Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:3602

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-11-2018
Datum publicatie
07-11-2018
Zaaknummer
201708623/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2017:4863, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 maart 2015 heeft het college een verzoek van [appellant] om handhavend op te treden vanwege het zonder vergunning aanbrengen van beton en/of poeren onder de woning van [belanghebbende A] en [belanghebbende B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [belanghebbende]) aan de [locatie 1] te Ede afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BA 2018/337
JOM 2019/46
AB 2019/123 met annotatie van T.N. Sanders
JGROND 2019/28 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201708623/1/A1.

Datum uitspraak: 7 november 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Ede,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 20 september 2017 in zaken nrs. 15/6485 en 15/6566 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Ede.

Procesverloop

Bij besluit van 18 maart 2015 heeft het college een verzoek van [appellant] om handhavend op te treden vanwege het zonder vergunning aanbrengen van beton en/of poeren onder de woning van [belanghebbende A] en [belanghebbende B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [belanghebbende]) aan de [locatie 1] te Ede afgewezen.

Bij afzonderlijk besluit van 18 maart 2015 heeft het college een verzoek van [appellant] om intrekking van de aan [belanghebbende] bij besluit van 7 april 2014 verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van 4 poeren afgewezen.

Bij besluit van 17 september 2015 heeft het college het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 18 maart 2015 tot weigering om handhavend op te treden ongegrond verklaard en dat besluit gehandhaafd (hierna: besluit I).

Bij afzonderlijk besluit van 17 september 2015 heeft het college het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 18 maart 2015 tot afwijzing van zijn verzoek om intrekking van de omgevingsvergunning ongegrond verklaard en dat besluit gehandhaafd (hierna: besluit II).

Bij uitspraak van 20 september 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] tegen besluit I ingestelde beroep ongegrond verklaard. Voorts heeft de rechtbank het door [appellant] tegen besluit II ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand gelaten. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college en [belanghebbende] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Bij brief van 17 januari 2018 heeft [belanghebbende] opgemerkt voorwaardelijk incidenteel hoger beroep in te stellen. [appellant] heeft zijn zienswijze daarop gegeven.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 september 2018, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. W.H.R. van Boetzelaer, advocaat te Heerenveen, en [gemachtigde], het college, vertegenwoordigd door W.M.C. Vermeulen, ing. H. Loermans en mr. L.M. Scheuter, en [belanghebbende] zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] woont in een twee-onder-een-kapwoning aan de [locatie 2] te Ede. De andere zijde van de twee-onder-een-kapwoning wordt bewoond door [belanghebbende]. Op 22 mei 1996 is aan [belanghebbende] een bouwvergunning verleend voor het bouwen van een onderkelderde garage naast zijn woning. Nadien is gebleken dat in verband met de bouw van de garage onder de woning van [belanghebbende] 4 poeren zijn aangebracht om te voorkomen dat de woning zou wegzakken, zonder de daarvoor vereiste bouwvergunning. Bij besluit van 7 april 2014 heeft het college aan [belanghebbende] alsnog een omgevingsvergunning verleend voor het aanbrengen van die poeren.

    [appellant] heeft het college bij brieven van 13 februari 2015 en 13 maart 2015 verzocht om handhavend op te treden vanwege het zonder vergunning aanbrengen van beton en/of poeren onder de woning van [belanghebbende]. Bij de brief van 13 maart 2015 heeft hij voorts verzocht om intrekking van de omgevingsvergunning van 7 april 2014.

2.    [appellant] heeft eerder een handhavingsverzoek ingediend in verband met de onderkelderde garage, omdat die volgens hem in afwijking van de in 1996 verleende bouwvergunning en het Bouwbesluit was gebouwd en in stand werd gelaten. Dat handhavingsverzoek heeft geleid tot de tussenuitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2501, en de einduitspraak van 25 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1391. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling het college opgedragen om op basis van nader onderzoek te beoordelen of de onderkelderde garage in strijd met het Bouwbesluit was gebouwd en in stand werd gelaten. Daartoe moest het college in ieder geval onderzoeken of tussen de kelder onder de garage en de rechterzijde van de woning van [belanghebbende] een betonblok van 10 tot 15 m3 aanwezig was, zoals door [appellant] was gesteld in die handhavingsprocedure. Het college heeft naar aanleiding van de tussenuitspraak ingenieursbureau ABT onderzoek laten doen naar de aanwezigheid van dit betonblok. Bij dit onderzoek is door ABT geen betonblok aangetroffen. In de einduitspraak heeft de Afdeling kritiek van [appellant] op het onderzoek van ABT verworpen en is de Afdeling er op basis van dat onderzoek van uitgegaan dat er geen beton aanwezig is tussen de kelder en de rechterzijde van de woning van [belanghebbende]. Over de 4 poeren onder de woning van [belanghebbende] heeft de Afdeling in de tussenuitspraak overwogen dat het college niet meer bevoegd was om handhavend op te treden, gelet op de daarvoor alsnog verleende omgevingsvergunning van 7 april 2014.

    [appellant] stelt zich in de huidige procedure op het standpunt dat tijdens de bouw van de onderkelderde garage in 1996 (naast de 4 poeren aan de rechterzijde van de woning) ook zonder vergunning beton is gestort en/of 2 poeren zijn geplaatst aan de rechtervoorzijde van de woning van [belanghebbende]. Het handhavingsverzoek in de huidige procedure heeft, zoals ter zitting bij de Afdeling is bevestigd, hierop betrekking. Wat de 4 poeren aan de rechterzijde van de woning betreft, heeft [appellant] verzocht om intrekking van de daarvoor op 7 april 2014 verleende omgevingsvergunning.

Geen incidenteel hoger beroep

3.    De brief van 17 januari 2018, waarin [belanghebbende] heeft opgemerkt voorwaardelijk hoger beroep in te stellen, bevat geen gronden tegen de uitspraak van de rechtbank, maar verwijst slechts naar zijn brief van dezelfde datum, waarin hij verweer voert tegen het hoger beroep van [appellant]. Zoals ter zitting bij de Afdeling is vastgesteld, heeft [belanghebbende] met deze brief geen incidenteel hoger beroep ingesteld, nu een incidenteel hoger beroep gronden dient te bevatten tegen de uitspraak van de rechtbank (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 11 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2759).

Het handhavingsverzoek

4.    [appellant] betoogt, onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 18 juni 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AG1727, en van 18 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2467, dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het aan hem is om sluitend bewijs te leveren van de door hem gestelde overtreding. Het was volgens [appellant] aan het college om daar onderzoek naar te doen. Dat had met relatief weinig kosten kunnen gebeuren, aldus [appellant].

4.1.    De rechtbank heeft overwogen dat [appellant] geen begin van bewijs heeft geleverd dat zich, zoals door hem gesteld, aan de rechtervoorzijde van de woning van [belanghebbende] beton en/of 2 poeren bevinden. De verklaringen van [appellant] zelf en een drietal buren, [buur 1] en [buur 2] en [buur 3], dat in 1996 aan de rechtervoorzijde van de woning tijdens de bouw van de onderkelderde garage grond is weggezakt, zijn daarvoor volgens de rechtbank onvoldoende. Uit die verklaringen blijkt immers niet hoe dat gestelde probleem vervolgens is opgelost en het is slechts een aanname van [appellant] dat dit is gebeurd door onder de rechtervoorzijde van de woning beton te storten en/of poeren te plaatsen, aldus de rechtbank. Zonder enig begin van bewijs hoefde het college volgens de rechtbank geen nader onderzoek naar de gestelde overtreding te doen.

4.2.    Anders dan [appellant] stelt, heeft de rechtbank niet overwogen dat het aan hem was om sluitend bewijs te leveren van de door hem gestelde overtreding, maar om een begin van bewijs van die overtreding te leveren. Naar het oordeel van de Afdeling is de rechtbank er terecht van uitgegaan dat het in dit geval aan [appellant] was om dat te doen.

    Hoewel het in beginsel aan het bevoegd gezag is om naar aanleiding van een verzoek om handhaving onderzoek te doen naar de gestelde overtreding, kan in bijzondere situaties van de verzoeker om handhaving een begin van bewijs van de gestelde overtreding worden gevergd alvorens een verplichting tot (nader) onderzoek voor het bevoegd gezag ontstaat. Gelet op de vorige handhavingsprocedure, waarover de Afdeling in de uitspraak van 25 mei 2016 heeft geoordeeld, doet zich in deze zaak zo’n bijzondere situatie voor. In de vorige handhavingsprocedure zijn de verklaringen over wat er in 1996 zou zijn gebeurd al aan de orde geweest en de Afdeling heeft daarin toen aanleiding gezien om het college opdracht te geven onderzoek te laten doen naar de aanwezigheid van een betonblok - van naar gesteld 10 tot 15 m3 - op de plek waar dat beton volgens het toenmalige relaas van [appellant] zou liggen, namelijk tussen de onderkelderde garage en de woning. Bij het vervolgens door ABT uitgevoerde onderzoek is op die plek geen beton aangetroffen. In de huidige handhavingsprocedure stelt [appellant] dat er in 1996 (ook) onder de rechtervoorzijde van de woning beton is gestort en/of 2 poeren zijn geplaatst. Gelet op de vorige procedure was het aan [appellant] om zijn gewijzigde relaas met een begin van bewijs te onderbouwen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de verklaringen van [appellant], [buur 1] en [buur 2] en [buur 3] dat begin van bewijs niet leveren, reeds omdat geen van die verklaringen iets zegt over het storten van beton of het plaatsen van poeren. Het is, zoals de rechtbank heeft overwogen, enkel een aanname van [appellant] dat het niet anders kan zijn dat destijds beton en/of poeren zijn aangebracht aan de rechtervoorzijde van de woning van [belanghebbende].

    Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college het verzoek om handhaving zonder nader onderzoek heeft mogen afwijzen en dat in zoverre niet relevant is of, zoals [belanghebbende] stelt, nader onderzoek naar de door hem gestelde overtreding relatief eenvoudig zou zijn. De verwijzing door [appellant] naar de uitspraken van 18 juni 2003 en van 18 december 2013 kan niet tot een ander oordeel leiden, nu die uitspraken geen betrekking hadden op een bijzondere situatie als thans aan de orde.

    Het betoog faalt.

Het intrekkingsverzoek

5.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van besluit II in stand heeft gelaten. Hij betwist het oordeel van de rechtbank dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de omgevingsvergunning van 7 april 2014 ook zonder de onjuiste gegevens over de 4 poeren zou zijn verleend. De poeren voldoen volgens [appellant] niet aan de vereisten van het Bouwbesluit, waardoor schade aan zijn woning is opgetreden. Ook aan de woning van [belanghebbende] is daardoor schade opgetreden, aldus [appellant]. De rechtbank heeft volgens hem in dat verband ten onrechte overwogen dat op een door hem overgelegde foto van de voorgevel van de woning van [belanghebbende] geen scheur is te zien.

5.1.    De rechtbank heeft besluit II vernietigd, omdat het college volgens de rechtbank voorafgaand aan het nemen daarvan ten onrechte geen onderzoek had gedaan naar de vraag of de 4 poeren feitelijk anders zijn gebouwd dan vergund bij het besluit van 7 april 2014. Volgens de rechtbank is de omvang van de poeren zelf en van de voeten daarvan onzeker en is aannemelijk dat de poeren in 1996 feitelijk anders zijn gebouwd dan zoals zij in 2014 op basis van de toen door [belanghebbende] ingediende aanvraag zijn vergund, zodat de omgevingsvergunning is verleend op grond van onjuiste gegevens. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit echter in stand gelaten, omdat het college zich volgens de rechtbank op het standpunt heeft mogen stellen dat de omgevingsvergunning ook zonder de onjuiste gegevens zou zijn verleend. Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht dat de afwijkende wijze waarop de poeren zijn gebouwd de afgelopen 20 jaar kennelijk niet heeft geleid tot problemen voor de fundering of constructieve veiligheid van de woning van [belanghebbende]. Dat de afwijkende wijze waarop de poeren zijn gebouwd wel tot problemen zou hebben geleid bij de woning van [appellant] is volgens de rechtbank niet aannemelijk geworden.

5.2.    Ingevolge artikel 5.19, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) kan het bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning of ontheffing te verlenen, de vergunning of ontheffing geheel of gedeeltelijk intrekken, indien de vergunning of ontheffing ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend. Zoals volgt uit onder meer de uitspraak van de Afdeling van 13 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:26, is voor intrekking van een omgevingsvergunning wegens een onjuiste of onvolledige opgave als bedoeld in artikel 5.19, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo, noodzakelijk dat vaststaat dat de omgevingsvergunning juist wegens de onjuistheid in de overgelegde gegevens is verleend.

5.3.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat aannemelijk is dat het college de omgevingsvergunning van 7 april 2014 ook zou hebben verleend als bij de aanvraag juiste en volledige gegevens waren verstrekt over de wijze waarop de 4 poeren in 1996 zijn gebouwd, zodat geen grond bestaat voor het oordeel dat de omgevingsvergunning juist wegens een onjuiste of onvolledige opgave in de overgelegde gegevens is verleend. Daarbij heeft de rechtbank terecht betrokken dat er 20 jaar zijn verstreken sinds het bouwen van de poeren. Aannemelijk is dat, als de wijze waarop de poeren in 1996 zijn gebouwd gevolgen zou hebben gehad voor de fundering of de constructieve veiligheid, dat intussen zou zijn gebleken bij de woning van [belanghebbende]. Van dergelijke gevolgen bij die woning is echter niet gebleken. De Afdeling merkt daarbij op dat, voor zover al uit de door [appellant] overgelegde foto van de voorgevel van de woning van [belanghebbende] blijkt van enige scheurvorming, niet blijkt van scheurvorming die op funderingsproblemen duidt. De rechtbank heeft verder terecht niet aannemelijk geacht dat, zoals gesteld door [appellant], de problemen bij zijn woning hun oorzaak vinden in de wijze waarop de 4 poeren, die zijn gelegen aan de andere zijde van de woning van [belanghebbende] ten opzichte van de woning van [appellant], zijn gebouwd. De door [appellant] overgelegde rapporten bieden onvoldoende aanknopingspunten om dit aannemelijk te achten. Deze rapporten zijn deels gebaseerd op aannames met betrekking tot de fundering van de woningen van [appellant] en [belanghebbende] die door het college zijn betwist en sluiten voorts de mogelijkheid dat de problemen bij de woning van [appellant] een andere oorzaak dan de 4 poeren hebben niet uit. Zo is door NVO Bouwkeuringen in een rapport van een in opdracht van [appellant] op 31 januari 2013 uitgevoerde bouwinspectie van zijn woning geconstateerd dat sprake is van scheurvorming die erop duidt dat waarschijnlijk nog zetting plaatsvindt, met de opmerking dat alleen aanvullend gespecialiseerd onderzoek hieromtrent uitsluitsel kan geven en het advies om in zoverre tot nader onderzoek van de fundering van de woning van [appellant] over te gaan. Hieruit kan worden afgeleid dat NVO Bouwkeuringen niet uitsloot dat mogelijke verzakkingen werden veroorzaakt door de staat van de eigen fundering van de woning van [appellant]. In een toelichting op het rapport van de bouwtechnische inspectie heeft NVO Bouwkeuringen bij brief van 8 april 2016 nogmaals opgemerkt dat de aanbeveling was om via de fundering van de woning van [appellant] onderzoek te doen naar de oorzaken van het verzakken van de fundering. Dat onderzoek naar de eigen fundering heeft [appellant], zoals is bevestigd ter zitting bij de Afdeling, echter tot op heden niet laten uitvoeren.

5.4.    Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geconcludeerd dat het college terecht niet op grond van artikel 5.19, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo tot intrekking van de omgevingsvergunning is overgegaan. De rechtbank heeft dan ook terecht de rechtsgevolgen van besluit II in stand gelaten.

    Het betoog faalt.

Slotoverwegingen

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient, voor zover aangevallen, te worden bevestigd.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Voor zover [appellant] heeft verzocht om veroordeling van [belanghebbende] tot vergoeding van de door hem voor zijn zienswijze op het incidenteel hoger beroep gemaakte kosten, komt dat verzoek niet voor inwilliging in aanmerking, reeds omdat [belanghebbende], zoals hiervoor is overwogen onder 3, geen incidenteel hoger beroep heeft ingesteld, maar verweer heeft gevoerd tegen het hoger beroep van [appellant].

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter,

en mr. J.Th. Drop en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden,

in tegenwoordigheid van mr. M.P.J.M. van Grinsven, griffier.

w.g. Slump    w.g. Van Grinsven

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 november 2018

462-757.