Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:3461

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-10-2018
Datum publicatie
24-10-2018
Zaaknummer
201708693/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 oktober 2016 heeft het college aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een reeds gerealiseerde recreatiewoning op het perceel [perceel] te Bergen (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2019/817
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201708693/1/A1.

Datum uitspraak: 24 oktober 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant a] en [appellant b], beiden wonend te Bergen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 5 oktober 2017 in zaak nr. 16/5214 in het geding tussen:

[appellant a] en [appellant b]

en

het college van burgemeester en wethouders van Bergen.

Procesverloop

Bij besluit van 18 oktober 2016 heeft het college aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een reeds gerealiseerde recreatiewoning op het perceel [perceel] te Bergen (hierna: het perceel).

Bij uitspraak van 5 oktober 2017 heeft de rechtbank het door [appellant a] en [appellant b] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant a] en [appellant b] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant a] en [appellant b] hebben nadere stukken ingediend. [vergunninghouder] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 september 2018, waar [appellant a] en [appellant b], bijgestaan door mr. G.J.M. Immens, rechtsbijstandverlener te Apeldoorn, en het college, vertegenwoordigd door T. van Hooff, zijn verschenen. Ook is ter zitting [vergunninghouder], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. E.C.W. van der Poel, advocaat te Alkmaar, gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het bouwplan voorziet in het bouwen van een recreatiewoning achter de vrijstaande woning aan de [locatie 1] te Bergen. De recreatiewoning is gebouwd op de locatie waar tot 2011 een zogenoemde zomerwoning heeft gestaan. In 2011 is die zomerwoning gesloopt. De recreatiewoning is gebouwd op de bestaande fundering van de zomerwoning. Een verzoek om handhaving van [appellant a] en [appellant b] heeft geleid tot de hier bestreden omgevingsvergunning. Bij uitspraak van 20 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:90, heeft de Afdeling een oordeel gegeven over het geschil omtrent het handhavingsverzoek.

2.    Ter plaatse geldt het bestemmingsplan "Bergen Dorpskern-Zuid", waarin het perceel de bestemming "Wonen-2" heeft. Het bouwplan is daarmee in strijd, omdat het perceel niet de aanduiding "recreatiewoning (rw)" heeft, de afstand tot de zijdelingse perceelgrens minder dan 1 m is, de maximaal toegestane oppervlakte van 50 m² aan bijgebouwen en aan- en uitbouwen op het perceel wordt overschreden en omdat het bouwplan niet voorziet in een kapconstructie met een hellingshoek van 30-50 graden. Om het bouwplan niettemin mogelijk te maken, heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

3.    [appellant a] en [appellant b] wonen op het perceel [locatie 2] te Bergen. Hun achtertuin grenst aan de achterzijde aan het perceel van [vergunninghouder] en [persoon]. De recreatiewoning is gebouwd op een afstand van minder dan 1 m van de achtererfgrens. [appellant a] en [appellant b] vrezen overlast door het gebruik van de recreatiewoning.

Beoordeling hoger beroep

4.    [appellant a] en [appellant b] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college in redelijkheid een omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen voor het bouwplan. Daartoe voeren zij aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat een zomerwoning uit het voorheen geldende bestemmingsplan "Bebouwde Kom" in de planologische visie van de raad is gelijkgesteld met een recreatiewoning. Volgens [appellant a] en [appellant b] is dat in strijd met de uitspraak van de Afdeling van 20 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:90, aangezien daarin is geoordeeld dat een zomerwoning niet hetzelfde is als een recreatiewoning. Ook voeren [appellant a] en [appellant b] aan dat, anders dan het college stelt, het geen fout is dat het perceel niet is voorzien van de aanduiding "recreatiewoning (rw)". In dat verband stellen zij dat de recreatiewoning niet aanwezig was ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan en dat de recreatiewoning niet is geregistreerd tijdens de inventarisatie die in 2005 heeft plaatsgevonden. Tevens voeren [appellant a] en [appellant b] aan dat de rechtbank een onjuiste uitleg geeft aan de planologische visie, aangezien het uitgangspunt is dat geen nieuwe recreatiewoningen mogen worden gerealiseerd op percelen met een woonbestemming. Verder betogen [appellant a] en [appellant b] dat de rechtbank te lichtvaardig over de afwijkingen van het bestemmingsplan heeft geoordeeld. Volgens [appellant a] en [appellant b] schept deze omgevingsvergunning een ongewenst precedent.

4.1.    In het voorheen geldende bestemmingsplan "Bebouwde Kom" was op het perceel één zomerwoning met een oppervlakte van 45 m² toegestaan. Op het perceel heeft een zomerwoning gestaan die in 2011 is gesloopt. Een zomerwoning is, gelezen de definitie in artikel 1, aanhef en onder 12, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Bebouwde Kom", niet hetzelfde als een recreatiewoning, als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder 71, van het bestemmingsplan "Bergen Dorpskern-Zuid". Een zomerwoning was bestemd voor het gebruik door de bewoners van de woning op het bijbehorende erf en een recreatiewoning is bestemd voor het gebruik door personen die het hoofdverblijf elders hebben.

    Het college hanteert het beleid dat het de oprichting van nieuwe recreatiewoningen op het achtererf van percelen met een woonbestemming niet toestaat en dat bestaande (planologische) rechten niet worden beperkt. Dit beleid vindt zijn grondslag in de "Planologische visie, recreatiewoningen op particuliere erven met een woonbestemming", vastgesteld door de gemeenteraad op 26 juni 2007, die is opgesteld als leidraad voor nog vast te stellen bestemmingsplannen. Het college heeft zich in het in bezwaar gehandhaafde besluit van 18 oktober 2016 op het standpunt gesteld dat het in dit geval niet gaat om het oprichten van een nieuwe recreatiewoning zoals bedoeld in het beleid. Daartoe stelt het college dat in het voorheen geldende bestemmingsplan "Bebouwde Kom" een zomerwoning op het perceel was toegestaan die ook is gerealiseerd. De zomerwoning is gesloopt en de recreatiewoning is voorzien - en inmiddels opgericht - op de bestaande fundering van de zomerwoning. Het college heeft bij zijn besluitvorming betrokken dat uit de hiervoor genoemde planologische visie volgt dat het onderscheid tussen begrippen zoals zomerhuis, zomerwoning en tenthuis, niet langer een functie heeft en dat in nieuwe bestemmingsplannen voortaan alleen het begrip recreatiewoning wordt gebruikt. Hoewel de eigenaren van het perceel niet zijn opgekomen tegen de vaststelling van het bestemmingsplan "Bergen Dorpskern-Zuid", waarin het perceel niet de aanduiding "recreatiewoning (rw)" heeft gekregen, stelt het college zich op het standpunt dat indien zij dat wel hadden gedaan, in het bestemmingsplan zou worden vastgelegd dat op het perceel een recreatiewoning is toegestaan. Uit de planologische visie volgt namelijk dat bestaande rechten zoals die van [vergunninghouder] niet worden beperkt, aldus het college.

    Gelet op de omstandigheid dat op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan een zomerwoning was toegestaan en ook is gerealiseerd, de recreatiewoning is voorzien op de fundering van de zomerwoning en gelet op het beleidsmatige verdwenen onderscheid tussen verschillende vormen van het gebruik van recreatiewoningen, heeft het college zich naar het oordeel van de Afdeling op het standpunt kunnen stellen dat met de realisering van het bouwplan gebruik wordt gemaakt van bestaande rechten en dat het bouwplan daarom niet voorziet in het oprichten van een nieuwe recreatiewoning zoals bedoeld in het beleid van het college. De rechtbank heeft in vergelijkbare zin geoordeeld.

4.2.    Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het bouwplan is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 20 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:90, geoordeeld dat de recreatiewoning geen bijbehorend bouwwerk is als bedoeld in bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor). De totale oppervlakte en bouwhoogte van de bijbehorende bouwwerken en de recreatiewoning op het perceel is volgens het college echter niet groter dan wat op grond van bijlage II van het Bor zonder vergunning zou kunnen worden gerealiseerd. Ook zal een deel van de bestaande bijbehorende bouwwerken op het perceel worden gesloopt. Het college heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de recreatiewoning kleiner is dan op basis van het voorheen geldende bestemmingsplan "Bebouwde Kom" was toegestaan, namelijk 36,5 m² in plaats van 45 m². Wat betreft de afwijking van het bestemmingsplan ten aanzien van de zijdelingse perceelgrenzen heeft het college gesteld dat de afwijking klein is en dat dit een vanuit het verleden gegroeide situatie is. De woning van [appellant a] en [appellant b] ligt achter de achterperceelgrens en ten aanzien van de achterperceelgrens stelt het bestemmingsplan geen eisen. Het bouwplan is aan de zijde van [appellant a] en [appellant b] niet voorzien van ramen. Over de afwijking van de kap heeft het college gesteld dat het lessenaars dak vanaf de openbare weg niet zichtbaar is en dat het dak lager is dan zou zijn toegestaan indien op het perceel een vergunningvrij bouwwerk zou worden opgericht.

    Gelet op deze motivering van het college deelt de Afdeling de conclusie van de rechtbank dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voor het bouwplan een omgevingsvergunning kon worden verleend. De Afdeling ziet geen aanknopingspunt voor de door [appellant a] en [appellant b] gestelde ongewenste precedentwerking, omdat het hier gaat om een specifieke situatie die aan het beleid van het college voldoet.

    Het betoog faalt.

Slot en conclusie

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.C.M. Smulders-Wijgerde, griffier.

w.g. Van Altena    w.g. Smulders-Wijgerde

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2018

672.