Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:3423

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-10-2018
Datum publicatie
24-10-2018
Zaaknummer
201800423/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2017:6318, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 juli 2016 heeft de minister een verzoek van MKB Fondsenwerving tot openbaarmaking van informatie afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2018/427 met annotatie van P.J. Stolk
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201800423/1/A3.

Datum uitspraak: 24 oktober 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

MKB Fondsenwerving B.V., gevestigd te Utrecht,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 7 december 2017 in zaak nr. 17/1745 in het geding tussen:

MKB Fondsenwerving

en

de minister van Economische Zaken (nu: de minister van Economische Zaken en Klimaat).

Procesverloop

Bij besluit van 1 juli 2016 heeft de minister een verzoek van MKB Fondsenwerving tot openbaarmaking van informatie afgewezen.

Bij besluit van 30 november 2016 heeft de minister het door

MKB Fondsenwerving daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 december 2017 heeft de rechtbank het door

MKB Fondsenwerving daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft MKB Fondsenwerving hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De minister heeft stukken overgelegd ten aanzien waarvan hij onder verwijzing naar artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling daarvan kennis mag nemen. MKB Fondsenwerving heeft de Afdeling toestemming verleend om mede op de grondslag van deze stukken uitspraak te doen.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 oktober 2018, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. J. van Essen, is verschenen.

Overwegingen

    Inleiding

    1.    Medewerkers van de minister controleren de goede uitvoering van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (hierna: de Wva). De Wva is een belastingwet die een deel van de loonkosten voor speur- en ontwikkelingswerk (hierna: S&O) compenseert. MKB Fondsenwerving adviseert ondernemingen over S&O. Zij heeft de minister op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) verzocht om informatie waaruit de selectiecriteria kunnen worden afgeleid die de basis vormen voor de controles naar de administratie omtrent de aard, de inhoud, de omvang en de voortgang van het S&O. De minister heeft aan de afwijzing artikel 10, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wob ten grondslag gelegd.

    Op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wob blijft het verstrekken van informatie achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen.

    Volgens de minister vereist een goede uitvoering van de Wva dat selectiecriteria die de basis vormen voor een Wva-controle geheim blijven. Dit belang dient volgens de minister zwaarder te wegen dan het belang van openbaarheid. De rechtbank heeft dit standpunt van de minister over de weigeringsgrond juist geacht.

Beoordeling in hoger beroep

2.    MKB Fondsenwerving betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de weigeringsgrond ziet op het feitelijk onderzoek en niet op de selectiecriteria die ten grondslag liggen aan dat onderzoek. Verder betoogt MKB Fondsenwerving dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het belang van openbaarmaking van de informatie niet opweegt tegen het belang van controle, inspectie en toezicht.

2.1.    Na met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennis te hebben genomen van de niet aan MKB Fondsenwerving verstrekte paragrafen 2.2.1. en 2.4., overweegt de Afdeling dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat die paragrafen informatie bevatten waaruit de criteria afgeleid kunnen worden op basis waarvan besloten wordt tot Wva-controle.

    De begrippen controle, inspectie en toezicht uit artikel 10, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wob hebben betrekking op al hetgeen een doeltreffende controle inhoudt en dus ook op de afweging die de basis vormt om te gaan controleren. De toelichting op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wob (Kamerstukken II, 1986-1987, 19 859, nr. 3, blz. 35), vermeldt bovendien dat deze weigeringsgrond toepasbaar is bij het gebruik van steekproeven in het kader van inspectie, controle en toezicht, gericht op het vaststellen van niet-strafbare feiten. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 5 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:725), volgt uit de ruime formulering van de weigeringsgrond dat deze concretisering niet uitputtend bedoeld kan zijn en dat beoogd is een voorbeeld van een situatie te geven waarin deze weigeringsgrond kan worden ingeroepen. Er bestaat daarom geen grond voor het oordeel dat het belang van controle, inspectie en toezicht niet aan de orde kan zijn bij selectiecriteria die de basis vormen voor de controles naar de besteding van het fiscaal voordeel.    

    De belangenafweging heeft betrekking op het publieke belang bij openbaarmaking van de informatie enerzijds en op de belangen die de weigeringsgrond beschermt anderzijds. Openbaarmaking van de informatie kan anticiperend gedrag in de hand werken, omdat S&O-aanvragers daarmee een inschatting kunnen maken van de kans op een controle en daar hun gedrag op kunnen afstemmen. Dit vergroot de kans op te ruim gebruik of misbruik van de faciliteit. De minister heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat daarom het belang van openbaarmaking van de selectiecriteria niet opweegt tegen het belang van controle, inspectie en toezicht.

    Indien MKB Fondsenwerving aan de orde zou willen stellen dat de controle niet objectief plaatsvindt kan zij dat doen bij het instellen van een rechtsmiddel (bezwaar, beroep) tegen een zogenoemde correctie-S&O-verklaring als gevolg van een controle op grond van de Wva.

    De betogen falen.

Slotsom

3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Proceskosten

4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, griffier.

w.g. Steendijk    w.g. Neuwahl

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2018

280-859.