Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:3533

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-10-2018
Datum publicatie
31-10-2018
Zaaknummer
201702327/2/A1 en 201702331/2/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2017:449, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In de uitspraak van 11 april 2018 heeft de Afdeling de uitspraak van de rechtbank van 31 januari 2017 in zaak nr. 15/2789 bevestigd. Deze uitspraak heeft betrekking op de door het college bij besluit van 22 juli 2015 aan [vergunninghouder] verleende omgevingsvergunning eerste fase voor de activiteit milieu voor het oprichten van een varkenshouderij op het perceel [locatie 1] te Zeeland (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2019/39
JM 2019/71 met annotatie van Bokelaar, P.
JOM 2019/856
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201702327/2/A1 en 201702331/2/A1.

Datum uitspraak: 31 oktober 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] en anderen, wonend te Zeeland, gemeente Landerd,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 31 januari 2017 in zaak nr. 16/2013 in het geding tussen:

[appellant] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Landerd.

Procesverloop

Bij uitspraak onderscheidenlijk tussenuitspraak van 11 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1190, heeft de Afdeling de uitspraak van de rechtbank van 31 januari 2017 in zaak nr. 15/2789 bevestigd, en voorts het college opgedragen om binnen twaalf weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen, het gebrek in het besluit van 12 mei 2016 te herstellen. Deze uitspraak onderscheidenlijk tussenuitspraak is aangehecht.

Bij brief van 29 juni 2018 heeft het college aanvullende geurrapporten en een nadere motivering van het besluit van 12 mei 2016 ingezonden.

Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben [appellant] en anderen hun zienswijze over de wijze waarop het college gevolg heeft gegeven aan de tussenuitspraak naar voren gebracht.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), heeft de Afdeling bepaald dat een tweede onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

De uitspraak onderscheidenlijk tussenuitspraak van 11 april 2018

1.    In de uitspraak van 11 april 2018 heeft de Afdeling de uitspraak van de rechtbank van 31 januari 2017 in zaak nr. 15/2789 bevestigd. Deze uitspraak heeft betrekking op de door het college bij besluit van 22 juli 2015 aan [vergunninghouder] verleende omgevingsvergunning eerste fase voor de activiteit milieu voor het oprichten van een varkenshouderij op het perceel [locatie 1] te Zeeland (hierna: het perceel). De tussenuitspraak van 11 april 2018 heeft betrekking op de door het college bij besluit van 12 mei 2016 aan [vergunninghouder] verleende omgevingsvergunning tweede fase voor de activiteit bouwen voor het bouwen van vleesvarkensstallen en een biggenstal op het perceel. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling onder 15.2.7 overwogen dat de woning aan de [locatie 2] te Langenboom in het rapport Geuronderzoek [locatie 1], Zeeland" van de Omgevingsdienst Brabant Noord van 11 april 2016 op onjuiste gronden buiten beschouwing is gelaten. De Afdeling heeft onder 18 geconcludeerd dat het besluit van 12 mei 2016 is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. De Afdeling heeft het college opgedragen dit gebrek te herstellen door binnen twaalf weken na verzending van de tussenuitspraak het geuronderzoek van 11 april 2016 uit te breiden door de achtergrondbelasting op het object aan de [locatie 2] in de bestaande situatie te berekenen en, indien deze hoger is dan de ter plaatse geldende norm, de bijdrage van de door [vergunninghouder] gevraagde inrichting aan de achtergrondbelasting te bepalen. Aan de hand van de uitkomsten daarvan diende het college te beoordelen of maatregelen als bedoeld in artikel 34, eerste lid, van de Verordening ruimte 2014 (versie juli 2015) van de provincie Noord-Brabant zijn vereist en of dit dient te leiden tot een ander besluit op de aanvraag om omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen.

Beoordeling herstel gebrek

2.    Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het college in zijn brief van 29 juni 2018 het besluit van 12 mei 2016 nader gemotiveerd aan de hand van de geurrapporten "Aanvullend geuronderzoek [locatie 1] te Zeeland" en "Aanvullend geuronderzoek [locatie 1] te Zeeland met aangepaste geurfactoren" van de Omgevingsdienst Brabant Noord. Volgens het college volgt uit de in deze rapporten vermelde berekeningen dat de bijdrage van de gevraagde inrichting geen invloed heeft op de achtergrondbelasting op het object aan de [locatie 2]. Dit geldt volgens hem zowel uitgaande van de op 29 juni 2018 geldende geuremissiefactoren als uitgaande van de geuremissiefactoren in de op 1 mei 2018 gepubliceerde consultatieversie van de Regeling geurhinder en veehouderij (hierna: de Rgv). Volgens het college zijn daarom geen maatregelen als bedoeld in artikel 34, eerste lid, van de Verordening ruimte vereist en hoeft geen nieuw besluit te worden genomen.

3.    [appellant] en anderen betogen dat de door het college gemaakte beoordeling onvolledig is. Zij wijzen op recente onderzoeken naar het rendement van gecombineerde luchtwassers, die hebben geleid tot aanpassing van de geuremissiefactoren in de Rgv. Voor gecombineerde luchtwassers van het type BWL 2009.12, zoals hier aan de orde, wordt niet langer uitgegaan van een geurreductie van 85% en is de geuremissiefactor voor de diercategorie vleesvarkens verhoogd van 3,5 naar 9,8 odour units per seconde per dier. Voor de voorheen gehanteerde norm van 3,5 odour units per seconde per dier, waarvan het college in het besluit van 12 mei 2016 is uitgegaan, heeft nooit een juiste milieuwetenschappelijke onderbouwing bestaan. In zoverre dient de voorheen geldende Rgv onverbindend te worden verklaard. Gelet hierop had het college in zijn brief van 29 juni 2018 niet mogen volstaan met een beoordeling van de achtergrondbelasting op de woning aan de [locatie 2], maar had het ook wat betreft de achtergrondbelasting op andere gevoelige objecten een nieuwe beoordeling aan de hand van de aangepaste geuremissiefactoren moeten maken. Aangezien bij zeven woningen een overbelaste situatie ontstaat, leiden de verleende omgevingsvergunningen eerste fase en tweede fase tot een onaanvaardbare milieubelasting, aldus [appellant] en anderen. Daarbij voeren [appellant] en anderen aan dat zij het college in verband met het voorgaande reeds op 19 april 2018 hebben verzocht om de omgevingsvergunningen eerste fase en tweede fase in te trekken, waarop het college tot op heden heeft verzuimd een besluit te nemen. Omwille van proceseconomische redenen was het college volgens hen gehouden dit verzoek te betrekken bij de uitvoering van de tussenuitspraak.

3.1.    [appellant] en anderen hebben de aanvullende motivering van het college over het object [locatie 2] en de daaraan ten grondslag gelegde berekeningen, waarbij tevens de door [appellant] en anderen bedoelde nieuwe geuremissiefactoren uit de Rgv zijn betrokken, niet betwist. Hun betoog richt zich enkel tegen het niet uitvoeren van een aanvullend geuronderzoek voor de overige geurgevoelige objecten rond de inrichting.

    In de uitspraak van 11 april 2018 heeft de Afdeling de aangevallen uitspraak van de rechtbank van 31 januari 2017 in zaak nr. 15/2789, die betrekking had op de omgevingsvergunning eerste fase voor de activiteit milieu, bevestigd. Die omgevingsvergunning eerste fase is daarmee in rechte onaantastbaar geworden. De in dat verband gemaakte beoordeling van de geurbelasting vanwege de gevraagde inrichting is in dit geding dan ook niet langer aan de orde.

    De tussenuitspraak heeft betrekking op de omgevingsvergunning tweede fase voor de activiteit bouwen. De bijdrage van de gevraagde inrichting aan de achtergrondbelasting op geurgevoelige objecten is relevant voor de toetsing aan artikel 34, eerste lid, van de Verordening ruimte. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat het betoog voor de toetsing aan dat artikellid uitsluitend slaagt voor het object aan de [locatie 2] en voor het overige faalt. De opdracht aan het college strekte zich dan ook niet uit tot andere objecten dan dat aan de [locatie 2]. Door zich in de brief van 29 juni 2018 tot dat object te beperken heeft het college in overeenstemming met die opdracht gehandeld. Voor zover [appellant] en anderen zich met hun betoog keren tegen de overwegingen in de tussenuitspraak die tot deze opdracht hebben geleid, overweegt de Afdeling dat zij behoudens zeer uitzonderlijke gevallen niet kan terugkomen van een in de tussenuitspraak gegeven oordeel. De omstandigheid dat de relevante geuremissiefactoren in de Rgv met ingang van 20 juli 2018 zijn gewijzigd naar aanleiding van veranderde inzichten over de geurreductie van de in de aanvraag voorziene luchtwassers, levert geen zeer uitzonderlijk geval op. De wijziging van de geuremissiefactoren in de Rgv leidt er voor de omgevingsvergunning tweede fase voor de activiteit bouwen niet toe dat geen gebruik meer mag worden gemaakt van de omgevingsvergunning eerste fase voor de activiteit milieu, die is verleend met inachtneming van de voorheen geldende geuremissiefactoren. Dat [appellant] en anderen in verband met de gewijzigde geuremissiefactoren een verzoek tot intrekking van de aan [vergunninghouder] verleende omgevingsvergunningen aan het college hebben gericht, en het volgens hen uit een oogpunt van proceseconomie wenselijk is dat het college dat verzoek had betrokken bij de uitvoering van de bij de tussenuitspraak gegeven opdracht, levert evenmin een zeer uitzonderlijk geval op. Dit betekent dat van het in de tussenuitspraak gegeven oordeel moet worden uitgegaan.

    Gelet op het voorgaande bestaat geen grond voor het oordeel dat de gevraagde omgevingsvergunning tweede fase voor de activiteit bouwen in strijd is met artikel 34 van de Verordening ruimte.

    Het betoog faalt.

4.    De conclusie is dat het college het door de Afdeling in het besluit van 12 mei 2016 geconstateerde gebrek met de brief van 29 juni 2018 heeft hersteld door het alsnog te voorzien van een deugdelijke motivering.

Einduitspraak

5.    Gelet op hetgeen in overweging 18 van de tussenuitspraak is overwogen, is het hoger beroep van [appellant] en anderen tegen de uitspraak van de rechtbank van 31 januari 2017 in zaak nr. 16/2013 gegrond. De uitspraak dient te worden vernietigd voor zover het beroep daarbij ongegrond is verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep, voor zover ingediend door [appellant] en anderen, gegrond verklaren en het besluit van 12 mei 2016 vernietigen wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb. Nu het college dit gebrek met de brief van 29 juni 2018 heeft hersteld, zal de Afdeling de rechtsgevolgen van dat besluit in stand laten.

6.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 31 januari 2017 in zaak nr. 16/2013 gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 31 januari 2017 in zaak nr. 16/2013, voor zover het beroep daarbij ongegrond is verklaard;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep in zaak nr. 16/2013, voor zover ingesteld door anderen dan [appellanten], gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Landerd van 12 mei 2016, kenmerk HZ-2014-0074;

V.    bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

VI.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Landerd tot vergoeding van bij [appellant] en anderen in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 814,57 (zegge: achthonderdveertien euro en zevenenvijftig cent), waarvan € 751,50 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het college van burgemeester en wethouders van Landerd aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

VII.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Landerd aan [appellant] en anderen het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 418,00 (zegge: vierhonderdachttien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het college van burgemeester en wethouders van Landerd aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. G.T.J.M. Jurgens, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, griffier.

w.g. Slump    w.g. Van Driel

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2018

414-727.