Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:3468

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-10-2018
Datum publicatie
24-10-2018
Zaaknummer
201707582/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2017:5643, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 december 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kindgebonden budget van [appellante] over 2016 herzien en vastgesteld op € 1.866,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201707582/1/A2.

Datum uitspraak: 24 oktober 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], mede namens haar minderjarige kinderen

[kind 1] en [kind 2], (hierna: [appellante]), allen wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 augustus 2017 in zaak nr. 17/2351 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 30 december 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kindgebonden budget van [appellante] over 2016 herzien en vastgesteld op € 1.866,00.

Bij besluit van 20 maart 2017 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] en [echtgenoot] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 augustus 2017 heeft de rechtbank het door [appellante] en [echtgenoot] daartegen ingestelde beroep voor zover ingesteld door [echtgenoot] niet-ontvankelijk verklaard en voor zover ingesteld door [appellante] ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 juli 2018, waar de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van der Werken, is verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellante] is afkomstig uit Eritrea. Zij is daar in 2008 gehuwd met [echtgenoot]. Om aan zijn militaire dienstplicht te ontkomen, is haar echtgenoot gevlucht en in Israël terecht gekomen. [appellante] heeft daarna met haar kinderen Eritrea ook verlaten en heeft in juni 2015 in Nederland een verblijfsvergunning asiel aangevraagd die haar eind 2015 is verleend. Haar echtgenoot is op 25 augustus 2016 in Nederland aangekomen en heeft vervolgens eveneens een verblijfsvergunning asiel gekregen. In de periode van eind juni 2015 tot

25 augustus 2016 heeft [appellante] alleen voor haar kinderen gezorgd.

2.    In het besluit van 30 december 2016, zoals gehandhaafd bij besluit van 20 maart 2017, heeft de Belastingdienst/Toeslagen zich op het standpunt gesteld dat, omdat uit de gegevens Basisregistratie personen (hierna: Brp) blijkt dat [appellante] gehuwd is, sprake is van partnerschap in de zin van artikel 3 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) en daardoor geen recht bestaat op de alleenstaande ouderkop (hierna: ALO-kop).

3.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

De aangevallen uitspraak

4.    De rechtbank heeft geoordeeld dat de door [appellante] genoemde bepalingen uit internationale verdragen, niet dwingen tot het op grond van artikel 94 van de Grondwet buiten toepassing laten van artikel 3 van de Awir. De rechtbank heeft daartoe, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 24 november 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BO4841) overwogen dat niet is gebleken van een verboden ontneming van het recht op eigendom als bedoeld in artikel 1, Eerste Protocol (hierna: het EP) bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). Voorts heeft de rechtbank overwogen dat [appellante] niet heeft onderbouwd waarom de Belastingdienst/Toeslagen haar in het licht van artikel 14 van het EVRM niet mag onderscheiden van (alleenstaande) ouders die ongehuwd zijn. Daarbij wijst de rechtbank erop dat haar huwelijk een keuze is geweest van [appellante] en de Belastingdienst/Toeslagen daaraan gevolgen mag verbinden. Van strijdigheid met artikelen 2, 26 en 27 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (hierna: IVRK) of artikelen 24, eerste lid, en 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten is volgens de rechtbank geen sprake omdat het besluit niet is genomen jegens de kinderen van [appellante] en hun positie daarbij ook niet constituerend is geweest. De door [appellante] aangehaalde artikelen 10 en 11 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten behelzen geen normen die vatbaar zijn voor rechtstreekse toetsing door de rechter, aangezien zij daarvoor niet voldoende concreet zijn en nadere uitwerking in de nationale wet- en regelgeving behoeven. Gelet op de bezwaargronden heeft de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt gesteld dat er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk was dat het gemaakte bezwaar niet tot een andersluidend besluit kon leiden, zodat de dienst van het horen heeft mogen afzien, aldus de rechtbank.

Hoger beroep

5.    [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de omstandigheid dat de ouder en niet het kind aanspraak kan hebben op het kindgebonden budget, er niet aan in de weg staat dat het belang van het kind wordt betrokken en derhalve wel degelijk dient te worden getoetst aan artikelen 2 en 3 van het IVRK. De rechten van het kind dienen in overweging genomen te worden aangezien het kind degene is voor wiens welzijn de regeling is bedoeld. Zij doet in dat verband een beroep op het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) van 3 oktober 2014, Jeunesse tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2014:1003JUD001273810 en het arrest van het EHRM van 6 juli 2010, Neulinger en Shuruk tegen Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:2010:0706JUD004161507.

    Bovendien heeft de rechtbank volgens [appellante] niet onderkend dat het niet-toekennen van de ALO-kop in strijd is met artikel 14, gelezen in verbinding met artikel 1 van het EP en artikel 8 van het EVRM. Volgens [appellante] moet de ALO-kop onder eigendom worden vervat omdat het begrip eigendom als bedoeld in artikel 1 van het EP inkomensbestandsdelen en belangen die een vermogenswaarde vertegenwoordigen omvat. Door de vervanging van de alleenstaande oudertoeslag uit de Wet werk en bijstand (hierna: de Wwb) per 1 januari 2015 door de ALO-kop in de Wet kindgebonden budget (hierna: Wkb) draagt [appellante] een ‘excessive burden’ die volgens haar door de Belastingdienst/Toeslagen moet worden opgelost. De onthouding van de ALO-kop is een inbreuk op het recht van eigendom die in dit geval niet proportioneel is, aldus [appellante]. Daarbij wordt een ongerechtvaardigd onderscheid gemaakt met (alleenstaande) ouders die ongehuwd zijn. Ten onrechte wordt geen rekening gehouden met de omstandigheid dat zij noodgedwongen, vanwege de vlucht uit haar land van herkomst, als enige de verzorgende was voor haar kinderen. Het is in strijd met artikel 8 van het EVRM dat zij als gevolg van de besluitvorming van de Belastingdienst/Toeslagen wordt gedwongen te scheiden van haar echtgenoot om met haar kinderen op bestaansminimum te kunnen leven. De keuze waarvoor zij wordt gesteld, te weten of in aanmerking komen voor inkomensafhankelijke toeslagen of gehuwd blijven, is een inbreuk op het recht van artikel 8 van het EVRM, aldus [appellante]. In dit verband wijst zij op het arrest van het EHRM, Marckx tegen België, ECLI:CE:ECHR:1979:0613JUD000683374.

6.    Per 1 januari 2015 is met de Wet hervorming kindregelingen (Wet van 25 juni 2014, Stb. 2014, 227; hierna: Whk) artikel 2, zesde lid, van de Wkb in werking getreden. Daarin is bepaald dat de ouder die geen partner heeft, aanspraak heeft op een verhoging van het kindgebonden budget. Hiermee is de zogenoemde ALO-kop geïntroduceerd in de Wkb. Die regeling is in de plaats gekomen van de aanvulling in de minimumregelingen (waaronder de Participatiewet die per 1 januari 2015 de Wwb heeft vervangen; hierna: PW) voor alleenstaande ouders en de alleenstaande ouderkorting in de inkomstenbelasting, zie Kamerstukken II, 2012/13, 33 716, nr. 3. In de Memorie van Toelichting is over de invoering van de ALO-kop op pagina’s 2 en 3 het volgende vermeld:

"Met dit extra bedrag wordt de inkomensondersteuning voor alleenstaande ouders met lage inkomens geharmoniseerd (…). De inkomensondersteuning voor alleenstaande ouders zal voortaan op eenzelfde, uniforme wijze worden vormgegeven door middel van een alleenstaande-ouderkop in het kindgebonden budget. (…) De Wkb valt onder de reikwijdte van de Awir. De huidige voorwaarden voor het kindgebonden budget zullen (…) ook gelden voor de alleenstaande-ouderkop. Voor de alleenstaande-ouderkop in het kindgebonden budget is het partner-begrip in de Awir bepalend."

7.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 6 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2397) heeft de wetgever bij de vormgeving van het wettelijk partnerbegrip gekozen voor een regeling waarbij - uit een oogpunt van een eenduidige uitvoering van de inkomensafhankelijke regelingen - op grond van objectiveerbare gegevens door de Belastingdienst/Toeslagen kan worden vastgesteld of een belanghebbende een partner heeft. Bij de verwerking van aanvragen om toeslagen betrekt de Belastingdienst/Toeslagen automatisch de beschikbare informatie uit de Brp.

8.    Omdat [appellante] gehuwd is, heeft de Belastingdienst/Toeslagen terecht haar echtgenoot als partner in de zin van artikel 3, eerste lid, van de Awir gelezen in samenhang met artikel 5a, eerste lid, onderdeel a, van de Awr aangemerkt. Dat haar echtgenoot in de relevante periode in het buitenland verbleef, betekent niet dat hij daarmee niet kon worden aangemerkt als partner van [appellante], omdat zij gehuwd waren en niet is gebleken dat zij van tafel en bed zijn gescheiden. Daarbij is van belang dat artikel 3, tweede lid, van de Awir de Belastingdienst/Toeslagen geen ruimte laat om rekening te houden met de door [appellante] naar voren gebrachte omstandigheden. In de Awir noch in de Wkb is een hardheidsclausule opgenomen.

9.    Ingevolge artikel 94 van de Grondwet vinden wettelijke voorschriften geen toepassing indien deze toepassing niet verenigbaar is met ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

10.    Voor zover [appellante] betoogt dat de onthouding van de ALO-kop, gelet op de bijzondere omstandigheden van haar geval, in strijd is met artikel 14 van het EVRM, gelezen in verbinding 8 van dat verdrag, wordt het volgende overwogen.

10.1.    Voor een beroep op het discriminatieverbod is van belang of de in dat verband genoemde andere gevallen in relevante opzichten voldoende vergelijkbaar zijn (vergelijk het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Laduna tegen Slowakije, van 13 december 2011, nr. 31827/02, § 56 (ECLI:CE:ECHR:2011:1213JUD003182702). Of sprake is van vergelijkbare gevallen wordt vastgesteld op basis van de feitelijke omstandigheden van het voorliggende geval.

10.2.    De situatie van [appellante] lijkt in relevante opzichten op die van (ongehuwde) alleenstaande ouders. Door omstandigheden, waarop zij zelf niet of nauwelijks invloed heeft, zijn zij en haar echtgenoot gedwongen van elkaar gescheiden. In de relevante periode zat de echtgenoot in een vluchtelingenkamp in Israël. Aannemelijk is dat hij niet op enige wijze heeft kunnen bijdragen aan de kosten van opvoeding en verzorging van de kinderen. De ratio van de wetgever om de ouder die een partner heeft niet in aanmerking te brengen voor een ALO-kop, is dat deze ouder geen extra inkomensondersteuning nodig heeft voor de kosten van verzorging en opvoeding van zijn/haar kinderen in aanvulling op het kindgebonden budget, omdat de partner inkomen kan genereren en dus kan bijdragen in deze kosten. Deze ratio gaat in onderhavig geval niet op.

10.3.    Artikel 14 van het EVRM verbiedt niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen, maar slechts die behandeling die als een ongerechtvaardigd onderscheid moet worden beschouwd, dat wil zeggen, indien voor het gemaakte onderscheid geen redelijke en objectieve rechtvaardiging bestaat (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 22 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3788).

10.4.    Voorop gesteld moet worden dat de Staat bij het nemen van maatregelen op sociaal-economisch terrein beschikt over een aanzienlijke beleids- en beoordelingsruimte, zie aldus het EHRM in de zaak Stec en anderen tegen het Verenigd Koninkrijk, arrest van 12 april 2006, ECLI:CE:ECHR:2006:0412JUD006573101, rechtsoverweging 52, alsmede de zaak Clift tegen het Verenigd Koninkrijk, arrest van 13 juli 2010, ECLI:CE:ECHR:2010:0713JUD000720507, rechtsoverweging 73.

10.5.    Uit de brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de Voorzitter van de Eerste Kamer van 16 juni 2014 (Kamerstukken I, 2013/14 33 716, H) blijkt dat de minister heeft onderkend dat, doordat het partnerbegrip voor toeslagen (zoals het kindgebonden budget) op punten afwijkt van het partnerbegrip in de uitkeringsregelingen, er een groep van een paar duizend ouders is die bij de bijstandsverlening worden aangemerkt als alleenstaande ouder en die per 1 januari 2015 niet in aanmerking komen voor de alleenstaande-ouderkop in het kindgebonden budget. Daarbij heeft de minister expliciet gewezen op de groep ouders die formeel gehuwd zijn, maar om diverse redenen duurzaam gescheiden leven van hun echtgenoot en bij de bijstandverlening worden aangemerkt als alleenstaande ouder. Daarbij heeft de minister het volgende vermeld:

    "Deze groep krijgt geen recht op de alleenstaande ouderkop. Hierbij kan de duur van de afwezigheid van de partner sterk verschillen. De logica om hen wel of niet als alleenstaande te zien, is van geval tot geval anders. Ook de financiële situatie van deze gezinnen kan divers zijn. Omdat het om een relatief kleine en pluriforme groep gaat zijn dit bij uitstek situaties die vragen om een beoordeling op basis van lokaal maatwerk. In voorkomende individuele gevallen kunnen gemeenten aanvullende inkomensondersteuning bieden via de bijzondere bijstand."

De gevolgen van de toepassing van artikel 2, zesde lid, van de Wkb in samenhang gelezen met artikel 3 van de Awir en artikel 5a van de Awr in situaties als door [appellante] bedoeld zijn aldus onderkend. Indien daartoe aanleiding bestaat kan in voorkomende gevallen het gemis van aanvullende inkomensondersteuning van overheidswege, in de vorm van de ALO-kop, voor de kosten en opvoeding worden gecompenseerd in de bijstandssfeer. [appellante] heeft in hoger beroep aangegeven dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Uithoorn van zijn bevoegdheid gebruik heeft gemaakt om haar aanvullende bijstand te verlenen.

10.6.    Gelet op het vorenstaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de toepassing van artikel 2, zesde lid, van de Wkb in samenhang gelezen met artikel 3 van de Awir en artikel 5a van de Awr zich in dit geval niet verdraagt met artikel 14, gelezen in verbinding met artikel 8 van het EVRM.

11.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de weigering de ALO-kop toe te kennen geen onrechtvaardigde inbreuk maakt op het eigendomsrecht van [appellante]. Daarbij is van belang dat [appellante] met de overheveling van de ALO-kop naar het kindgebonden budget niets wordt ontnomen. Dat [appellante] geen aanspraak heeft op de ALO-kop, is niet het rechtstreeks gevolg van enig ingrijpen door de overheid, maar van het feit dat zij gehuwd is.

12.    De rechtbank heeft ten aanzien van het beroep van [appellante] op artikel 2 van het IVRK terecht, onder verwijzing naar onder meer de uitspraak van de Afdeling van 27 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1660, overwogen dat besluiten over kindgebonden budget niet worden genomen jegens kinderen. Het gaat hier om financiële bijdragen van het Rijk waarop niet het kind zelf, maar zijn ouder aanspraak kan hebben. Evenmin resulteert het eigen belang van het kind in een aanspraak van de ouder op kindgebonden budget. Strijd met artikel 2, tweede lid, van het IVRK door [appellante] niet de ALO-kop te verstrekken, doet zich dan ook niet voor.

13.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 16 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY8526) heeft artikel 3 van het IVRK rechtstreekse werking in zoverre het ertoe strekt, dat bij alle maatregelen de belangen van het betrokken kind dienen te worden betrokken. Wat het gewicht dat aan het belang van het kind in een concreet geval moet worden toegekend betreft, bevat het eerste lid van artikel 3 van het IVRK gelet op de formulering ervan geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel dient de bestuursrechter in dit verband te toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Deze toets heeft een terughoudend karakter. Nu het college in dit geval aanvullende bijstand heeft verleend ter compensatie van het gemis van de ALO-kop, bestaat geen grond voor het oordeel dat de Belastingdienst/Toeslagen zich, bezien in het licht van artikel 3 van het IVRK, onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de kinderen en is van strijd met artikel 3 van het IVRK geen sprake.

14.    Het betoog van [appellante] dat zij in strijd met artikel 8 van het EVRM gedwongen wordt om te scheiden van haar echtgenoot om op het bestaansminimum te kunnen leven, treft geen doel. De verstrekking van het kindgebonden budget strekt niet tot het waarborgen van het bestaansminimum. Het kindgebonden budget is bedoeld om ouders te ondersteunen in de kosten van de opvoeding en ontwikkeling van kinderen. Dit uitgangspunt is met de invoering van de Whk niet verlaten. De verhoging van het kindgebonden budget voor alleenstaande ouders door de ALO-kop heeft door haar toevoeging aan het daarvoor al bestaande kindgebonden budget daarom in het kader van de Awir ook het karakter van een aanvullende financiële ondersteuning in de kosten van kinderen, en niet dat van een waarborg van het bestaansminimum (zie ook de uitspraak van de Afdeling van 6 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1645). Zoals hiervoor is overwogen kan in voorkomende gevallen via een andere voorziening inkomensondersteuning worden verkregen ter compensatie van het gemis van de ALO-kop, zoals in het geval van [appellante] ook is gebeurd.

15.    [appellante] betoogt tot slot dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen mocht afzien van het horen in bezwaar. Daartoe voert [appellante] aan dat zij niet in de gelegenheid is geweest haar bezwaar aan te vullen en toe te lichten terwijl dit gelet op de bijzondere situatie en haar verwijzing naar verdragsbepalingen wel in de rede lag.

15.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld uitspraak van 28 januari 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH1142) vormt het horen een essentieel onderdeel van de bezwaarschriftenprocedure. Van horen mag met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) slechts worden afgezien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gemaakte bezwaren niet tot een andersluidend besluit kunnen leiden. De beslissing om die bepaling toe te passen dient te worden genomen op grond van hetgeen in het bezwaarschrift is aangevoerd.

15.2.    [appellante] heeft in bezwaar aangevoerd dat het niet toekennen van de ALO-kop in strijd is met artikelen 26 en 27 van het IVRK en artikel 1 van het EP. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 13 juni 2007 (ECLI:NL:RVS:2007:BA7088), heeft Nederland het voorbehoud gemaakt dat artikel 26 van het IVRK geen zelfstandig recht van kinderen op sociale zekerheidsvoorzieningen, met inbegrip van sociale verzekeringsuitkeringen, inhoudt. Evenzeer heeft de Afdeling in de uitspraak van 13 juni 2017 overwogen dat artikel 27 van het IVRK geen norm bevat die vatbaar is voor rechtstreekse toepassing door de rechter, aangezien deze daarvoor niet voldoende concreet is en derhalve nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving behoeft. Zoals hiervoor onder 11 is overwogen is met de overheveling van de ALO-kop naar het kindgebonden budget geen inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van [appellante]. Hieruit volgt dat de dienst zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat een toelichting van [appellante] op het bezwaar niet tot een andere uitkomst had kunnen leiden. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen van het horen in bezwaar heeft mogen afzien.

16.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

17.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. Y.M. van Soest-Ahlers, griffier.

w.g. Polak    w.g. Van Soest-Ahlers

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2018

343. BIJLAGE

Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

Artikel 8

1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Artikel 14

Het genot van de rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, moet worden verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.

Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

Artikel 1

Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht.

De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren.

Verdrag inzake de rechten van het kind

Artikel 2

1. De Staten die partij zijn bij dit Verdrag, eerbiedigen en waarborgen de in het Verdrag beschreven rechten voor ieder kind onder hun rechtsbevoegdheid zonder discriminatie van welke aard ook, ongeacht ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale, etnische of maatschappelijke afkomst, welstand, handicap, geboorte of andere omstandigheid van het kind of van zijn of haar ouder of wettige voogd.

2. De Staten die partij zijn, nemen alle passende maatregelen om te waarborgen dat het kind wordt beschermd tegen alle vormen van discriminatie of bestraffing op grond van de omstandigheden of de activiteiten van, de meningen geuit door of de overtuigingen van de ouders, wettige voogden of familieleden van het kind.

Artikel 3

1. Bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, vormen de belangen van het kind de eerste overweging.

(…)

Grondwet

Artikel 94

Binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften vinden geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen

Artikel 3

1. Partner van de belanghebbende is degene die ingevolge artikel 5 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen als partner wordt aangemerkt. Artikel 2, zesde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is van overeenkomstige toepassing.

(…)

Algemene wet inzake rijksbelastingen

Artikel 5a

1. Als partner wordt aangemerkt:

a. de echtgenoot;

(…)

Wet op het kindgebonden budget

Artikel 2

1. Aanspraak op een kindgebonden budget heeft de ouder voor een kind voor wie aan die ouder op grond van artikel 18 van de Algemene Kinderbijslagwet kinderbijslag wordt betaald of zou worden betaald indien artikel 7, tweede lid van die wet niet van toepassing zou zijn, met dien verstande dat de aanspraak op een kindgebonden budget bestaat met ingang van de kalendermaand na de maand waarin het kind is geboren dan wel tot het huishouden is gaan behoren tot en met de kalendermaand waarin het kind de leeftijd van 18 jaar bereikt.

2. Het kindgebonden budget bedraagt voor een berekeningsjaar:

a. indien de ouder aanspraak heeft voor één kind: € 1.038,-;

b. indien de ouder aanspraak heeft voor twee kinderen: € 1.866,-;

c. indien de ouder aanspraak heeft voor drie kinderen: € 2.150,-;

d. indien de ouder aanspraak heeft voor meer dan drie kinderen: € 2.150,-, verhoogd met zoveel maal € 284,- als het aantal kinderen meer bedraagt dan drie.

3. Een ouder heeft aanspraak op een verhoging van het kindgebonden budget in een berekeningsjaar voor een kind met ingang van de kalendermaand na de maand waarin dat kind de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt.

4. Voor een kind dat 12 jaar of ouder is, maar jonger is dan 16 jaar bedraagt de verhoging van het kindgebonden budget € 233,-.

5. Voor een kind dat 16 of 17 jaar is, bedraagt de verhoging van het kindgebonden budget met ingang van de kalendermaand na de maand waarin het kind de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt € 415,-.

6. De ouder die geen partner heeft, heeft aanspraak op een verhoging van het kindgebonden budget van € 3.066,- .

7. Bij een gezamenlijk toetsingsinkomen van de ouder en zijn partner van meer dan het drempelinkomen wordt de som van de bedragen waarop recht bestaat op grond van het tweede, vierde, vijfde en zesde lid verminderd met 6,75% van het verschil tussen het gezamenlijk toetsingsinkomen en het drempelinkomen.

8. Een ouder als bedoeld in het eerste en derde lid en zijn partner die tevens ouder is als bedoeld in het eerste lid worden voor de toepassing van deze wet geacht gezamenlijk één aanspraak te hebben.

9. Indien aan twee ouders kinderbijslag wordt uitbetaald op basis van het recht op kinderbijslag van één van die ouders, heeft alleen de ouder, wiens recht op kinderbijslag wordt uitbetaald aanspraak op een kindgebonden budget.

10. De aanspraak op een kindgebonden budget wordt voor iedere kalendermaand afzonderlijk bepaald.

11. Indien de ouder:

a. aanspraak heeft op kindgebonden budget voor een kind, en

b. voor dat kind voor de toepassing van de Algemene Kinderbijslagwet een ander land dan Nederland, een van de andere lidstaten van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en Zwitserland als woonland in aanmerking wordt genomen, bedraagt het kindgebonden budget een bij ministeriële regeling vastgesteld percentage van de in het tweede lid, onderdeel a, vierde, vijfde, zesde en zevende lid bedoelde bedragen. Het percentage wordt zo bepaald dat het een weergave is van de verhouding tussen het kostenniveau van het land dat als woonland in aanmerking wordt genomen en dat van Nederland. Het percentage bedraagt maximaal 100.

12. Indien de ouder:

a. aanspraak heeft op kindgebonden budget voor meer dan een kind, en

b. voor een of meer van die kinderen voor de toepassing van de Algemene Kinderbijslagwet een ander land dan Nederland, een van de andere lidstaten van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en Zwitserland als woonland in aanmerking wordt genomen, bedraagt het kindgebonden budget een volgens bij ministeriële regeling te stellen regels vastgesteld bedrag. Dat bedrag is gebaseerd op de in het tweede, vierde, vijfde, zesde en zevende lid, opgenomen bedragen en de verhouding tussen het kostenniveau van het land dat als woonland in aanmerking wordt genomen voor het desbetreffende kind of voor de desbetreffende kinderen en dat van Nederland uitgedrukt in procenten. Het percentage bedraagt maximaal 100.