Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:3430

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-10-2018
Datum publicatie
24-10-2018
Zaaknummer
201708132/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 juni 2017 heeft het college zijn beslissing om op 13 juni 2017 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 (hierna: de Afvalstoffenverordening) en het Uitvoeringsbesluit Afvalstoffenverordening 2010 (hierna: het Uitvoeringsbesluit) van de gemeente Den Haag aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang (€ 126,00) voor rekening van [appellant] komt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2019/814
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201708132/1/A1.

Datum uitspraak: 24 oktober 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Den Haag,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 14 juni 2017 heeft het college zijn beslissing om op 13 juni 2017 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 (hierna: de Afvalstoffenverordening) en het Uitvoeringsbesluit Afvalstoffenverordening 2010 (hierna: het Uitvoeringsbesluit) van de gemeente Den Haag aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang (€ 126,00) voor rekening van [appellant] komt.

Bij besluit van 28 augustus 2017 heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 september 2018, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door S.E. el Boustati, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een doos die op 13 juni 2017 is aangetroffen naast een aangewezen inzamelvoorziening ter hoogte van de Prins Mauritslaan 15. Omdat op de doos een adreslabel met de adresgegevens van [appellant] is aangetroffen, stelt het college zich op het standpunt dat de doos van hem afkomstig is en dat hij als overtreder van artikel 9, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening dient te worden aangemerkt.

2.    [appellant] betwist niet dat de doos van hem afkomstig is, maar stelt dat hij de doos in de container heeft gedeponeerd. Volgens hem is de capaciteit van de containers ter hoogte van de Prins Mauritslaan 15 onvoldoende. Daardoor vermoedt hij dat een derde afval uit de container heeft gehaald om daar vervolgens eigen afval in te kunnen doen.

2.1.    Artikel 5:1, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht luidt: "Onder overtreder wordt verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt."

    Artikel 5:25, eerste lid, luidt:

"De toepassing van bestuursdwang geschiedt op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen."

    Artikel 4, tweede lid, van de Afvalstoffenverordening luidt:

"Het college kan aanwijzen via welk al dan niet van gemeentewege verstrekt inzamelmiddel of via welke inzamelvoorziening de inzameling van een bepaalde categorie huishoudelijke afvalstoffen ten behoeve van de gebruiker van een perceel plaatsvindt."

    Artikel 9, eerste lid, luidt:

"Het is de gebruiker van een perceel, voor wie krachtens artikel 4, tweede lid, een inzamelmiddel of inzamelvoorziening is aangewezen, verboden de huishoudelijke afvalstoffen anders aan te bieden dan via het betreffende inzamelmiddel of de betreffende inzamelvoorziening of het betreffende brengdepot."

2.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 25 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2899, zal in de regel mogen worden aangenomen dat de persoon tot wie de aangetroffen afvalstoffen kunnen worden herleid, ook de overtreder is. Dit geldt echter niet indien diegene aannemelijk maakt dat hij niet degene is geweest die het te handhaven voorschrift heeft geschonden.

2.3.    Vast staat dat op 13 juni 2017 naast de aangewezen inzamelvoorziening op de Prins Mauritslaan ter hoogte van nummer 15 een doos is aangetroffen die afkomstig is van [appellant]. Het college mocht er van uitgaan dat hij de overtreder is, tenzij [appellant] aannemelijk maakt dat hij niet degene is geweest die de doos in strijd met de Afvalstoffenverordening, in samenhang bezien met het Uitvoeringsbesluit, heeft aangeboden. Met de enkele stelling dat hij de doos in de inzamelvoorziening heeft gedeponeerd en het vermoeden dat een derde afval uit de inzamelvoorziening heeft gehaald om daar vervolgens eigen afval in te deponeren, omdat de containers onvoldoende capaciteit hebben, heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat niet hij, maar een ander, de doos op onjuiste wijze heeft aangeboden. Daarbij is van belang dat het college ter zitting heeft toegelicht dat het niet is toegestaan om afval in een inzamelvoorziening te deponeren op een wijze waarop de inzamelvoorziening vervolgens niet meer goed gesloten kan worden. Indien [appellant] de doos op de juiste wijze had aangeboden, was het voor een derde niet mogelijk om de doos uit de inzamelvoorziening te halen, aldus het college. Geen aanleiding bestaat derhalve voor het oordeel dat het college hem ten onrechte als overtreder heeft aangemerkt.

    Het betoog faalt.

3.    Het beroep is ongegrond.

4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, griffier.

w.g. Lubberdink    w.g. Graaff-Haasnoot

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2018

531-884.