aan de daaruit voortvloeiende terugkeerverplichting niet is voldaan,

b.     de vreemdeling in bezit is van een door een andere lidstaat afgegeven geldige verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf, of

c.     de vreemdeling door een andere lidstaat van de Europese Unie wordt teruggenomen op grond van een op 13 januari 2009 geldende bilaterale of multilaterale overeenkomst of regeling.

2.    De kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, geldt als terugkeerbesluit en kan tevens een inreisverbod inhouden.

3.    De vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt opgedragen zich onmiddellijk naar het grondgebied van de betrokken lidstaat te begeven. Indien dit bevel niet wordt nageleefd of indien om redenen van openbare orde of nationale veiligheid het onmiddellijke vertrek van vreemdeling is vereist, wordt tegen de vreemdeling een terugkeerbesluit uitgevaardigd.

(…)

Afdeling 3. Inreisverbod

Artikel 66a

1.    Onze Minister vaardigt een inreisverbod uit tegen de vreemdeling, die geen gemeenschapsonderdaan is, op wie artikel 64 niet van toepassing is en die Nederland:

a.    onmiddellijk moet verlaten ingevolge artikel 62, tweede lid, of

b.    niet uit eigen beweging binnen de daarvoor geldende termijn heeft verlaten, in welk laatste geval het inreisverbod slechts door middel van een zelfstandige beschikking wordt uitgevaardigd dan wel een beschikking die mede strekt tot wijziging van het reeds gegeven terugkeerbesluit.

2.    Onze Minister kan een inreisverbod uitvaardigen tegen de vreemdeling, die geen gemeenschapsonderdaan is en die Nederland niet onmiddellijk moet verlaten.

(…)

Afdeling 4. Ongewenstverklaring

Artikel 67

1.    Tenzij afdeling 3 van toepassing is, kan Onze Minister de vreemdeling ongewenst verklaren:

(…)

c.    indien hij een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid en geen rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e dan wel l;

(…)