Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:3604

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-11-2018
Datum publicatie
07-11-2018
Zaaknummer
201709690/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 november 2017 heeft het college zijn beslissing om op 31 oktober 2017 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 (hierna: de Afvalstoffenverordening) van de gemeente Den Haag aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte (€ 126,00) van de kosten van de toepassing van bestuursdwang voor rekening van [appellant] komt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201709690/1/A1.

Datum uitspraak: 7 november 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Den Haag,

appellant,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 9 november 2017 heeft het college zijn beslissing om op 31 oktober 2017 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 (hierna: de Afvalstoffenverordening) van de gemeente Den Haag aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte (€ 126,00) van de kosten van de toepassing van bestuursdwang voor rekening van [appellant] komt.

Bij besluit van 4 december 2017 heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 augustus 2018, waar [appellant], vergezeld door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. F. Naghi-Zadeh, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een doos die op 31 oktober 2017 naast de aangewezen inzamelvoorziening op de Waldeck Pyrmontkade ter hoogte van huisnummer 926 is aangetroffen. Omdat in de doos een poststuk met de adresgegevens van [appellant] is aangetroffen, stelt het college zich op het standpunt dat de doos van hem afkomstig is en dat hij als overtreder van artikel 9, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening dient te worden aangemerkt.

2.    [appellant] betwist dat hij de overtreding heeft begaan. Hij geeft aan dat zijn partner het afval in de papiercontainer heeft gestopt. [appellant] vermoedt dat iemand het afval (een tijdschrift) uit de container heeft getrokken en in de doos heeft gegooid, om zo zijn eigen afval weg te kunnen gooien.

2.1.    Artikel 5:1, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht luidt: "Onder overtreder wordt verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt."

    Artikel 5:25, eerste lid, luidt: "De toepassing van bestuursdwang geschiedt op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen."

    Artikel 4, tweede lid, van de Afvalstoffenverordening luidt: "Het college kan aanwijzen via welk al dan niet van gemeentewege verstrekt inzamelmiddel of via welke inzamelvoorziening de inzameling van een bepaalde categorie huishoudelijke afvalstoffen ten behoeve van de gebruiker van een perceel plaatsvindt."

    Artikel 9, eerste lid, luidt: "Het is de gebruiker van een perceel, voor wie krachtens artikel 4, tweede lid een inzamelmiddel of inzamelvoorziening is aangewezen, verboden de huishoudelijke afvalstoffen anders aan te bieden dan via het betreffende inzamelmiddel of de betreffende inzamelvoorziening of het betreffende brengdepot."

2.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 25 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2899, zal in de regel mogen worden aangenomen dat de persoon tot wie de aangetroffen afvalstoffen kunnen worden herleid, ook de overtreder is. Dit geldt echter niet indien die persoon aannemelijk maakt dat hij niet degene is geweest die het te handhaven voorschrift heeft geschonden.

2.3.    Vast staat dat op 31 oktober 2017 naast een papiercontainer op de Waldeck Pyrmontkade ter hoogte van nummer 926 een doos is aangetroffen met daarin een poststuk met de adresgegevens van [appellant]. De doos kan derhalve tot hem worden herleid, zodat het college er van mocht uitgaan dat hij de overtreder is, tenzij [appellant] aannemelijk maakt dat hij niet degene is geweest die de doos in strijd met de Afvalstoffenverordening heeft aangeboden. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat niet hij, maar een ander, de doos op onjuiste wijze heeft aangeboden. De niet nader onderbouwde stelling dat mogelijk iemand het tijdschrift uit de papiercontainer heeft gehaald en in de aangetroffen doos heeft gestopt, is daarvoor onvoldoende. Ook de omstandigheid dat de partner van [appellant] juist een melding heeft gedaan bij de gemeente omdat de papiercontainer vol zat, is op zichzelf onvoldoende om aannemelijk te achten dat een ander de doos op onjuiste wijze heeft aangeboden. Het college mocht dan ook een gedeelte van de kosten van de bestuursdwang op hem verhalen.

    Het betoog faalt.

3.    Het beroep is ongegrond.

4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, griffier.

w.g. Lubberdink    w.g. Van Roessel

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 november 2018

457-884.