Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:360

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-01-2018
Datum publicatie
07-02-2018
Zaaknummer
201609959/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 januari 2016 heeft de staatssecretaris de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2018/55 met annotatie van dr. M.H.A. Strik
AB 2018/146 met annotatie van prof. mr. P. Boeles
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201609959/1/V2.

Datum uitspraak: 31 januari 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 1 december 2016 in zaak nr. 16/11964 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 18 januari 2016 heeft de staatssecretaris de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken.

Bij besluit van 4 mei 2016 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 december 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. C.F. Wassenaar, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    Op 17 oktober 2014 heeft referente een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) voor de vreemdeling aangevraagd onder de beperking verblijf als familielid (echtgenoot). Bij besluit van 23 november 2014 is deze aanvraag afgewezen omdat referente niet duurzaam over voldoende middelen van bestaan beschikte. Bij besluit van 30 juni 2015 is het daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en is de mvv alsnog verleend. Op basis van deze mvv heeft de staatssecretaris de vreemdeling op 11 juli 2015 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend. Bij besluit van 18 januari 2016 heeft de staatssecretaris deze verblijfsvergunning ingetrokken met terugwerkende kracht tot 11 juli 2015 met toepassing van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c, gelezen in samenhang met artikel 19, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000). Daaraan heeft de staatssecretaris ten grondslag gelegd dat uit een rapport van bevindingen van een arbeidsinspecteur van de Inspectie SZW blijkt dat het inkomen van referente vanaf januari 2015 sterk is gedaald en dat referente deze wijziging niet aan de staatssecretaris heeft doorgegeven.

2.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

3.    In de eerste grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de omstandigheid dat de staatssecretaris inkomensgegevens uit Suwinet kan raadplegen onverlet laat dat het aan de vreemdeling, dan wel referente was om de juiste gegevens te verstrekken of de staatssecretaris te informeren dat het inkomen van referente was gewijzigd. De vreemdeling betoogt dat uit artikel 24a van de Vw 2000 volgt dat hij niet verplicht was deze gegevens te verstrekken, omdat de polisadministratie van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het UWV) is aangewezen als een administratie bedoeld in deze bepaling. Van het achterhouden van gegevens is dan ook geen sprake. Verder betoogt de vreemdeling dat hij er van mocht uitgaan dat de staatssecretaris op de hoogte was van de wijziging in het inkomen van referente, omdat de staatssecretaris dat zelf uit Suwinet kon halen.

3.1.    Hoewel de rechtbank terecht heeft overwogen dat Suwinet als zodanig niet is aangewezen als administratie, bedoeld in artikel 24a, eerste lid, van de Vw 2000, heeft de rechtbank niet onderkend dat de polisadministratie van het UWV wél als administratie, bedoeld in dat artikellid, is aangewezen. De staatssecretaris kan, naar door hem wordt erkend, deze administratie raadplegen via Suwinet. Dit is echter geen aanleiding de aangevallen uitspraak te vernietigen. Artikel 24a van de Vw 2000 is van toepassing wanneer een aanvraag wordt gedaan en maakt een uitzondering op artikel 4:2 van de Awb wat betreft de gegevens en bescheiden die de vreemdeling bij de aanvraag dient te verschaffen. Dit laat echter onverlet dat op de vreemdeling en referent de verplichting rust de staatssecretaris te melden, als zich nadat de staatssecretaris op de aanvraag heeft beslist wijzigingen in gegevens voordoen die van invloed kunnen zijn op het gevraagde dan wel verleende verblijfsrecht. Referente is daarop gewezen in het door haar ondertekende aanvraagformulier voor een mvv. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht overwogen dat de vreemdeling, dan wel referente de staatssecretaris had dienen te informeren dat de hoogte van het inkomen van referente aanzienlijk was gewijzigd.

4.    In de derde grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zijn handelen als verwijtbaar moet worden aangemerkt en daarmee valt onder fraude als bedoeld in artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, van Richtlijn 2003/86/EG (PB 2003 L 251, met rectificatie in PB 2012 L 71; hierna: de Gezinsherenigingsrichtlijn). De vreemdeling betoogt dat geen sprake is van verwijtbaarheid omdat hij niet verplicht was de inkomensgegevens te verstrekken en hij geen gegevens heeft achtergehouden omdat hij ervan mocht uitgaan dat de staatssecretaris daarvan al op de hoogte was door Suwinet te raadplegen.

4.1.    De staatssecretaris heeft de verleende verblijfsvergunning ingetrokken met toepassing van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c, gelezen in samenhang met artikel 19, van de Vw 2000. Deze artikelen vormen de implementatie van artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, van de Gezinsherenigingsrichtlijn.

4.2.    De bewoordingen "valse of misleidende informatie" en "of anderszins fraude is gepleegd" in artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, van de Gezinsherenigingsrichtlijn wijzen er op dat sprake moet zijn van enig vereiste van opzet of schuld. Daarbij is van belang dat de Commissie in hoofdstuk 7.3 van de Richtsnoeren van 3 april 2014 voor de toepassing van Richtlijn 2003/86/EG inzake het recht op gezinshereniging (COM (2014) 2010) voor de uitleg van het begrip 'fraude' verwijst naar de uitleg van dat begrip in de Richtsnoeren van 2 juli 2009 voor een betere omzetting en toepassing van Richtlijn 2004/38/EG betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (COM (2009) 313; hierna: de Richtsnoeren bij Richtlijn 2004/38/EG). In hoofdstuk 4.1.1. van de Richtsnoeren bij Richtlijn 2004/38/EG wordt het begrip 'fraude' uitgelegd als "bewust bedrog of bewuste misleiding met als doel om op grond van de richtlijn het recht van vrij verkeer en verblijf te krijgen" (vergelijk rechtsoverweging 19 van de uitspraak van de Afdeling van 20 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2492).

4.3.    In artikel 16, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn gaat het dus om de situatie dat een verblijfsrecht is verkregen op basis van onjuiste informatie, terwijl aan het verstrekken van die informatie een bewust handelen ten grondslag moet liggen. Hoewel de in tweede lid gebruikte formulering vooral wijst op een actief handelen, kan fraude ook bestaan uit het achterhouden of verzwijgen van informatie, terwijl de vreemdeling moet hebben geweten dat die informatie van belang is voor de beoordeling over zijn verblijfsrecht.

Het inkomen van referente is vanaf januari 2015 aanzienlijk gedaald. Deze wijziging deed zich al voor voordat de mvv aan de vreemdeling was verleend. De vreemdeling, dan wel referente moet hebben geweten dat deze inkomensdaling van belang was voor de beoordeling van het aangevraagde verblijfsrecht en dat zij de staatssecretaris daarover hadden moeten informeren. Het middelenvereiste is immers een essentieel vereiste waaraan moet zijn voldaan om in aanmerking te komen voor toelating als gezinslid in het kader van gezinshereniging. De persoon waarbij verblijf is beoogd dient duurzaam en zelfstandig over voldoende middelen van bestaan te beschikken. Het aanvraagformulier waarmee referente de mvv heeft aangevraagd, vermeldt onder punt 10 dat er voor referente rechten en plichten ontstaan als zij dit formulier ondertekent. Op het formulier dient aangekruist te worden dat het naar waarheid is ingevuld. Daarbij vermeldt het in hetzelfde tekstblok dat referente wijzigingen in de situatie van de vreemdeling die gevolgen kunnen hebben voor het verblijfsrecht direct aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND) moet doorgeven. Referente heeft het hokje voor dat tekstblok in het formulier aangekruist en het formulier ondertekend. Ook heeft referente als bijlage bij de aanvraag gevoegd het door haar ondertekende formulier waarin zij zich verklaart referent te stellen, als bedoeld in artikel 2a van de Vw 2000, voor de vreemdeling. Dit formulier vermeldt dat referente verplicht is de IND wijzigingen te melden die van invloed kunnen zijn op de verblijfsvergunning. Overigens valt ook uit de omstandigheid dat de staatssecretaris in deze zaak de mvv-aanvraag in eerste instantie had afgewezen omdat referente niet aan het middelenvereiste voldeed, af te leiden dat de vreemdeling dan wel referente moet hebben geweten dat het middelenvereiste een essentieel vereiste is.

Nu de vreemdeling dan wel referent moet hebben geweten dat de daling van het inkomen van referente van belang was voor de beoordeling over het verblijfsrecht en referente dan wel de vreemdeling desondanks heeft nagelaten deze wijziging in de inkomenssituatie aan de staatssecretaris te melden, is frauduleus gehandeld als bedoeld in aan artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, van de Gezinsherenigingsrichtlijn.

5.    In de eerste grief klaagt de vreemdeling verder dat de rechtbank hem ten onrechte niet is gevolgd in zijn betoog dat de intrekking van de verleende verblijfsvergunning in strijd is met de rechtszekerheid. Hij betoogt dat hij er van mocht uitgaan dat de staatssecretaris gelet op de informatie in Suwinet op de hoogte was van de wijziging in het inkomen van referente en dat de staatssecretaris desondanks toch een mvv heeft verleend.

5.1.    Op basis van de verleende mvv heeft de staatssecretaris de vreemdeling een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend. Dat de staatssecretaris de vreemdeling een mvv heeft verleend, betekent niet dat een gerechtvaardigd vertrouwen bestond dat intrekking van de daarop verleende vergunning in strijd is met het vertrouwensbeginsel. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de staatssecretaris niet uitdrukkelijk heeft verklaard dat hij de mvv toch heeft verleend ondanks een daling in de inkomsten van referente. Evenmin is de intrekking van de verleende verblijfsvergunning in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Zoals het Hof van Justitie heeft overwogen (onder andere arrest van 22 november 2017, Cussens, ECLI:EU:C:2017:881, punt 43) kan op het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel geen beroep worden gedaan als bij het voldoen aan de vereisten waaraan moet worden voldaan om het recht te verkrijgen misbruik of fraude is gepleegd. Nu de Afdeling hiervoor onder 4.3 heeft overwogen dat frauduleus is gehandeld, kan het beroep op het rechtszekerheidsbeginsel niet slagen.

6.    Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de staatssecretaris bevoegd was de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in te trekken omdat aan de vereisten van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 was voldaan.

7.    In de tweede grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris gelet op het bepaalde in artikel 3.75, eerste lid, van het Vb 2000 niet heeft hoeven betrekken dat referente vanaf februari 2016 werkzaam is op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. De vreemdeling betoogt dat het onevenredig is de verleende verblijfsvergunning in te trekken, omdat inmiddels wel aan het inkomensvereiste wordt voldaan. Hij stelt zich op het standpunt dat het excessief formalistisch is om van de vreemdeling te verlangen een nieuwe vergunningaanvraag te doen.

7.1.    Hoewel de vreemdeling terecht klaagt dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op zijn betoog dat de staatssecretaris van intrekking van de verleende verblijfsvergunning had moeten afzien omdat referente sinds februari 2016 een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft, bestaat geen aanleiding de aangevallen uitspraak te vernietigen. Dat de vreemdeling in het kader van het gemaakte bezwaar tegen het intrekkingsbesluit een arbeidsovereenkomst van referente heeft overgelegd, maakt niet dat de staatssecretaris alsnog had moeten beoordelen of daarmee op dat moment alsnog aan het middelenvereiste werd voldaan. De staatssecretaris heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat daarvoor geen aanleiding bestaat, omdat de verleende verblijfsvergunning is ingetrokken omdat deze was verkregen vanwege het achterhouden van informatie en dat deze daarom nooit had mogen worden verleend. Gelet op deze gegeven toelichting heeft de staatssecretaris er niet ten onrechte van afgezien die arbeidsovereenkomst te beoordelen.

De tweede grief faalt.

8.    Hetgeen in de overige grieven is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.

9.    Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, griffier.

w.g. Sevenster    w.g. Graat

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2018

307.

BIJLAGE - Wettelijk kader

Recht van de Europese Unie

Gezinsherenigingsrichtlijn

Artikel 16

[…]

2. De lidstaten kunnen tevens het verzoek tot toegang en verblijf met het oog op gezinshereniging afwijzen of de verblijfstitel van gezinsleden intrekken of weigeren te verlengen indien is vastgesteld dat:

a) er valse of misleidende informatie is verstrekt, valse of vervalste documenten zijn gebruikt, of anderszins fraude is gepleegd of onwettige middelen zijn gebruikt;

b) het huwelijk, het partnerschap of de adoptie uitsluitend tot stand is gebracht om voor de betrokken persoon toegang tot of verblijf in een lidstaat te verkrijgen.

[…]

Nationale regelgeving

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 4:2

[…]

2. De aanvrager verschaft voorts de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

Vreemdelingenwet 2000

Artikel 2a

1. Ten behoeve van het verblijf van een vreemdeling in Nederland, niet zijnde gemeenschapsonderdaan, kan in ieder geval als referent optreden:

a. een Nederlander, die in Nederland verblijft of met die vreemdeling in Nederland gaat verblijven;

[…]

die ten behoeve van het voorgenomen verblijf op grond van een machtiging tot voorlopig verblijf of het verblijf op grond van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van een vreemdeling een schriftelijke verklaring heeft afgelegd, of die door onze minister als referent is aangewezen.

[…]

3. Onze minister stelt het model van de verklaring, bedoeld in het eerste lid, vast.

Artikel 18

1. Een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 kan worden afgewezen indien:

[…]

c. de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid;

d. de vreemdeling niet meer zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan dan wel de persoon bij wie de vreemdeling verblijft niet meer zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan;

[…]

Artikel 19

De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan worden ingetrokken op de gronden bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Vw 2000 […].

Artikel 24a

1. Gegevens en bescheiden worden niet verkregen van de vreemdeling of diens referent, voor zover:

a. Onze minister die gegevens of bescheiden kan verkrijgen uit bij regeling van onze minister aan te wijzen administraties, tenzij hierdoor een goede uitvoering van de wet wordt belet, of

[…]

4. Bij regeling van onze minister worden regels gesteld omtrent de gegevens en bescheiden waarop het eerste lid, onder a, van toepassing is, en kunnen regels worden gesteld omtrent:

a. de administraties of delen daarvan waarvoor het eerste lid, onder a, tijdelijk niet van toepassing is;

[…]

Vreemdelingenbesluit 2000

Artikel 3.22

1. De verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, wordt verleend, indien de hoofdpersoon duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan als bedoeld in artikel 3.74, eerste lid, onder a.

Artikel 3.75

1. De in artikel 16, eerste lid, onder c, van de Vw 2000 bedoelde middelen van bestaan zijn in ieder geval duurzaam, indien zij nog één jaar beschikbaar zijn op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven.

[…]

Voorschrift Vreemdelingen 2000

Artikel 3.34l

1. Als administraties, bedoeld in artikel 24a, eerste lid, onder a, van de Vw 2000, zijn aangewezen de administraties vermeld in kolom A van bijlage 21 bij deze regeling.

2. Als gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 24a, vierde lid, van de Vw 2000, zijn aangewezen de gegevens en bescheiden vermeld in kolom B van bijlage 21 bij deze regeling.

Bijlage 21