Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:3377

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-10-2018
Datum publicatie
17-10-2018
Zaaknummer
201800925/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2017:6442, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 april 2017 heeft het CBR het rijbewijs van [appellant] ongeldig verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201800925/1/A2.

Datum uitspraak: 17 oktober 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Lelystad,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 18 december 2017 in zaak nr. 17/3520 in het geding tussen:

[appellant]

en

de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR).

Procesverloop

Bij besluit van 26 april 2017 heeft het CBR het rijbewijs van [appellant] ongeldig verklaard.

Bij besluit van 14 juli 2017 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 december 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.

Overwegingen

    Inleiding

1.    Op 12 augustus 2016 is [appellant] staande gehouden door de politie vanwege onveilig gedrag in het verkeer. De politie heeft het CBR hierover geïnformeerd en medegedeeld dat een vermoeden bestaat dat [appellant] niet langer over de rijvaardigheid beschikt voor het besturen van een auto. Hierop heeft het CBR een onderzoek naar zijn rijvaardigheid opgelegd. Dit onderzoek is twee keer uitgesteld op verzoek van [appellant]. Nadat hij voor de derde keer om uitstel van het onderzoek verzocht, heeft het CBR bij het besluit van 26 april 2017, gehandhaafd bij het besluit van 14 juli 2017, zijn rijbewijs ongeldig verklaard. Hieraan heeft het CBR ten grondslag gelegd dat er geen geldige reden van verhindering was. [appellant] heeft daarom, mede gezien de eerdere afmeldingen, niet de vereiste medewerking aan het onderzoek verleend.

Aangevallen uitspraak

2.    De rechtbank heeft vastgesteld dat niet in geschil is dat de mededeling van [appellant], dat hij niet aanwezig kon zijn bij het derde onderzoek, op tijd is ingediend bij het CBR. De rechtbank overweegt verder dat [appellant] zijn telefonisch opgegeven redenen van verhindering, namelijk ziekte, ziekenhuis- en huisartsbezoek, niet heeft onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het CBR daarom in redelijkheid kunnen concluderen dat geen sprake is van een geldige reden van verhindering. Daarom hoeft het CBR geen nieuw onderzoek aan te bieden en heeft het, vanwege het niet meewerken aan het onderzoek, het rijbewijs van [appellant] ongeldig kunnen verklaren.

Wettelijk kader

3.    De hierna volgende bepalingen zijn voor deze zaak relevant.

    Artikel 132 van de Wegenverkeerswet 1994:

"1. Behoudens de bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde uitzonderingen is diegene verplicht zijn medewerking te verlenen aan de opgelegde maatregel, die zich: […]

c. ingevolge artikel 131, eerste lid, aanhef en onderdeel c, dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid.

2. Bij gebreke van de in het eerste lid bedoelde medewerking besluit het CBR onverwijld tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de houder. Het CBR bepaalt daarbij op welke categorie of categorieën van motorrijtuigen waarvoor het rijbewijs is afgegeven, de ongeldigverklaring betrekking heeft. Bij ministeriële regeling wordt vastgesteld in welke gevallen sprake is van het niet verlenen van medewerking. […]"

    Artikel 24 van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011:

"Betrokkene verleent onder meer niet de vereiste medewerking aan het onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid indien hij: […]

b. niet of niet binnen de door het CBR gestelde termijn meewerkt aan het opgelegde onderzoek of de opgelegde onderzoeken zonder dat daarvoor naar het oordeel van het CBR een geldige reden van verhindering is opgegeven."

    Artikel 133, tweede lid, van het Reglement rijbewijzen:

"2. Indien betrokkene niet op de voor het onderzoek vastgestelde tijd en plaats aanwezig is, worden zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van het afwezigheidsbericht tijd en plaats van het onderzoek door het CBR opnieuw vastgesteld tenzij naar het oordeel van het CBR geen sprake is van een geldige reden van verhindering."

Hoger beroep

4.    In geschil is slechts de uitspraak van de rechtbank over de ongeldigverklaring van het rijbewijs. De Afdeling zal dus niet ingaan op wat [appellant] aanvoert over de rechtmatigheid van de aanhouding door de politie en het besluit van het CBR om een onderzoek naar de rijvaardigheid op te leggen. Vaststaat dat [appellant] zich diende te onderwerpen aan een onderzoek naar de rijvaardigheid.

5.    [appellant] betoogt dat de huisartsverklaring die hij naar het CBR heeft gestuurd, wel volstaat ter onderbouwing van zijn reden van verhindering bij het onderzoek op 4 april 2017. Hij stelt het recht te hebben om uitstel te krijgen van het onderzoek vanwege zijn ziekte. Het CBR had zijn rijbewijs niet ongeldig mogen verklaren. Tevens vraagt hij een vergoeding van de kosten die hij genoodzaakt is te maken, omdat hij niet meer over een geldig rijbewijs beschikt.

5.1.    Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, was [appellant] verplicht medewerking te verlenen aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid en moest het CBR zijn rijbewijs ongeldig verklaren als hij die medewerking niet zou verlenen. [appellant] heeft zich afgemeld voor het onderzoek. Hij is daarop meermaals in de gelegenheid gesteld zijn reden van verhindering te verklaren en onderbouwen. Uit de verklaringen van [appellant] blijkt niet dat hij bij zijn huisarts, dan wel het ziekenhuis is geweest op de dag van het onderzoek. Ook is niet gebleken dat hij niet in staat was op het onderzoek te verschijnen en dat hij een lesauto voor het onderzoek had geregeld. Gelet hierop heeft het CBR in redelijkheid kunnen oordelen dat er geen geldige reden van verhindering was en dat daarom niet de verplichte medewerking is verleend. De brief van de huisarts geeft, anders dan [appellant] stelt, geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van die conclusie. De rechtbank heeft daarom terecht geconcludeerd dat het CBR terecht het rijbewijs van [appellant] ongeldig heeft verklaard.

    Het betoog faalt.

Conclusie

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Nu het besluit op bezwaar van 14 juli 2017 rechtmatig is, dient het verzoek om schadevergoeding te worden afgewezen.

7.    Voor proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, griffier.

w.g. Borman    w.g. Lodder

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2018

17-882.