Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:3475

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-10-2018
Datum publicatie
24-10-2018
Zaaknummer
201706193/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2017:3369, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 juli 2016 heeft het college aan [wederpartij] omgevingsvergunning verleend voor het legaliseren van de aanwezige ponystal op het perceel [locatie] in Lunteren (hierna: het perceel) voor een periode van ten hoogste 3 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2019/809
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201706193/1/A1.

Datum uitspraak: 24 oktober 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Ede,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 28 juni 2017 in zaken nrs. 16/7356 en 16/7357 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te Lunteren, gemeente Ede (hierna: [wederpartij])

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 8 juli 2016 heeft het college aan [wederpartij] omgevingsvergunning verleend voor het legaliseren van de aanwezige ponystal op het perceel [locatie] in Lunteren (hierna: het perceel) voor een periode van ten hoogste 3 jaar.

Bij besluit van 20 oktober 2016 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 juni 2017 heeft de rechtbank, voor zover van belang, het door [wederpartij] ingestelde beroep tegen het besluit van 20 oktober 2016 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 juli 2018, waar het college, vertegenwoordigd door A.G.J. Polman, is verschenen.

Overwegingen

1.    Op 10 juni 2014 heeft [wederpartij] een omgevingsvergunning aangevraagd voor het legaliseren van de op het perceel aanwezige ponystal. Ingevolge het bestemmingsplan "Natuurgebied Veluwe" gelden ter plaatse van dit perceel de bestemming "Wonen" en de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie 2". Het bouwplan voldoet volgens het college niet aan de regels van dat bestemmingsplan omdat buiten het bouwvlak is gebouwd, de maximaal toegestane oppervlakte aan bijgebouwen wordt overschreden en niet wordt voldaan aan de voorgeschreven dakhelling. Het college is niet bereid om medewerking te verlenen aan een omgevingsvergunning voor onbepaalde tijd met toepassing van artikel 2.12 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo). Gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval, waaronder de omstandigheid dat [wederpartij] heeft verklaard dat zij op korte termijn wil verhuizen, heeft het college besloten voor de stal een tijdelijke omgevingsvergunning te verlenen voor ten hoogste 3 jaar of zoveel eerder als het perceel is verkocht.

2.    De rechtbank heeft geoordeeld dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat niet met toepassing van artikel 28, lid 28.4.2, van de regels van het bestemmingsplan omgevingsvergunning kan worden verleend. Volgens de rechtbank is het college er ten onrechte van uitgegaan dat ter plaatse reeds 200 m2 aan bijgebouwen aanwezig is als bedoeld in die bepaling. Het college had de oppervlakte van het nabij de woning op het perceel gelegen kantoorgebouw niet mogen betrekken bij het bepalen van de oppervlakte aan bijgebouwen, omdat dat kantoorgebouw in functioneel en architectonisch opzicht niet ondergeschikt is aan de woning en dus niet als bijgebouw kan worden aangemerkt. De rechtbank heeft het besluit van 20 oktober 2016 daarom vernietigd.

3.    Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat met toepassing van artikel 28, lid 28.4.2, van de planregels omgevingsvergunning kan worden verleend. Volgens het college is die bepaling niet van toepassing, omdat ter plaatse reeds 200 m2 aan bijgebouwen aanwezig is. Het kantoorgebouw moet als bijgebouw worden aangemerkt, omdat dat gebouw zowel functioneel als architectonisch ondergeschikt is aan de woning. Dat een deel van het bouwperceel kadastraal is afgesplitst is volgens het college niet relevant voor de vraag, of het kantoor een bijgebouw bij de woning is. De rechtbank heeft miskend dat het kantoorgebouw terecht bij de berekening van de totale oppervlakte aan bijgebouwen is betrokken, aldus het college.

3.1.    Artikel 1 van de regels van het bestemmingsplan geeft de volgende begripsomschrijvingen:

bijgebouw: een gebouw dat in architectonisch en/of functioneel opzicht ondergeschikt is aan en hoort bij een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw;

bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

hoofdgebouw: een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie, afmetingen of functie als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken en waarin de hoofdfunctie ingevolge de bestemming is of wordt ondergebracht.

    Artikel 28, lid 28.4.2, luidt:

"Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 28.2.7 voor de herbouw van bijgebouwen voor zover dit de maximale oppervlakte overschrijdt, met inachtneming van de volgende bepalingen:

a. de maximale oppervlakte van artikel 28.2.7 kan worden vergroot met maximaal 50% van de bestaande overschrijding aan bijgebouwen met een absoluut maximum van 200 m2;

[…]"

3.2.    Voor het antwoord op de vraag of het kantoorgebouw als bijgebouw in de zin van artikel 28, lid 28.4.2, aanhef en onder a, van de planregels moet worden aangemerkt, zijn de begripsomschrijvingen in de planregels bepalend. Voor de vraag of sprake is van hetzelfde bouwperceel als bedoeld in de begripsomschrijvingen is de omstandigheid dat het oorspronkelijke perceel kadastraal is gesplitst, zodat kantoorgebouw en woning op verschillende kadastrale percelen zijn gelegen, in dit geval niet van belang. Deze kadastrale percelen vormen een aaneengesloten stuk grond, waarop krachtens het bestemmingsplan een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten en moeten tezamen als bouwperceel, bedoeld in artikel 1 van de planregels, worden beschouwd. Voorts moet de woning als hoofdgebouw worden aangemerkt aangezien deze, gelet op de aan het bouwperceel gegeven woonbestemming en aard, functie, constructie en afmetingen daarvan, het belangrijkste gebouw op het perceel is.

    Het kantoorgebouw bestaat uit een bouwlaag op de begane grond en een souterrain, heeft een schuin dakvlak zonder kap en is uit beton opgetrokken. De woning heeft een kapconstructie en een van het kantoorgebouw te onderscheiden gevelaanzicht en maatvoering. Gelet op vorm, ruimtelijke uitstraling en maatvoering van beide gebouwen is de Afdeling anders dan de rechtbank van oordeel, dat het kantoorgebouw in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

    Nu het kantoorgebouw op hetzelfde bouwperceel is gelegen als de woning en in architectonisch opzicht aan de woning ondergeschikt is, dient het kantoorgebouw als bijgebouw te worden aangemerkt en wordt aan de vraag, of het kantoorgebouw ook in functioneel opzicht ondergeschikt is aan de woning, niet meer toegekomen. Het college heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat niet met toepassing van lid 28.4.2 van de planregels, in afwijking van het bepaalde in lid 28.2.7, een omgevingsvergunning voor de ponystal kon worden verleend. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

    Het betoog slaagt.

4.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de uitspraak betrekking heeft op het beroep tegen het besluit van het college van 20 oktober 2016 ten aanzien van de ponystal. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [wederpartij] tegen dat besluit alsnog ongegrond verklaren. Het voorgaande betekent dat het college geen nieuw besluit op bezwaar hoeft te nemen.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep van het college van burgemeester en wethouders van Ede gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 28 juni 2017 in zaken nrs. 16/7356 en 16/7357, voor zover deze betrekking heeft op het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Ede van 20 oktober 2016 ten aanzien van de ponystal;

III.    verklaart het door [wederpartij] bij de rechtbank ingestelde beroep tegen dat besluit ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.P.J.M. van Grinsven, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen    w.g. Van Grinsven

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2018

462-842.