Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:3426

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-10-2018
Datum publicatie
24-10-2018
Zaaknummer
201709586/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 februari 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag van [appellant] om afgifte voor een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201709586/1/A3.

Datum uitspraak: 24 oktober 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Zwolle,

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 31 oktober 2017 in zaak nr. 17/1087 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, nu: de minister voor Rechtsbescherming.

Procesverloop

Bij besluit van 9 februari 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag van [appellant] om afgifte voor een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) afgewezen.

Bij besluit van 2 mei 2017 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 31 oktober 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 oktober 2018, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. N.M.L. van den Herik, is verschenen.

Overwegingen

    Wet- en regelgeving

    1.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

    Inleiding

    2.    [appellant] heeft een aanvraag ingediend om afgifte van een VOG voor de functie van chauffeur Autobedrijf bij PostNL. De staatssecretaris heeft aan de afwijzing ten grondslag gelegd dat binnen de terugkijktermijn van 4 jaar in het Justitieel Documentaire Systeem (hierna: JDS) op naam van [appellant] is geregistreerd dat hij in aanraking is gekomen met Justitie. In het JDS stonden ten tijde van het besluit van 2 mei 2017 de volgende relevante justitiële gegevens:

- een openstaande zaak wegens feit 1 primair diefstal in vereniging met braak subsidiair medeplichtigheid aan diefstal met braak gepleegd op 4 augustus 2016 te Nieuwleusen, feit 2 primair diefstal in vereniging met braak subsidiair medeplichtigheid aan diefstal met braak gepleegd op 5 augustus 2016 te Groningen, feit 3 primair diefstal in vereniging met braak subsidiair medeplichtigheid aan diefstal met braak gepleegd op 3 augustus 2016 te Emmeloord.

- een bij strafbeschikking van 28 april 2016 opgelegde geldboete van € 400,- wegens overschrijding van de maximumsnelheid.

Beoordeling in hoger beroep

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de staatssecretaris zich op het standpunt mocht stellen dat aan het objectieve criterium is voldaan. Hij voert aan dat het risicogebied "goederen" niet van toepassing is, omdat hij bij PostNL niet verantwoordelijk zal zijn voor het bezorgen van paketten. Om die reden zijn de verdenkingen van diefstal niet relevant, aldus [appellant]. Daarbij voert hij aan dat de gegevens over de diefstallen ook niet juist zijn weergegeven in het JDS.

    Verder betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de staatssecretaris de belangen bij de beoordeling van het subjectieve criterium zorgvuldig heeft afgewogen.

3.1.    De risicogebieden zijn onderzocht aan de hand van de aanvraag en zijn bepaald door de instantie die de VOG eist, in dit geval PostNL. De staatssecretaris is terecht uitgegaan van de op de aanvraag aangegeven risicogebieden - waaronder het risicogebied goederen - die behoren bij de functie van chauffeur. Dat [appellant] stelt dat het risicogebied "goederen", gelet op de werkzaamheden die uitgevoerd zullen worden, niet speelt, doet aan de inhoud van de te beoordelen aanvraag niet af. Dat het aangegeven risicogebied niet speelt, heeft PostNL niet bevestigd (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 11 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:30). De rechtbank heeft om die reden terecht geoordeeld dat de staatssecretaris de aanvraag mede aan het risicogebied "goederen" mocht toetsen.

    Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens wordt de afgifte van een VOG geweigerd indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan het doel waarvoor de VOG wordt gevraagd, in de weg zal staan. Daarom moet bij de beoordeling van een aanvraag om afgifte van een VOG worden uitgegaan van de strafbare feiten die op naam van de aanvrager zijn geregistreerd in het JDS. Dit zou alleen anders kunnen zijn indien het evident is dat deze strafbare feiten geen betrekking kunnen hebben op de aanvrager. De enkele stelling van [appellant] dat hij niet wordt verdacht van het plegen of medeplegen van diefstal maar slechts van medeplichtigheid, is daartoe onvoldoende.

    Gelet op paragraaf 3.2.2 van de Beleidsregels VOG-NP-RP 2013, moet in het kader van het objectieve criterium worden beoordeeld of de ten aanzien van de aanvrager aangetroffen justitiële gegevens, op zichzelf en afgezien van de persoon van de aanvrager, indien herhaald, een behoorlijke uitoefening van de betrokken functie zouden verhinderen, omdat daarbij een risico voor de samenleving bestaat. De staatssecretaris heeft toegelicht dat [appellant] in de functie van chauffeur autobedrijf bij PostNL belast is met het vervoeren en bezorgen van goederen. Daarbij heeft [appellant] de bevoegdheid tot het raadplegen van systemen en gaat hij met gevoelige en vertrouwelijke informatie en contante en girale waarden om. Ook komt [appellant] bij het uitoefenen van de werkzaamheden veelvuldig bij mensen aan de deur. Bij vermogensdelicten, indien herhaald in deze functie, is het risico aanwezig dat [appellant] goederen dan wel contante en girale waarden ontvreemdt. Ter zake van de snelheidsovertreding bestaat, indien herhaald, een risico dat  [appellant] het welzijn en de veiligheid van medeweggebruikers in gevaar brengt. Daarbij bestaat het risico dat de goederen die hij vervoert, beschadigd raken als gevolg van zijn rijgedrag.

    Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de staatssecretaris zich op het standpunt mocht stellen dat aan het objectieve criterium is voldaan.

3.2.     Omdat de in rechtsoverweging 2 genoemde feiten geen lichte vergrijpen zijn, niet verenigbaar zijn met de functie van chauffeur autobedrijf bij PostNL en gelet op het beperkte tijdsverloop tussen de in de tenlastelegging vermelde pleegdatum van de strafbare feiten en het besluit van 2 mei 2017, heeft de staatssecretaris in redelijkheid meer gewicht kunnen toekennen aan het belang van beperking van risico’s voor de samenleving dan aan het belang van [appellant] bij de afgifte van een VOG. Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld (zie uitspraak van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:205) kan een enkele verdenking van een strafbaar feit voldoende grondslag bieden om een weigering van een VOG op te baseren. De bestuursrechter dient het besluit van 2 mei 2017 te beoordelen naar de feiten zoals die zich voordeden en het recht dat gold en het beleid dat van kracht was ten tijde van het nemen van dat besluit. Ten tijde van dat besluit stonden de feiten waarvan [appellant] verdacht werd in het JDS geregistreerd en was bijna een jaar verstreken sinds de daar vermelde pleegdatum. Dat de afwikkeling van de strafprocedure inmiddels lang duurt betekent niet dat de verdenking niet meer bestaat (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 20 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2528). Of gezien het tijdsverloop sinds het plegen van de vermeende strafbare feiten weigering van de afgifte van een VOG aan [appellant] nu niet langer gerechtvaardigd is, staat hier niet ter beoordeling. Ter beoordeling staat immers het besluit van 2 mei 2017. Het inmiddels langere tijdsverloop sinds het plegen van de vermeende strafbare feiten dient de minister te betrekken in de beoordeling van een eventuele toekomstige aanvraag van [appellant] om afgifte van een VOG.

    De betogen falen.

Slotsom

4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Proceskosten

5.     Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, griffier.

w.g. Steendijk    w.g. Neuwahl

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2018

280-859. BIJLAGE - Wettelijk kader

Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens

    Artikel 28

24 oktober 2018een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon ingesteld, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is gevraagd en na afweging van het belang van betrokkene, niet is gebleken van bezwaren tegen die natuurlijke persoon of rechtspersoon.

    Artikel 35

1. Onze Minister weigert de afgifte van een verklaring omtrent het gedrag, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan het doel waarvoor de verklaring omtrent het gedrag wordt gevraagd, in de weg zal staan.

[…]

Beleidsregels VOG-NP-RP 2013

    Paragraaf 3.

Ten behoeve van de beoordeling van een VOG-aanvraag ontvangt het COVOG alle justitiële gegevens betreffende de aanvrager die zijn geregistreerd in het JDS. De justitiële gegevens kunnen zowel uit Nederland als uit het buitenland afkomstig zijn. Aan de aanvrager die niet voorkomt in het JDS, wordt zonder meer een VOG afgegeven.

Wanneer de aanvrager voorkomt in het JDS wordt de vraag of een VOG kan worden afgegeven beoordeeld aan de hand van een objectief criterium en een subjectief criterium (zie hieronder paragraaf 3.2 en 3.3).

    Paragraaf 3.1.

Bij de beoordeling van de justitiële gegevens van de aanvrager wordt een terugkijktermijn in acht genomen. […]

    Paragraaf 3.1.1.

[…]

Van de terugkijktermijn van vier jaren wordt afgeweken indien:

[…]

b. de aanvraag voor een VOG samenhangt met een bijzondere wet of regeling waarin een andere termijn is opgenomen of samenhangt met de duur van een vergunning. In dat geval wordt aangesloten bij de duur van de vergunning of de in de desbetreffende wet- of regeling opgenomen termijn;

[…]

    Indien in de voor de aanvraag van toepassing zijnde terugkijktermijn relevante justitiële gegevens zijn aangetroffen, betrekt het COVOG bij de beoordeling van de aanvraag ook alle overige voor de aanvraag relevante justitiële gegevens die buiten de terugkijktermijn liggen in de beoordeling van de aanvraag. Aan deze strafbare feiten komt, nu deze buiten de terugkijktermijn hebben plaatsgevonden, onvoldoende gewicht toe om zelfstandig te worden betrokken bij de beoordeling van de VOG-aanvraag. Deze strafbare feiten worden echter wel betrokken bij de subjectieve criteria en zullen derhalve een rol spelen bij de belangenafweging. Op grond van de zowel binnen als buiten de termijn aangetroffen strafbare feiten wordt een inschatting gemaakt van het risico dat de aanvrager opnieuw met justitie in aanraking komt.

    Paragraaf 3.1.2.

Om te bepalen of een relevant justitieel gegeven binnen de terugkijktermijn valt wordt als uitgangspunt genomen:

a. de datum van rechterlijke uitspraak in eerste aanleg, of bij gebreke daarvan

b. de datum dat het Openbaar Ministerie een strafbeschikking heeft uitgevaardigd, of bij gebreke daarvan

c. de datum van de transactie zoals vermeld in het JDS, of bij gebreke daarvan

d. de datum dat het Openbaar Ministerie de beslissing heeft genomen de zaak te seponeren, of bij gebreke daarvan

e. de pleegdatum.

[…]

    Paragraaf 3.2.

De afgifte van de VOG wordt in beginsel geweigerd indien wordt voldaan aan het objectieve criterium. Het objectieve criterium betreft de beoordeling of de justitiële gegevens die ten aanzien van de aanvrager zijn aangetroffen, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid waarvoor de VOG is aangevraagd.

[…]

    Paragraaf 3.2.2.

Het COVOG toetst of het justitiële gegeven, op zichzelf en afgezien van de persoon van de aanvrager, indien herhaald, een behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid zou verhinderen, omdat daarbij een risico voor de samenleving ontstaat.

    Toepassing van het objectieve criterium ziet slechts op de vraag of er sprake zou zijn van een risico voor de samenleving wanneer dit of een soortgelijk strafbaar feit zou worden gepleegd door een persoon in de uitoefening van de functie/taak/bezigheid waarvoor de VOG wordt aangevraagd. Bij de beoordeling van het objectieve criterium is niet relevant of het feit plaatsvond in de privésfeer. Evenmin is het relevant of er sprake is van een reëel recidivegevaar.

    Paragraaf 3.2.3.

Bij de vaststelling van het risico voor de samenleving wordt een onderverdeling gemaakt in risico’s voor informatie, geld, goederen, diensten, zakelijke transacties, proces, aansturen organisatie en personen. Met behulp van een algemeen screeningsprofiel en een aantal specifieke screeningsprofielen worden de risico’s nader uitgewerkt. Op basis hiervan kan worden beoordeeld of een justitieel gegeven als relevant moet worden beschouwd voor het doel van de aanvraag.

    Paragraaf 3.3.

Op grond van het subjectieve criterium kan worden geoordeeld dat het belang dat een aanvrager heeft bij het verstrekken van de VOG zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving. In dat geval wordt de VOG afgegeven ondanks dat wordt voldaan aan het objectieve criterium.

[…]

    Paragraaf 3.3.1.

Het subjectieve criterium ziet op omstandigheden van het geval die ertoe kunnen leiden dat de objectieve vaststelling van een risico voor de samenleving ten aanzien van deze aanvrager niet zou moeten leiden tot een weigering van de afgifte van de VOG.

    Omstandigheden van het geval die altijd in de beoordeling worden betrokken zijn:

- de afdoening van de strafzaak;

- het tijdsverloop;

- de hoeveelheid antecedenten.

[…]

Screeningsprofielen VOG NP

[…]

In beginsel kennen de risicogebieden en de screeningsprofielen een terugkijktermijn van vier jaren. In die gevallen waarin een afwijkende terugkijktermijn wordt gehanteerd staat dat in het screeningsprofiel vermeld, dan wel is dat op andere wijze bekend gemaakt.

    HET ALGEMENE SCREENINGSPROFIEL

Informatie

Het risicogebied informatie beoogt de maatschappelijke risico’s in kaart te brengen die zich kunnen voordoen indien men in een functie of bezigheid toegang heeft tot systemen dan wel tot informatie. Het betreft hier de bevoegdheid tot het raadplegen en/of het bewerken van deze systemen.

Onder dit risicogebied valt ook het omgaan met gevoelige dan wel vertrouwelijke informatie. Voorts betreft dit het toegang hebben tot of kennis dragen van veiligheidssystemen, controlemechanismen en verificatieprocessen.

[…]

Goederen

Het risicogebied goederen beoogt de maatschappelijke risico’s in kaart te brengen die zich voor kunnen doen bij het bewaken van productieprocessen en bij het beschikken over goederen. Onder dit laatste wordt ook verstaan het laden en lossen, het inpakken en het opslaan van goederen. Verder valt onder dit risicogebied het voorhanden hebben van stoffen, objecten of voorwerpen, die bij oneigenlijk of onjuist gebruik een risico vormen voor mens (en dier).

Bij het bewaken van productieprocessen kunnen risico’s zich verwezenlijken door het onzorgvuldig omgaan met voedingsmiddelen, chemicaliën of andere stoffen, hetgeen een risico voor de volkgezondheid betekent. Door vernieling of sabotage bestaat het risico dat bedrijfsprocessen worden ontregeld waardoor de (economische belangen) van bedrijven kunnen worden geschaad.

Het beschikken over goederen kan risico’s met zich meedragen die tot uitdrukking kunnen komen in diefstal of verduistering, vernieling of vervalsing van goederen. Maar ook misbruik ten eigen bate en het in gevaar brengen van goederen valt er onder.

Door oneigenlijk of onjuist gebruik van stoffen, voorwerpen of objecten kan de veiligheid en het welzijn van personen en dieren in gevaar worden gebracht en bestaat onder meer het risico van milieudelicten.

[…]