Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:3474

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-10-2018
Datum publicatie
24-10-2018
Zaaknummer
201709890/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2017:6032, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 februari 2016 heeft de burgemeester de exploitatievergunning, aan [wederpartijen] verleend voor exploitatie van de aan de [locatie] te Utrecht gevestigde [lunchroom] ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2019/14
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201709890/1/A3.

Datum uitspraak: 24 oktober 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de burgemeester van Utrecht,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 27 oktober 2017 in zaak nr. 16/3414 in het geding tussen:

[wederpartijen], handelend onder de naam [lunchroom],

en

de burgemeester.

Procesverloop

Bij besluit van 23 februari 2016 heeft de burgemeester de exploitatievergunning, aan [wederpartijen] verleend voor exploitatie van de aan de [locatie] te Utrecht gevestigde [lunchroom] ingetrokken.

Bij besluit van 13 juni 2016 heeft de burgemeester het daartegen door [wederpartijen] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij tussenuitspraak van 27 januari 2017 heeft de rechtbank de burgemeester in de gelegenheid gesteld een gebrek in dat besluit te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij brief van 20 maart 2017 heeft de burgemeester een aanvullende motivering gegeven.

Bij uitspraak van 27 oktober 2017 heeft de rechtbank het door [wederpartijen] tegen het besluit van 13 juni 2016 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het besluit van 23 februari 2016 herroepen. Deze uitspraak is aangehecht.

Hiertegen heeft de burgemeester hoger beroep ingesteld.

[wederpartijen] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De burgemeester heeft nadere stukken ingediend. Ten aanzien van twee van deze stukken heeft de burgemeester de Afdeling verzocht wegens het bestaan van gewichtige redenen, bedoeld in artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), te bepalen dat alleen de Afdeling ervan kennis zal nemen. Bij beslissing van 21 augustus 2018 heeft de Afdeling in een andere samenstelling het verzoek gedeeltelijk toegewezen en gedeeltelijk afgewezen. [wederpartij A] heeft de Afdeling de toestemming, bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb, gegeven.

[wederpartijen] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 augustus 2018, waar de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. S. Gangabisoensingh, en [wederpartijen], bijgestaan door mr. M. Ellens, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Op 2 januari 2015 hebben [wederpartijen] een aanvraag ingediend om verlening van een exploitatievergunning voor exploitatie van de lunchroom. Bij besluit van 5 maart 2015 heeft de burgemeester de aanvraag ingewilligd.

    Bij vonnis van 16 april 2015 heeft de strafrechter van de rechtbank [wederpartij A] wegens het medeplegen van valsheid in geschrifte veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De strafrechter heeft [wederpartij B] wegens het medeplegen van valsheid in geschrifte veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en 180 uren taakstraf, subsidiair 90 dagen hechtenis.

    Bij brief van 12 januari 2016 heeft de burgemeester [wederpartijen] het voornemen bekend gemaakt om de verleende exploitatievergunning krachtens artikel 10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Horecaverordening Utrecht 2015 in te trekken omdat niet meer wordt voldaan aan het in artikel 7, eerste lid, onder b, neergelegde vereiste dat leidinggevenden van een horecabedrijf niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn. Bij het besluit van 23 februari 2016 heeft de burgemeester de verleende exploitatievergunning ingetrokken. Dit besluit heeft hij bij het besluit van 13 juni 2016 gehandhaafd.

    In de tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het besluit van 13 juni 2016 ondeugdelijk is gemotiveerd, omdat de burgemeester daarin niet is ingegaan op de omstandigheid dat de strafbare feiten in 2005 zijn gepleegd en daarom van lange tijd geleden zijn, en heeft zij de burgemeester in de gelegenheid gesteld dit gebrek te herstellen. Bij brief van 20 maart 2017 heeft de burgemeester een aanvullende motivering gegeven. In de uitspraak van 27 oktober 2017 heeft de rechtbank geoordeeld dat de burgemeester het geconstateerde gebrek niet heeft hersteld en heeft zij het beroep gegrond verklaard, het besluit van 13 juni 2016 vernietigd en het besluit van 23 februari 2016 herroepen.

    Bij arrest van 1 november 2017 op het hoger beroep tegen het vonnis van 16 april 2015 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden [wederpartij A] wegens valsheid in geschrifte, bancaire fraude en witwassen veroordeeld tot een gevangenisstraf van elf maanden, waarvan drie voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. Het gerechtshof heeft [wederpartij B] bij arrest van eveneens 1 november 2017 wegens bancaire fraude en witwassen veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden met een proeftijd van twee jaar en een taakstraf van 220 uur, subsidiair 110 dagen hechtenis. Tegen deze arresten hebben [wederpartijen] cassatie ingesteld.

2.    De burgemeester betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek niet heeft hersteld. Hiertoe wijst hij op zijn brief van 20 maart 2017 en voert hij aan dat [wederpartijen] forse veroordelingen hebben gekregen die voldoende grond bieden voor de vaststelling dat zij van slecht levensgedrag zijn, zodat hij was gehouden de exploitatievergunning in te trekken. Volgens de burgemeester heeft de rechtbank daarom ten onrechte het besluit van 23 februari 2016 herroepen.  

2.1.    Artikel 7, eerste lid, van de Horecaverordening luidt: " Voor het verkrijgen van een exploitatievergunning moeten leidinggevenden aan de volgende eisen voldoen:

[…]

b. zij mogen niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn;

[…]"

    Artikel 10, eerste lid, aanhef en onder b, luidt: "De burgemeester trekt de exploitatievergunning in, indien niet langer wordt voldaan aan de in artikel 7 gestelde eisen[.]"

    De toelichting bij artikel 7, eerste lid, onder b, van de Horecaverordening luidt: "Een leidinggevende mag niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn. Gedragingen die in ieder geval worden meegenomen in de beoordeling van het levensgedrag zijn: betrokkenheid bij geweldsdelicten, witwaspraktijken, gebruik en/of handel in drugs, rijden onder invloed, discriminatie, eerdere weigering van een vergunning vanwege levensgedrag en dergelijke. In beginsel zullen gedragingen en veroordelingen die in een periode van vijf jaar voorafgaand aan het besluit hebben plaatsgevonden, worden meegenomen in de beoordeling omtrent het levensgedrag. Dit om te voorkomen dat iemand levenslang wordt achtervolgd door in het verleden gemaakte fouten. Indien er wel gedraging(en) en/of veroordeling(en) in de vijf jaar voorafgaand aan het besluit hebben plaatsgevonden, die leiden tot een beoordeling van het levensgedrag, kunnen gedragingen en/of veroordelingen langer dan vijf jaar voorafgaand aan het besluit in de beoordeling worden betrokken. De burgemeester weigert de aanvraag voor een vergunning indien gedraging(en) en/of veroordeling(en) getuigen dat de leidinggevende van slecht levensgedrag is. Met de eis ten aanzien van levensgedrag wordt aansluiting gezocht bij de bestaande jurisprudentie en het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet, beiden gebaseerd op de Drank- en Horecawet."

2.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraken van 22 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA0629, en 8 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:608, gelden er geen beperkingen ten aanzien van de feiten of omstandigheden die bij de beoordeling van het levensgedrag mogen worden betrokken.

2.3.    In de brief van 20 maart 2017 heeft de burgemeester zich op het standpunt gesteld dat het feit dat de gedragingen waarvoor [wederpartijen] zijn veroordeeld van 2005 zijn niet aan intrekking van de verleende exploitatievergunning in de weg staat. Hierbij heeft hij gewezen op de toelichting bij artikel 7, eerste lid, onder b, van de Horecaverordening. Voorts heeft hij erop gewezen dat hij niet eerder van het strafbare karakter van de gedragingen op de hoogte was en kon zijn, omdat hij de feiten rondom een delict als valsheid in geschrifte niet kan beoordelen. Voor een dergelijke beoordeling is de strafrechter volgens hem bij uitstek geschikt. Nu de veroordelingen in de periode van vijf jaar voorafgaand aan het besluit van 23 februari 2016 hebben plaatsgevonden, heeft hij zich op die veroordelingen kunnen baseren. Verder heeft de burgemeester zich op het standpunt gesteld dat [wederpartijen] gelet op de uit die strafrechtelijke veroordelingen blijkende aard en de ernst van de door hen gepleegde strafbare feiten van slecht levensgedrag zijn, zodat hij gehouden was de verleende exploitatievergunning in te trekken.

    Naar het oordeel van de Afdeling heeft de burgemeester hiermee het door de rechtbank in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek hersteld. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De rechtbank heeft ten onrechte het besluit van 23 februari 2016 herroepen. Zij had de rechtsgevolgen van het door haar vernietigde besluit van 13 juni 2016 in stand moeten laten.

    Het betoog slaagt.

3.    Het hoger beroep is gegrond. Hetgeen de burgemeester voor het overige betoogt, behoeft geen bespreking. De uitspraak van 27 oktober 2017, voor zover aangevallen, moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling bepalen dat de rechtsgevolgen van het door de rechtbank vernietigde besluit van 13 juni 2016 in stand blijven. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de hiervoor in 1 weergegeven arresten van het gerechtshof van 1 november 2017, waarbij [wederpartijen] opnieuw zijn veroordeeld, en de omstandigheid dat zij tegen deze arresten cassatie hebben ingesteld niet kunnen afdoen aan het standpunt van de burgemeester dat zij van slecht levensgedrag zijn.  

4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 27 oktober 2017 in zaak nr. 16/3414, voor zover aangevallen;

III.    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het door de rechtbank vernietigde besluit van 13 juni 2016, kenmerk b16.1300, geheel in stand blijven.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. D.A.C. Slump en mr. H. Bolt, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. Hartsuiker, griffier.

w.g. Hagen    w.g. Hartsuiker

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2018

620.