Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:353

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-01-2018
Datum publicatie
31-01-2018
Zaaknummer
201705738/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2017:7447, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 december 2016 heeft het college aan HIG Ontwikkeling B.V. een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van twee appartementengebouwen met in totaal 46 appartementen en bijbehorende bergingen aan het perceel de Zijlsingel 36 te Leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2018/624
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201705738/1/A1.

Datum uitspraak: 31 januari 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    [appellant sub 1] en anderen, wonend te Leiden,

2.    [appellant sub 2] en anderen, wonend te Leiden,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 22 juni 2017 in zaak nrs. 17/640 en 17/686 in het geding tussen:

[appellant sub 1] en anderen,

[appellant sub 2] en anderen,

en

het college van burgemeester en wethouders van Leiden.

Procesverloop

Bij besluit van 13 december 2016 heeft het college aan HIG Ontwikkeling B.V. een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van twee appartementengebouwen met in totaal 46 appartementen en bijbehorende bergingen aan het perceel de Zijlsingel 36 te Leiden.

Bij uitspraak van 22 juni 2017 heeft de rechtbank de door [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] en anderen daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] en anderen hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2] en anderen en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 november 2017, waar [appellant sub 1] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant sub 1] en [gemachtigde], bijgestaan door mr. M. van Duijn, advocaat te Den Haag, en [appellant sub 2] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant sub 2], bijgestaan door mr. E.M. Prins, advocaat te Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door mr. A. Kooij, ir. W.L.P. van Nieuwland, R.F.M. Bakker en A. Gelderblom, zijn verschenen. Voort is ter zitting HIG Ontwikkeling, vertegenwoordigd door [gemachtigden], gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het bouwplan voorziet in de realisering van twee appartementengebouwen met in totaal 46 appartementen en bijbehorende bergingen op het perceel. Op het perceel is het voormalige [bedrijf A] gelegen en deze bebouwing zal worden gesloopt. De twee appartementengebouwen bestaan uit een bouwblok met drie bouwlagen met kap aan de Zijlsingel (hierna: gebouw A), waarin 16 appartementen zijn voorzien, en een bouwblok dat is voorzien op het daarachter gelegen binnenterrein met drie bouwlagen met plat dak (hierna: gebouw B), waarin 30 appartementen zijn voorzien. De derde verdieping van gebouw B is voorzien van een "set back", te weten een inspringing. De hoofdentree voor beide gebouwen is gelegen op het binnenterrein, waar onder meer ook de parkeerplaatsen voor auto’s zijn voorzien en waar de bergingen en gemeenschappelijke buitenruimte zijn gelegen.

2.    Volgens het ter plaatse geldende bestemmingsplan "De Waard" heeft het perceel de bestemming "Wonen" en "Bedrijf". Het bouwplan is daarmee in strijd. Om het bouwplan niettemin mogelijk te maken, heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).

Bouwbesluit 2012

3.    [appellant sub 1] en anderen betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bouwplan in strijd is met het Bouwbesluit 2012. Daartoe voeren zij aan dat de verbindingsweg met een breedte van 3,36 m naar het binnenterrein te krap is. Volgens [appellant sub 1] en anderen is er, anders dan de rechtbank heeft overwogen, geen sprake van een gelijkwaardige oplossing waarmee wordt voldaan aan artikel 6.37, derde lid, van het Bouwbesluit 2012. Zij stellen voorts dat het college niet mocht afgaan op het advies van de brandweer, maar een advies had moeten vragen aan de Adviescommissie praktijktoepassing brandveiligheidsvoorschriften. Verder heeft het college de plaatsing van een slagboom ten onrechte niet betrokken bij zijn besluitvorming, aldus [appellant sub 1] en anderen.

    [appellant sub 2] en anderen betogen eveneens dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bouwplan op dit punt in strijd is met het Bouwbesluit 2012.

3.1.    Artikel 6.37, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012 luidt: "Tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een bouwwerk voor het verblijven van personen ligt een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten."

    Het derde lid, aanhef en onder a, luidt: "Tenzij het bestemmingsplan of een gemeentelijke verordening anderszins bepaalt heeft een verbindingsweg als bedoeld in het eerste lid een breedte van ten minste 4,5 meter."

    Artikel 1.3, eerste lid, luidt: "Aan een in hoofdstuk 2 tot en met 7 gesteld voorschrift behoeft niet te worden voldaan indien het bouwwerk of het gebruik daarvan anders dan door toepassing van het desbetreffende voorschrift ten minste dezelfde mate van veiligheid, bescherming van de gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en bescherming van het milieu biedt als is beoogd met de in die hoofdstukken gestelde voorschriften."

3.2.    Op verzoek van het college heeft de regionale brandweer Hollands Midden op 4 juni 2015, 30 oktober 2015 en 23 december 2015 advies uitgebracht over het bouwplan. De conclusie van het eerste advies is dat het binnenterrein niet bereikbaar is voor voertuigen van de brandweer als gevolg van de beperkte doorgangsbreedte van 3,33 m. Naar aanleiding van dit advies heeft HIG Ontwikkeling een volgens haar gelijkwaardige oplossing aangedragen. Deze oplossing is beschreven in het document "Gelijkwaardigheid toegankelijkheid achterterrein brandweer en hulpverleners" en maakt onderdeel uit van de omgevingsvergunning. Volgens HIG ontwikkeling is de oplossing gelijkwaardig omdat de doorgang breder is dan de breedte van een ladderwagen (zonder afstempeling), de bocht in de Zijlsingel dusdanig breed is dat de ladderwagen zich zo kan positioneren dat de doorgang toegankelijk is en de ladderwagen op het binnenterrein genoeg ruimte heeft om af te stempelen. Beide gebouwen zijn daarmee benaderbaar voor een ladderwagen, aldus HIG Ontwikkeling. In het tweede advies van de brandweer heeft zij het college geadviseerd in te stemmen met de door HIG Ontwikkeling genoemde gelijkwaardigheid. In het derde advies heeft de brandweer dit advies gehandhaafd na aanpassing van de doorgangsbreedte van de inrit naar 3,36 m. Het college heeft het advies van de brandweer van 23 december 2015 overgenomen en heeft zich op het standpunt gesteld dat HIG Ontwikkeling aannemelijk heeft gemaakt dat het bouwplan, onder toepassing van voormelde gelijkwaardige oplossing en onder het stellen van de voorwaarde dat de gelijkwaardige oplossing in stand wordt gehouden, voldoet aan het Bouwbesluit 2012.

3.3.    De rechtbank heeft terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college zijn besluitvorming niet op de adviezen van de brandweer mocht baseren. De Afdeling is van oordeel dat de brandweer als ter zake deskundig kan worden aangemerkt en dat de adviezen inzichtelijk en concludent zijn. De rechtbank heeft, gelet op de adviezen van de brandweer en de gestelde voorwaarde over de gelijkwaardige oplossing, terecht geconcludeerd dat het college aannemelijk mocht achten dat het bouwplan in overeenstemming is met het Bouwbesluit 2012. Met betrekking tot de stelling van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] en anderen dat een slagboom de toegang verder verkleint, heeft HIG Ontwikkeling ter zitting van de Afdeling toegelicht dat het binnenterrein niet wordt afgesloten door middel van een hek of een slagboom, zoals ook uit de bij het bouwplan behorende bouwtekeningen volgt, maar door middel van een (grond)paal.

    De betogen falen.

Parkeren

4.    [appellant sub 1] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het bouwplan in voldoende parkeerplaatsen voorziet en niet in strijd is met artikel 2.5.30 van de Bouwverordening 1992 (hierna: de bouwverordening). Volgens [appellant sub 1] en anderen kan de berekening van de parkeerbehoefte geen stand houden omdat het bouwplan, anders dan de rechtbank heeft overwogen, ziet op het bouwen van 46 zelfstandige koopwoningen. Ook heeft de rechtbank het gebruik van het perceel door [bedrijf B] ten onrechte betrokken bij zijn besluitvorming, omdat het perceel niet volledig werd gebruikt en bovendien slechts tijdelijk werd gebruikt. Dat betekent volgens [appellant sub 1] en anderen dat ervan moet worden uitgegaan dat de bestaande parkeerbehoefte nihil was.

    [appellant sub 2] en anderen betogen eveneens dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het bouwplan in voldoende parkeerplaatsen voorziet en niet in strijd is met de bouwverordening. Volgens hen blijkt uit de omgevingsvergunning ten onrechte niet dat er een vergunning is verleend voor koopappartementen.

4.1.    Artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening luidt: "Indien een gebouw gelegen is in een deel van de gemeente dat is aangeduid op de - bij deze bouwverordening behorende - kaart als zijnde een gebied dat per openbaar vervoer uitstekend of goed bereikbaar is, moet - voor zover de omvang of de bestemming van het gebouw daartoe aanleiding geeft - ten behoeve van het parkeren of stallen van auto’s in beperkte mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort."

    Het zesde lid, aanhef en onder a, luidt: "Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste, tweede, het derde en het vijfde lid voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.

    Artikel 1 van de Beleidsregels Parkeernormen Leiden (hierna: de beleidsregels) luidt: " Indien een ruimtelijke activiteit daartoe aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen van auto’s in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het terrein waar die activiteit plaatsvindt of dat bij die activiteit behoort. De vereiste ruimte heeft alleen betrekking op een nieuw ontstane parkeerbehoefte."

4.2.    Het bouwplan voorziet in de realisering van 15 parkeerplaatsen op eigen terrein en de aanleg van drie parkeerplaatsen in de openbare ruimte aan de voorzijde van de Zijlsingel, om welke reden het college artikel 2.5.30, zesde lid, aanhef en onder a, van de bouwverordening heeft toegepast. Als gevolg van de aanleg van de in- en uitrit naar het binnenterrein van het bouwplan vervalt één openbare parkeerplaats.

4.3.    De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de verleende omgevingsvergunning ziet op de realisering van twee appartementengebouwen met in totaal 46 appartementen. In de omgevingsvergunning is niet vermeld of de appartementen worden verkocht of verhuurd. Het college heeft in dat verband toegelicht dat ten tijde van de verlening van de omgevingsvergunning nog niet bekend was of de appartementen verkocht of verhuurd zouden worden, zodat bij de berekening van de parkeerbehoefte rekening is gehouden met het "worst case scenario" van koopappartementen. Voorts heeft het college toegelicht dat de gronden zijn verkocht aan Stones CV en dat zij heeft verklaard dat de appartementen na realisering door haar zullen worden verhuurd.

    De rechtbank heeft voorts terecht geconcludeerd dat bij de beantwoording van de vraag of voorzien wordt in voldoende parkeermogelijkheden alleen rekening dient te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van de realisering van het bouwplan. Anders dan appellanten betogen, is in dit geval geen sprake van een situatie waarin het gebouw of het terrein langer dan vijf jaar niet is gebruikt of tijdelijk is gebruikt en ervan moet worden uitgegaan dat de bestaande parkeerbehoefte nihil is. Uit de toelichting op de beleidsregels blijkt dat tijdelijk gebruik ter overbrugging van een permanent gebruik buiten beschouwing wordt gelaten bij de beoordeling van het laatste legale gebruik en dat het ter beoordeling is van het college of sprake is van tijdelijk gebruik. Het college heeft ter zitting van de Afdeling zijn standpunt herhaald dat met tijdelijk gebruik als bedoeld in de beleidsregels en de toelichting daarop, is bedoeld de situatie dat er tijdelijk wordt afgeweken van het bestaande gebruik en dat is beoogd te voorkomen dat vanwege het tijdelijke gebruik zou moeten worden uitgegaan van een hogere bestaande parkeerbehoefte, wat in deze situatie niet het geval is.

    Het aangevoerde geeft derhalve geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het bouwplan voorziet in de aanleg van voldoende parkeerplaatsen. De betogen falen.

Toepassing afwijkingsbevoegdheid

5.    [appellant sub 1] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de gevolgen van het bouwplan voor de waterhuishouding voldoende is gegarandeerd door het stellen van een voorschrift. Volgens [appellant sub 1] en anderen leidt het bouwplan tot meer dan 500 m² verharding, zodat watercompensatie is vereist.

    [appellant sub 2] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderzocht of het aan het besluit van 13 december 2016 verbonden voorschrift met betrekking tot de compensatie van verharding daadwerkelijk kan worden nageleefd.

5.1.    In de ruimtelijke onderbouwing van het bouwplan is vermeld dat het Hoogheemraadschap van Rijnland heeft verklaard dat er geen watercompensatie voor het project vereist is, aangezien het project niet bij een waterbouwkundig werk ligt en geen sprake is van een (toename) van verhard oppervlak van 500 m². Aan het besluit van 13 december 2016 heeft het college het voorschrift verbonden dat de toename van het verhard oppervlak niet meer mag bedragen van 500 m² en dat bij overschrijding hiervan compensatie moet plaatsvinden door 15% van het extra verhard oppervlak aan open water te creëren.

5.2.    De Afdeling heeft geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de toename van verharding niet wordt beperkt tot maximaal 500 m². Het college heeft in dat verband een groenplan overgelegd. Weliswaar is het groenplan niet opgenomen in de tekeningen, behorende bij de verleende omgevingsvergunning, maar dat laat onverlet dat het aan de omgevingsvergunning verbonden voorschrift dient te worden nageleefd, bij gebreke waarvan belanghebbenden het college kunnen verzoeken over te gaan tot handhaving.

    De betogen falen.

6.    Zowel [appellant sub 2] en anderen als [appellant sub 1] en anderen betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college het bouwplan ten onrechte niet aan de Kaders voor herontwikkeling van de Zeeheldenbuurt (hierna: de Kaders) en het Beeldkwaliteitsplan voor de Zeeheldenbuurt heeft getoetst.

6.1.    Op 18 december 2014 heeft de raad van de gemeente Leiden de Kaders vastgesteld voor de herontwikkeling van de Zeeheldenbuurt. Hierbij heeft de raad kennis genomen van de wijkvisie "Zeeheldenbuurt Leiden, samen maken we de Zeeheldenbuurt" die in opdracht van de buurt en tezamen met onder meer de woningcorporatie Portaal is opgesteld. Voorts heeft de raad de in de wijkvisie benoemde kernwaarden vastgesteld en ingestemd met het uitvoeringsprogramma "De Zeeheldenbuurt maakt vaart" waarin elf concrete projecten zijn aangeduid. De locatie aan de Zijlsingel 36 is, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, niet in de wijkvisie opgenomen en is als zodanig niet opgenomen in het uitvoeringsprogramma. De rechtbank heeft daarom terecht geconcludeerd dat het college zich op het standpunt mocht stellen dat het bouwplan niet aan de Kaders hoefde te worden getoetst. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het een weloverwogen keuze is geweest de locatie aan de Zijlsingel 36 niet te betrekken in de wijkvisie. Voorts heeft het college gesteld dat, zoals in de ruimtelijke onderbouwing is vermeld, het een zelfstandige afweging heeft gemaakt waarbij is beoordeeld of het bouwplan andere projecten van het uitvoeringsprogramma niet in de weg staat, hetgeen niet het geval is.

    Het Beeldkwaliteitsplan voor de Zeeheldenbuurt (hierna: het BKP) is een uitwerking van de Kaders. In het BKP zijn kenmerken en richtlijnen beschreven voor de vijf hoofdsferen van de Zeeheldenbuurt, waaronder die van de Zijlsingel, die vervolgens zijn uitgewerkt voor specifieke (nieuwbouw)projecten. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het onderhavige bouwplan niet wordt genoemd in het BKP. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het bouwplan het resultaat is van een lange planontwikkeling die al in gang is gezet voordat met de ontwikkeling van het BKP werd gestart en dat om die reden, alsmede in aanmerking genomen dat het onderhavige bouwplan niet wordt genoemd in de Kaders, niet aan het BKP hoefde te worden getoetst. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank terecht geconcludeerd dat het college zich op het standpunt mocht stellen dat het bouwplan niet aan het BKP getoetst hoefde te worden. In het aangevoerde wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de aanvaardbaarheid van het bouwplan mede in samenhang met de omgeving is beoordeeld.

    De betogen falen.

7.    [appellant sub 2] en anderen betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bouwplan voor teveel schaduwwerking zorgt. In dat verband betogen zij dat het door het college uitgevoerde onderzoek naar de schaduwwerking van het bouwplan niet goed is uitgevoerd. Zij verwijzen in dat verband naar een in hun opdracht uitgevoerde bezonningsstudie van Bezonningsingenieur.nl van 17 mei 2017.

7.1.    Zoals de rechtbank heeft overwogen, is het bouwplan naar aanleiding van het bezonningsonderzoek aangepast in die zin dat gebouw B 0,9 m verder weg is komen te liggen van de appartementen aan het Kwekerijplein en dat de derde verdieping is voorzien als een "set back" met een inspringing van 0,9 m. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat realisering van het bouwplan niet leidt tot een onevenredige toename van schaduw op de omliggende woningen, met name aan de zijde van het Kwekerijplein. Het college heeft deze conclusie gehandhaafd nadat een aanvullend bezonningsonderzoek is uitgevoerd, zoals is vermeld in de ruimtelijke onderbouwing, waarbij is ingegaan op de door [appellant sub 2] en anderen opgeworpen bezwaren. De rechtbank heeft overwogen dat [appellant sub 2] en anderen hun stelling dat het bezonningsonderzoek gebrekkig is, welke stelling door het college en HIG Ontwikkeling is bestreden, niet nader hebben onderbouwd. Om die reden heeft de rechtbank geen grond aanwezig gezien om aan de deugdelijkheid en conclusies van het door het college uitgevoerde onderzoek te twijfelen.

7.2.    In hoger beroep hebben [appellant sub 2] en anderen onder verwijzing naar de bezonningsstudie van Bezonningsingenieur.nl aangevoerd dat de balkons van Kwekerijplein 27 en 29 ten onrechte niet in het model zijn terug te vinden. Het college heeft in reactie daarop gesteld dat dit klopt, maar dat dit geen gevolgen heeft voor de uitkomst van het onderzoek, omdat het blok een verspringing naar achteren maakt ten opzichte van de gevels van Kwekerijplein 15, 18, 21 en 24. Volgens het college zijn de balkons van Kwekerijplein 27 en 29 niet van invloed op de bezonningssituatie van Kwekerijplein 24. Voorts heeft het college een schaduwdiagram ingebracht waarop de balkons van Kwekerijplein 27 en 29 wel zijn opgenomen. [appellant sub 2] en anderen hebben voorts aangevoerd dat het standpunt van het college dat bij de appartementen Kwekerijplein moet worden uitgegaan van een beoordeling ter plaatse van een vlak ter plaatse van de rooilijn, onjuist is. Volgens [appellant sub 2] en anderen is dat niet correct omdat het geen bouwkundige gevel is en dienen wezenlijke bouwkundige elementen zoals balkons in de simulatie te worden meegenomen. Voorts is de achtergevel van de begane grond van het Kwekerijplein niet opgenomen. Het college heeft in reactie op deze stelling nieuwe schaduwdiagrammen ingebracht waarin de gevolgen voor de bezonning op de woningen aan het Kwekerijplein vanuit een ander gezichtspunt in beeld zijn gebracht. [appellant sub 2] en anderen hebben tevens aangevoerd dat ten onrechte slechts één meetpunt per bouwlaag is genomen en dat de meetpunten niet consequent lijken te zijn gekozen. Het college heeft gesteld dat het bouwplan wat betreft bezonning alleen gevolgen heeft voor de woningen op de begane grond, zodat alleen bij die woningen een meetpunt op 0,75 m hoogte is aangegeven. [appellant sub 2] en anderen hebben verder aangevoerd dat een interval van één uur te groot is om de bezonningsduur vast te stellen. Het college heeft in reactie op deze stelling schaduwdiagrammen overgelegd waarin de intervallen zijn verkleind naar 30 minuten of 15 minuten. Voorts heeft het gesteld dat rekening is gehouden met overstekende balkons, terugliggende gevels, de uitbouwen met kapjes en verspringingen in de kap van het appartementengebouw.

    De schaduwdiagrammen die het college heeft overgelegd in reactie op de bezonningsstudie van Bezonningsingenieur.nl, alsmede de toelichting daarop, ondersteunen de (aanvulling op de) bezonningsstudie zoals vermeld in de ruimtelijke onderbouwing en leveren geen wijziging op van het door het college ingenomen standpunt dat realisering van het bouwplan niet leidt tot een onevenredige toename van schaduw op de omliggende woningen. Gelet hierop ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding om aan de deugdelijkheid en conclusies van het door het college uitgevoerde onderzoek te twijfelen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat de afname van bezonning op de omliggende bebouwing niet zodanig is dat dit redelijkerwijs in de weg staat aan het verlenen van de omgevingsvergunning.

    Het betoog faalt.

Welstand

8.    [appellant sub 1] en anderen betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand. Daartoe voeren zij aan dat het BKP een aanvulling is op de welstandscriteria en dat daaraan ten onrechte niet is getoetst. Voorts voeren zij onder verwijzing naar adviezen van het Gelders Genootschap aan dat de welstandscriteria met betrekking tot ligging, massa, architectonische uitwerking, materialen en kleuren onjuist zijn toegepast.

    [appellant sub 2] en anderen betogen eveneens dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand.

8.1.    Het bouwplan is meerdere keren voorgelegd aan de Welstands- en Monumentencommissie Leiden (hierna: de welstandscommissie). Op 9 september 2015 heeft de welstandscommissie geconcludeerd dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand en heeft zij voorstellen gedaan om tot een aangepast bouwplan te komen. Op 2 maart 2016 heeft de commissie het bouwplan niet in strijd geacht met redelijke eisen van welstand. Het college heeft dit advies overgenomen bij zijn besluit van 13 december 2016. In het tegenadvies van het Gelders Genootschap van 6 februari 2017 heeft zij geconcludeerd dat het bouwplan strijdig is met redelijke eisen van welstand. De welstandscommissie is op 19 april 2017 ingegaan op dit tegenadvies. De welstandscommissie heeft haar conclusie dat het bouwplan niet in strijd is met redelijke eisen van welstand gehandhaafd. Voorts heeft de welstandscommissie gesteld dat het BKP niet van toepassing op dit bouwplan. Bij brief van 8 mei 2017 heeft het Gelders Genootschap hierop gereageerd. Het Gelders Genootschap heeft eveneens haar conclusie gehandhaafd dat het bouwplan wel in strijd is met redelijke eisen van welstand.

8.2.    Onder verwijzing naar haar uitspraak van 6 mei 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI2952, overweegt de Afdeling dat het college, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis mag toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria. Ook laatstgenoemde omstandigheid kan aanleiding geven tot het oordeel dat het besluit van het college in strijd is met artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo of niet berust op een deugdelijke motivering. Dit neemt echter niet weg dat een welstandsnota criteria kan bevatten die zich naar hun aard beter lenen voor beoordeling door een deskundige dan voor beoordeling door een aanvrager of derde-belanghebbende.

8.3.    In het advies van het Gelders Genootschap wordt een andere visie gegeven op het bouwplan dan de visie die is neergelegd in het advies van de welstandscommissie. Dat brengt, zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, op zichzelf niet mee dat het advies van de welstandscommissie niet deugdelijk is. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de in de Welstandsnota neergelegde criteria naar hun aard niet in de weg staan aan uiteenlopende waarderingen van het bouwplan. Daar waar het Gelders Genootschap het bouwplan ook heeft getoetst aan het BKP, heeft de rechtbank, gelet op hetgeen onder 6.1 is overwogen, terecht overwogen dat het BKP niet bij het advies hoefde te worden betrokken. Naar het oordeel van de Afdeling zijn de opmerkingen van het Gelders Genootschap over het advies van de welstandscommissie niet van dien aard dat moet worden geoordeeld dat het advies van de welstandscommissie wat betreft de inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft kunnen leggen. Gelet daarop heeft de rechtbank naar het oordeel van de Afdeling terecht geoordeeld dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand.

    De betogen falen.

Proceskosten

9.    [appellant sub 1] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte geen aanleiding heeft gezien voor een proceskostenveroordeling. Daartoe voeren zij aan dat de motivering van het besluit is aangepast, hetgeen had moeten leiden tot een gegrond beroep en vergoeding van de proceskosten.

    [appellant sub 2] en anderen betogen eveneens dat de rechtbank ten onrechte geen aanleiding heeft gezien voor een proceskostenveroordeling.

9.1.    Aangezien de rechtbank het besluit van 13 december 2016 niet heeft vernietigd, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De enkele omstandigheid dat het college de motivering van het besluit van 13 december 2016 heeft uitgebreid en het besluit nader heeft toegelicht, maakt niet dat de rechtbank dat besluit had moeten vernietigen.

    De betogen falen.

Slot en conclusie

10.    De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

11.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. H. Bolt en mr. B.P.M. van Ravels, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.C.M. Smulders-Wijgerde, griffier.

w.g. Van Sloten    w.g. Smulders-Wijgerde

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2018

672.