Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:3387

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-10-2018
Datum publicatie
17-10-2018
Zaaknummer
201702550/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2017:1323, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 22 november 2016 heeft [appellant] beroep ingesteld tegen het niet tijdig bekend maken van een van rechtswege verleende omgevingsvergunning voor de bouw van een woning op het perceel [locatie] te Eindhoven (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201702550/1/A1.

Datum uitspraak: 17 oktober 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellante B], wonend te Eindhoven (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]),

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 15 maart 2017 in zaak nr. 16/3522 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven.

Procesverloop

Bij brief van 22 november 2016 heeft [appellant] beroep ingesteld tegen het niet tijdig bekend maken van een van rechtswege verleende omgevingsvergunning voor de bouw van een woning op het perceel [locatie] te Eindhoven (hierna: het perceel).

Bij uitspraak van 15 maart 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld.

[appellant] heeft daarop een zienswijze gegeven.

Bij besluit van 20 juli 2017 heeft het college geweigerd een omgevingsvergunning te verlenen voor de bouw van een woning op het perceel.

[appellant] heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Het college heeft daarop een schriftelijke reactie gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 februari 2018, waar [appellant], bijgestaan door mr. H.H. van Steijn, advocaat te ‘s-Hertogenbosch, en het college, vertegenwoordigd door mr. B. Timmermans, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Uit de gedingstukken blijkt dat op 8 augustus 2016 toezichthouders van de gemeente hebben vastgesteld dat op het perceel zonder omgevingsvergunning bouwactiviteiten werden verricht ten behoeve van de realisering van een woning. Het college heeft daarop de bouw van de woning stilgelegd. [appellant] heeft op 28 augustus 2016 een aanvraag om omgevingsvergunning voor de bouw van de woning ingediend bij het college.

2.    Bij brief van 29 augustus 2016 heeft het college aan [appellant] de ontvangst van de aanvraag bevestigd en hem medegedeeld dat deze binnen twee weken zal worden gepubliceerd. Verder is [appellant] bij deze brief medegedeeld dat het college nog zal beoordelen of de aanvraag in behandeling kan worden genomen, alsmede welke procedure daarop van toepassing is. Aangekondigd wordt dat [appellant] daarover nog afzonderlijk bericht zal ontvangen.

    Bij brief van het college van 21 oktober 2016 is [appellant] medegedeeld dat de aanvraag niet in het geldende bestemmingsplan "Buitengebied" past en dat dit betekent dat op de behandeling daarvan de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is.

    Bij brief van 7 november 2016 heeft [appellant] het college in gebreke gesteld als bedoeld in artikel 4:20d, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

3.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Het oordeel van de rechtbank

4.    De rechtbank heeft het standpunt van het college gevolgd dat geen vergunning van rechtswege is verleend, omdat het project in strijd is met het bestemmingsplan. Zij heeft daartoe overwogen dat nu [appellant] niet heeft bestreden dat de woning is voorzien binnen de afstanden tot een stroomweg en een erftoegangsweg waarin volgens artikel 36.1.1 van de planregels geen bebouwing mag worden opgericht, zij ervan uitgaat dat het project in strijd is met artikel 36.1 van de planregels. Zij heeft verder geoordeeld dat vaststaat dat het project in strijd is met artikel 38.3 van de planregels. De rechtbank heeft het standpunt van het college dat het project in strijd is met artikel 14.3.1 van de planregels buiten beschouwing gelaten vanwege strijd met een goede procesorde. Dat, zoals het college stelt, het project in strijd is met artikel 37.1 van de planregels, omdat de woning wordt gebouwd terwijl niet aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde als bedoeld in de Wet geluidhinder wordt voldaan, heeft het college naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd.

    De rechtbank heeft voorts beoordeeld of ten aanzien van de vastgestelde strijdigheden met het bestemmingsplan het college bevoegd is om daarvan af te wijken met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 2°, van de Wabo, gelezen in verbinding met artikel 4 van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. Nu dit naar het oordeel van de rechtbank niet het geval is en het college de omgevingsvergunning daarom alleen met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 3°, van de Wabo kan verlenen, heeft zij geoordeeld dat geen omgevingsvergunning van rechtswege is ontstaan. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat het in het bestemmingsplan opgenomen overgangsrecht [appellant] niet kan baten, omdat naar haar oordeel geen sprake is van een calamiteit.

Het hoger beroep van [appellant]

5.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de gevraagde omgevingsvergunning van rechtswege is verleend, omdat de aanvraag niet in strijd is met het bestemmingsplan. Hij voert daartoe aan dat voor zover de rechtbank heeft vastgesteld dat het project in strijd is met de artikelen 36.1 en 38.3 van de planregels, zij heeft miskend dat die bepalingen, evenals artikel 37 van de planregels, onverbindend zijn. Volgens [appellant] is het bestemmingsplan vanwege die bepalingen in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Hij stelt daartoe dat deze bepalingen onverenigbaar zijn met de op het perceel rustende bestemming "Woondoeleinden" omdat zij die bestemming ter plaatse niet realiseerbaar maken.

5.1.    De artikelen 3.9 en 3.10 van de Wabo zijn procedurele bepalingen, waarin is geregeld welke procedure op de voorbereiding van een besluit tot het verlenen van een omgevingsvergunning van toepassing is. Gelezen in hun onderlinge samenhang, alsmede in verbinding met artikel 3:10 en paragraaf 4.1.3.3. van de Awb, bepalen deze artikelen mede in welke gevallen een omgevingsvergunning van rechtswege tot stand komt. Een vergunning van rechtswege ontstaat niet, indien de aanvraag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo, voor zover strijd is met een bestemmingsplan of een beheersverordening en slechts vergunning kan worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onderdeel 3° van de Wabo. In dat geval verklaart artikel 3.10, eerste lid, van de Wabo, afdeling 3.4 van de Awb van toepassing, hetgeen ingevolge artikel 3:10, vierde lid, van de Awb tot gevolg heeft dat paragraaf 4.1.3.3 van de Awb niet van toepassing is en derhalve geen vergunning van rechtswege ontstaat.

    Daargelaten of de door [appellant] gestelde onverbindendheid van de desbetreffende planregels kan worden betrokken bij de beoordeling van de vraag of van rechtswege een omgevingsvergunning is ontstaan ingevolge het hiervoor besproken wettelijk stelsel, overweegt de Afdeling dat, zoals hierna in rechtsoverweging 10.1 van deze uitspraak zal blijken, de bedoelde planregels niet onverbindend zijn en dat het bouwplan dus in strijd is met het bestemmingsplan.

    Het aangevoerde vormt reeds daarom geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat geen vergunning van rechtswege is ontstaan.

    Het betoog faalt.

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, met verbetering van de gronden waarop deze rust.

7.    Nu het hoger beroep van [appellant] ongegrond is en de aangevallen uitspraak met verbetering van de gronden in stand blijft, komt het incidenteel hoger beroep van het college dat voorwaardelijk is ingesteld, te vervallen.

Het besluit van 20 juli 2017

8.    Bij het besluit van 20 juli 2017 heeft het college alsnog geweigerd de gevraagde omgevingsvergunning voor de te realiseren woning te verlenen. Het heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat het project in strijd is met de artikelen 14.3.1, 36.1.1, 37.1 en 38.3 van de planregels, alsmede dat de gemeenteraad bij besluit van 16 mei 2017 heeft geweigerd de voor het project benodigde verklaring van geen bedenkingen te verlenen.

    Gelet op het bepaalde in artikel 6:20, derde lid, van de Awb is het besluit van 20 juli 2017 mede onderwerp van dit geding.

9.    Het betoog van [appellant] dat het college niet bevoegd was om alsnog op de aanvraag te beslissen omdat de vergunning reeds van rechtswege is verleend, faalt. Daartoe wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder 5.1 is overwogen.

10.    [appellant] betoogt dat het college in het besluit heeft miskend dat de artikelen 36.1.1, 37.1 en 38.3 van de planregels onverbindend zijn. Volgens [appellant] is het bestemmingsplan vanwege die bepalingen in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Hij stelt daartoe dat deze bepalingen onverenigbaar zijn met de op het perceel rustende bestemming "Woondoeleinden" omdat zij die bestemming ter plaatse niet realiseerbaar maken.

    Ook indien dit betoog niet wordt gevolgd, stelt het college zich volgens [appellant] ten onrechte op het standpunt dat het project in strijd is met de artikelen 36.1.1, 37.1 en 38.3 van de planregels. Hij voert daartoe aan dat hij geen nieuwe woning bouwt, maar slechts een bestaande woning vervangt. Dit laatste maakt volgens [appellant] dat de aangegeven bepalingen niet aan realisering van zijn bouwplan in de weg staan.

10.1.    Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat het bestemmingsplan vanwege de daarin opgenomen artikelen 36.1.1, 37.1 en 38.3 van de planregels in strijd is met artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening zoals dat ten tijde van de totstandkoming van het bestemmingsplan van toepassing was. Deze planregels kunnen gelding hebben naast artikel 14 van de planregels, dat specifiek betrekking heeft op de woonbestemming. Het college stelt zich terecht op het standpunt dat deze bepalingen zijn bedoeld om nieuwbouw van woningen en andere geluidsgevoelige objecten op het perceel tegen te gaan. De betreffende planregels zijn niet onverbindend.

    Nu zoals hiervoor reeds vermeld niet ter discussie staat dat de nieuw te bouwen woning op een afstand van minder dan 100 meter van de dichtstbijzijnde rijbaan van de rijksweg A2 is voorzien, bestaat in elk geval strijd met artikel 36.1.1 van de planregels. Het bouwplan is ook in strijd met artikel 38.3. Het betoog dat deze bepalingen niet van toepassing zijn, omdat geen nieuwe woning wordt gebouwd, maar slechts een bestaande woning wordt vervangen, wordt niet gevolgd. De Afdeling ziet geen aanknopingspunt voor het oordeel dat van nieuwe woningen als bedoeld in artikel 38.3, nieuwe woningen ter vervanging van bestaande moeten worden uitgezonderd.

    Uit het voorgaande volgt dat het project in ieder geval in strijd is met de artikelen 36.1.1 en 38.3 van de planregels. Dat, zoals [appellant] betoogt, het college zich in het besluit evenzeer ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat strijd bestaat met de artikelen 37.1 en 14.3.1, kan buiten bespreking blijven.

    Het betoog faalt.

11.    Het beroep van [appellant] op het overgangsrecht in artikel 41.1.1, aanhef en onderdeel 3, van de planregels, baat hem evenmin. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 10 november 2010; ECLI:NL:RVS:2010:BO3504), moet onder een calamiteit worden verstaan een verwoesting door een onvermijdelijk, eenmalig, buiten de schuld van de betrokkene veroorzaakt onheil. Zoals de Afdeling eveneens eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 4 november 2015; ECLI:NL:RVS:2015:3348), is het aan degene die een beroep op het overgangsrecht van een bestemmingsplan doet, om de feiten en omstandigheden aannemelijk te maken op grond waarvan dat beroep slaagt.

    [appellant] heeft naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat zijn voormalige woonwagen in 2016 als rechtstreeks gevolg van een storm is verwoest. Daarvan zijn geen objectieve bewijsstukken, zoals bijvoorbeeld foto’s daterend uit die periode, in het geding gebracht. Daarentegen wordt in een zich onder de gedingstukken bevindend constateringsrapport van 22 mei 2017 van een toezichthouder van het college vermeld dat de situatie op het perceel onveranderd is ten opzichte van hoe deze in augustus 2016 werd aangetroffen. Volgens het constateringsrapport woont [appellant] op 22 mei 2017 nog altijd in de oude, ten behoeve van de nieuwbouw verplaatste woonwagen. Verwoesting van de voormalige woonwagen als gevolg van een calamiteit is derhalve niet aannemelijk gemaakt. De stellingen ter zitting van [appellant] dat de toezichthouder dit per vergissing heeft vermeld, alsmede dat de gehele rechterzijkant van de woonwagen als gevolg van het noodweer is verdwenen en hij daarvoor in de plaats platen heeft gemonteerd waarmee deze zijkant weer is dichtgezet, leiden niet tot een ander oordeel.

12.    Nu het project in strijd is met het bestemmingsplan, heeft het college met toepassing van artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo, de aanvraag terecht mede aangemerkt als een aanvraag om omgevingsvergunning voor met het bestemmingsplan strijdig gebruik. Dat [appellant], zoals hij stelt, daartoe geen aanvraag heeft ingediend, is daarbij niet van belang.

    Omdat afwijking van het bestemmingsplan slechts kan worden toegestaan met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 3°, van de Wabo, heeft het college zich eveneens terecht op het standpunt gesteld dat een verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad ten behoeve van het project is vereist. Deze heeft de raad bij besluit van 16 mei 2017 geweigerd. De raad heeft aan deze weigering ten grondslag gelegd dat het project niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, onder meer vanwege de ligging ervan in de geluidzone van Eindhoven Airport. Verder heeft de raad in aanmerking genomen dat het project is gelegen in het gebied waar in de toekomst technologieregio Brainport Eindhoven wordt ontwikkeld, aan welk gebied geen woonbestemming is toebedacht. Voorts heeft de raad nog van belang geacht dat nieuwbouw van burgerwoningen in het buitengebied niet is toegestaan op grond van de Provinciale Verordening Ruimte 2014.

    [appellant] heeft tegen de weigering van de verklaring van geen bedenkingen geen beroepsgronden aangevoerd en deze als zodanig niet bestreden.

    Reeds omdat de benodigde verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad voor het project ontbreekt, heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning terecht geweigerd.

13.    Het beroep tegen het besluit van 20 juli 2017 is ongegrond.

14.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven van 20 juli 2017, kenmerk V16/26963, ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. H. Bolt, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.L. Bolleboom, griffier.

w.g. Slump    w.g. Bolleboom

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2018

641. BIJLAGE

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c:

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet.

Artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c:

Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:

c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12.

Artikel 2.10, tweede lid:

In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

Artikel 2.12, eerste lid:

Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,

2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

Artikel 2.27, eerste lid:

In bij wet of algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën gevallen wordt een omgevingsvergunning niet verleend dan nadat een daarbij aangewezen bestuursorgaan heeft verklaard dat het daartegen geen bedenkingen heeft. Bij een maatregel als bedoeld in de eerste volzin worden slechts categorieën gevallen aangewezen waarin voor het verrichten van de betrokken activiteit een afzonderlijke toestemming van het aangewezen bestuursorgaan wenselijk is gezien de bijzondere deskundigheid die dat orgaan ten aanzien van die activiteit bezit of de verantwoordelijkheid die dat orgaan draagt voor het beleid dat betrekking heeft op de betrokken categorie activiteiten. Bij die maatregel kan worden bepaald dat het aangewezen bestuursorgaan categorieën gevallen kan aanwijzen waarin de verklaring niet is vereist.

Artikel 3.9, eerste lid:

Het bevoegd gezag beslist op de aanvraag om een omgevingsvergunning binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. Tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking:

a. doet het mededeling van die beschikking op de wijze waarop het overeenkomstig artikel 3.8 kennis heeft gegeven van de aanvraag, en

b. zendt het in bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën gevallen de daarbij aangewezen bestuursorganen een afschrift van die beschikking.

Artikel 3.9, derde lid:

Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is, met uitzondering van de artikelen 4:20b, derde lid, en 4:20f, van toepassing op de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen categorieën gevallen worden aangewezen waarin de voorbereiding van de beslissing op een aanvraag wegens strijd met een voor Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie is uitgezonderd van de toepassing van de eerste volzin.

Artikel 3.10, eerste lid:

Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning, indien de aanvraag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op:

a. een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, voor zover er strijd is met het bestemmingsplan of een beheersverordening en slechts vergunning kan worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°;

b. een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder d;

c. een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e;

d. een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f, voor zover voor die activiteit krachtens artikel 2.26, derde lid, een adviseur is aangewezen;

e. een geval waarin een verklaring vereist is, als bedoeld in artikel 2.27;

f. een geval dat behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie met mogelijk belangrijke gevolgen voor de fysieke leefomgeving of de belangen van derden;

g. een activiteit als bedoeld in artikel 2.19, voor zover dat in het betrokken wettelijk voorschrift is aangegeven.

Besluit omgevingsrecht

Artikel 6.5, eerste lid:

Voor zover een aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet, wordt de omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de wet wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, niet verleend dan nadat de gemeenteraad van de gemeente waar het project geheel of in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft, tenzij artikel 3.2, aanhef en onder b, van dit besluit of artikel 3.36 van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing is.

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 3:10, eerste lid:

Deze afdeling (afdeling 3.4. van de Awb, uniforme openbare voorbereidingsprocedure) is van toepassing op de voorbereiding van besluiten indien dat bij wettelijk voorschrift of bij besluit van het bestuursorgaan is bepaald.

Artikel 3:10, vierde lid:

Indien deze afdeling van toepassing is op de voorbereiding van een besluit is paragraaf 4.1.3.3. (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 4:20a, eerste lid:

Deze paragraaf is van toepassing indien dit bij wettelijk voorschrift is bepaald.

Artikel 4:20b, eerste lid:

Indien niet tijdig op de aanvraag tot het geven van een beschikking is beslist, is de gevraagde beschikking van rechtswege gegeven.

Artikel 6:20, eerste lid:

Indien het beroep zich richt tegen het niet tijdig nemen van een besluit, blijft het bestuursorgaan verplicht dit besluit te nemen, tenzij de belanghebbende daarbij als gevolg van de beslissing op het beroep geen belang meer heeft.

Artikel 6:20, tweede lid:

Het bestuursorgaan stelt een besluit als bedoeld in het eerste lid onverwijld ter beschikking aan het orgaan waarbij het beroep aanhangig is.

Artikel 6:20, derde lid:

Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit heeft mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt.

Planregels behorende bij het bestemmingsplan "Buitengebied"

Artikel 14.1:

De op de kaart voor "Woondoeleinden" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. woningen;

(…).

Artikel 14.3.1:

Uitsluitend mogen worden opgericht bouwwerken ten dienste van de bestemming zoals woningen met bijgebouwen en bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Per op de kaart aangeduid bestemmingsvlak is maximaal één woning met bijbehorende voorzieningen toegestaan. Indien op de kaart binnen een bestemmingsvlak de aanduiding "maximaal aantal woningen" is weergegeven, is binnen het betreffende bestemmingsvlak maximaal het aangegeven aantal woningen toegestaan.

Artikel 36.1.1:

Voor de bebouwing van de langs de hierna genoemde wegen gelegen gronden moeten in ieder geval de volgende afstanden in acht worden genomen, waarbinnen geen bebouwing wordt opgericht:

- stroomwegen: 100 m uit de as van de dichtstbij gelegen rijbaan;

- gebiedsontsluitingswegen: 30 m uit de as van dichtstbij gelegen rijbaan;

- erftoegangswegen: 20 m uit de as van de rijbaan;

- onverharde/half verharde wegen: 10 m uit de as van de rijbaan.

Artikel 36.1.4:

Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen van het bepaalde in 36.1.1. , mits hiermee toekomstige knelpunten in de infrastructuur niet worden belemmerd, de ruimtelijke kwaliteit wordt verbeterd en geen conflict optreedt vanuit milieuoptiek (geluid, externe veiligheid en lokale luchtkwaliteit). Dienaangaande dienen burgemeester en wethouders advies te vragen aan de beheerder van de weg.

Artikel 37.1:

Geluidsgevoelige objecten als bedoeld in het Besluit Grenswaarden Binnen Zones Langs Wegen mogen - onverminderd het bepaalde in de bebouwingsvoorschriften per bestemming - slechts worden opgericht indien en voor zover wordt voldaan aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde als bedoeld in de Wet geluidhinder.

Artikel 38.3:

In afwijking van het overigens in dit plan bepaalde is het niet toegestaan nieuwe woningen en andere geluidsgevoelige objecten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit geluidsbelasting grote luchtvaart te bouwen tussen de geluidsbron en de bijbehorende op de kaart aangegeven 35 Ke-lijn, met dien verstande dat tussen de 35 en 45 Ke-lijn nieuwe bedrijfswoningen wel zijn toegestaan.

Artikel 41.1.1:

Bouwwerken die bestaan op het tijdstip van het ter inzage leggen van het ontwerp van dit plan dan wel mogen worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde bouwvergunning ingevolge de Woningwet, en die afwijken van het plan, mogen, behoudens onteigening overeenkomstig de wet en mits de planafwijking naar de aard niet wordt vergroot en overigens geen andere afwijking van het plan ontstaat:

1. gedeeltelijk worden vernieuwd en veranderd;

2. uitgebreid worden met ten hoogste 10% van de oppervlakte, die bestond op het moment, dat het plan ter visie werd gelegd;

3. na calamiteit worden herbouwd, mits de bouwaanvraag binnen 2 jaar na de calamiteit is ingediend.