Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:336

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-01-2018
Datum publicatie
31-01-2018
Zaaknummer
201608716/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 maart 2015 heeft het college aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor het wijzigen van de gevel, het  vervangen van het dak en het plaatsen van twee dakkapellen met betrekking tot het bouwwerk op het perceel [locatie 1] te Arnhem (hierna onderscheidenlijk: het bouwplan en het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2018/583
Omgevingsvergunning in de praktijk 2018/7798
JBO 2018/49 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
JOM 2018/115
OGR-Updates.nl 2018-0025
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201608716/1/A1.

Datum uitspraak: 31 januari 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Arnhem,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 11 oktober 2016 in zaak nr. 15/6720 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Arnhem.

Procesverloop

Bij besluit van 11 maart 2015 heeft het college aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor het wijzigen van de gevel, het  vervangen van het dak en het plaatsen van twee dakkapellen met betrekking tot het bouwwerk op het perceel [locatie 1] te Arnhem (hierna onderscheidenlijk: het bouwplan en het perceel).

Bij besluit van 2 oktober 2015 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 11 maart 2015 onder aanvulling van de motivering daarvan gehandhaafd.

Bij uitspraak van 11 oktober 2016 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 oktober 2017, waar [appellante], bijgestaan door mr. J.J. Molenaar, advocaat te Arnhem, en het college, vertegenwoordigd door mr. S.A. Joosten, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het bouwwerk, een koetshuis, dateert van omstreeks 1900. [appellante], de voormalige eigenaar, woont aan de [locatie 2] te Arnhem op een afstand van ongeveer 25 m van het koetshuis. Door het aanbrengen van nieuwe dakbedekking, isolatie en een daklijst zullen de bouwhoogte en de inhoud van het koetshuis onderscheidenlijk met 0,10 m en 2 m³ toenemen. Omdat deze toename van de bouwhoogte en inhoud in strijd zijn met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Spijkerkwartier-Boulevardkwartier-Spoorhoek" (hierna: het bestemmingsplan) heeft het college behalve voor de activiteit bouwen met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) voor de activiteit afwijken van het bestemmingsplan omgevingsvergunning verleend.

Het hoger beroep

2.    [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte voor het bouwplan een omgevingsvergunning heeft verleend. Daartoe voert hij aan dat het bouwplan in strijd is met artikel 2.5.15, eerste lid, van de Bouwverordening Gemeente Arnhem 2003 (hierna: de Bouwverordening), omdat er bij het koetshuis geen erf aanwezig is dat voldoet aan de vereisten in deze bepaling. Volgens [appellante] heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat, gelet op artikel 9, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat laatstelijk luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Reparatiewet BZK 2014 (Stb. 2014, 458), artikel 2.5.15 van de Bouwverordening buiten toepassing blijft. Daartoe voert hij aan dat in deze zaak geen sprake is van een situatie waarin artikel 9 van de Woningwet van toepassing is gebleven. De rechtbank heeft, door de toepasselijkheid van artikel 9 van de Woningwet te baseren op artikel 133, eerste lid, van de Woningwet, miskend dat uit het derde en vierde lid van artikel 133 van de Woningwet, in onderlinge samenhang bezien, volgt dat artikel 9 van de Woningwet niet van toepassing is op een aanvraag, ingediend na het tijdstip van inwerkingtreding van de Reparatiewet BZK 2014. Die situatie doet zich hier voor, nu de aanvraag is ingediend op 17 december 2014, aldus [appellante].

    Mocht artikel 9 van de Woningwet wel van toepassing zijn, dan heeft de rechtbank volgens [appellante] miskend dat artikel 2.5.15 van de Bouwverordening op grond van het tweede lid van artikel 9 van de Woningwet van toepassing blijft. Daartoe voert hij aan dat de bouwregels van het bestemmingsplan niet hetzelfde onderwerp regelen als artikel 2.5.15 van de Bouwverordening. Ook indien de bouwregels van het bestemmingsplan wel hetzelfde onderwerp zouden regelen, blijft artikel 2.5.15 van de Bouwverordening van toepassing, nu dat in het bestemmingsplan is bepaald, aldus [appellante].

    Volgens [appellante] heeft de rechtbank evenzeer miskend dat het bouwplan in strijd is met artikel 2.5.17, eerste lid, van de Bouwverordening, omdat de ruimte tussen het koetshuis en de op het aangrenzende erf aanwezige bebouwing niet voldoet aan de vereisten in deze bepaling.

2.1.    Op 29 november 2014 is de Reparatiewet BZK 2014 (Stb. 2014, 458) in werking getreden. Bij deze wet is onder meer de Woningwet gewijzigd. Ingevolge artikel XXIII, onder D, van de Reparatiewet is artikel 9 van de Woningwet komen te vervallen.

    Artikel 133, eerste lid, van de Woningwet, zoals dit is toegevoegd ingevolge artikel XXIII, onder H, van de Reparatiewet BZK 2014 luidt: "Voor gebieden waar op het tijdstip van inwerkingtreding van de Reparatiewet BZK 2014 een bestemmingsplan als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening van toepassing is, blijven de artikelen 1, eerste lid, onderdeel g, 7b, eerste lid, 8, vijfde en zevende lid, 9, 10 en 12, derde lid, zoals die laatstelijk luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Reparatiewet BZK 2014, van toepassing tot het tijdstip van wijziging van het bestemmingsplan voor het gebied, doch uiterlijk tot 1 juli 2018."

    Het derde lid luidt: "Op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo, ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Reparatiewet BZK 2014, alsmede op enig bezwaar of beroep, ingesteld tegen een besluit over een dergelijke aanvraag, blijven de artikelen 1, eerste lid, onderdeel g, 7b, eerste lid, 8, vijfde en zevende lid, 9, 10 en 12, derde lid, zoals deze luidden op het tijdstip waarop de aanvraag werd ingediend, van toepassing."

    Het vierde lid luidt: "Op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo, ingediend op of na het tijdstip van inwerkingtreding van de Reparatiewet BZK 2014 tot 1 juli 2018, waarbij het bouwen plaatsvindt in een gebied waar op het tijdstip van indienen van de aanvraag geen bestemmingsplan als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening van toepassing is, alsmede op enig bezwaar of beroep, ingesteld tegen een besluit over een dergelijke aanvraag, blijven de artikelen 1, eerste lid, onderdeel g, 7b, eerste lid, 8, vijfde en zevende lid, 10 en 12, derde lid, zoals deze laatstelijk luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Reparatiewet BZK 2014 van toepassing."

    Artikel 9, eerste lid, van de Woningwet, luidde laatstelijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Reparatiewet BZK 2014: "Voor zover de voorschriften van de bouwverordening niet overeenstemmen met de voorschriften van het desbetreffende bestemmingsplan blijven eerstbedoelde voorschriften buiten toepassing."

    Het tweede lid luidde: "De voorschriften van de bouwverordening blijven van toepassing indien het desbetreffende bestemmingsplan geen voorschriften bevat, die hetzelfde onderwerp regelen, tenzij het desbetreffende bestemmingsplan anders bepaalt."

    Artikel 2.5.15, eerste lid, van de Bouwverordening luidt: "Bij een woning of woongebouw moet een erf aanwezig zijn dat ten minste een strook grond omvat die:

a. over de volle breedte van het gebouw aansluit aan de achtergevel, en

b. voor wat betreft het achter het gebouw gelegen deel dat is begrepen tussen het verlengde van de zijgevels, een diepte heeft van ten minste 5 meter."

    Artikel 2.5.17, eerste lid, luidt: "De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten opzichte van de zijdelingse grens van het erf zodanig zijn gelegen dat tussen dat bouwwerk en de op het aangrenzende erf aanwezige bebouwing geen tussenruimten ontstaan die:

a. vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 m daarboven minder dan 1 meter breed zijn;

b niet toegankelijk zijn.

[…]."

2.2.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat, gelet op artikel 133, eerste lid, van de Woningwet, artikel 9 van de Woningwet, zoals dat laatstelijk luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Reparatiewet BZK 2014, in deze zaak van toepassing is, aangezien op het tijdstip van inwerkingtreding van laatstgenoemde wet voor het perceel een bestemmingsplan als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) van toepassing was, dat nadien niet is gewijzigd. De verwijzing door [appellante] naar artikel 133, derde lid, van de Woningwet vormt geen grond voor een ander oordeel. Uit het daarin bepaalde, dat op een aanvraag ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Reparatiewet BZK 2014 artikel 9 van de Woningwet van toepassing is, volgt niet a contrario en in afwijking van het eerste lid van artikel 133 van de Woningwet dat op de aanvraag, nu die is ingediend na dat tijdstip, artikel 9 van de Woningwet niet van toepassing is. Ook niet in samenhang bezien met het vierde lid van artikel 133 van de Woningwet, nu die bepaling ziet op de situatie dat op het tijdstip van de aanvraag geen bestemmingsplan als bedoeld in de Wro van toepassing is, en die situatie zich hier niet voordoet.

2.3.    Beantwoording van de vraag of, zoals [appellante] stelt, de artikelen 2.5.15 en 2.5.17 van de Bouwverordening op grond van artikel 9, tweede lid, van de Woningwet van toepassing zijn gebleven, kan in het midden blijven, nu het bouwplan niet in strijd is met deze artikelen van de Bouwverordening. Realisering van het bouwplan leidt immers alleen tot een toename van de bouwhoogte en het bouwvolume als gevolg van het aanbrengen van nieuwe dakbedekking, isolatie en een daklijst, alsmede twee dakkapellen, en heeft geen gevolgen voor de afmetingen van het erf en de ruimte tussen het koetshuis en de op het aangrenzende erf aanwezige bebouwing vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 m daarboven. Dat, als gesteld door [appellante] ter zitting, het bouwplan ertoe strekt om het koetshuis geschikt te maken voor bewoning, doet, wat daarvan zij, hieraan niet af. Het gebruik van het koetshuis voor woondoeleinden is reeds op grond van het bestemminsplan toegestaan en wordt dus niet met de verleende omgevingsvergunning mogelijk gemaakt. De rechtbank heeft derhalve terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college de gevraagde  omgevingsvergunning had moeten weigeren wegens strijd met de Bouwverordening.

    Het betoog faalt.    

3.    [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college niet in redelijkheid voor het bouwplan omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen. Daartoe voert hij aan dat de verbouwing van het koetshuis gezondheidsrisico’s meebrengt vanwege het aanwezige asbest. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat de gezondheidsrisico’s van asbest geen bij het besluit betrokken belang vormen. Bij de te verrichten belangenafweging ter zake van het bouwen in afwijking van het bestemmingsplan kunnen deze gezondheidsrisico’s worden meegewogen, aldus [appellante].

3.1.    Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de bestrijding van de gezondheidsrisico’s van asbest niet een belang is dat bij de beoordeling van het onderhavige besluit een rol speelt. In de bestrijding daarvan wordt voorzien in specifieke wettelijke regelingen. Verlening van de omgevingsvergunning laat onverlet dat aan die regelingen moet worden voldaan. De toepassing van de Wabo is dan ook niet bij uitstek het kader waarin het belang van de bestrijding van de gezondheidsrisico’s van asbest tot gelding dient te worden gebracht. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat dit niet een belang is dat het college bij de verlening van de omgevingsvergunning had dienen te betrekken. Dat, als door [appellante], gesteld, in strijd met artikel 1.26 van het Bouwbesluit 2012 geen sloopmelding is gedaan en de uitgevoerde asbestinventarisatie te beperkt is geweest, leidt niet tot een ander oordeel. Die omstandigheden laten, wat daarvan zij, onverlet dat het belang van de bestrijding van de gezondheidsrisico’s van asbest niet een belang is dat in het kader van de onderhavige omgevingsvergunning moet worden meegewogen. De rechtbank heeft derhalve terecht in de door [appellante] gestelde aanwezigheid van asbest in het Koetshuis geen grond gevonden voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid de gevraagde omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen.

    Het betoog faalt.

4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen

lid van de enkelvoudige kamer    

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2018

531-757.