Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:3339

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-10-2018
Datum publicatie
17-10-2018
Zaaknummer
201800707/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2017:4897, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 februari 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot huurtoeslag over 2014 voor [appellant] herzien en vastgesteld op nihil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201800707/1/A2.

Datum uitspraak: 17 oktober 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 15 december 2017 in zaak nr. 17/1153 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 21 februari 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot huurtoeslag over 2014 voor [appellant] herzien en vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 18 oktober 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 december 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 18 oktober 2016 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 augustus 2018, waar [appellant] en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] ontving in de periode van januari tot en met mei 2014 voorschotten huurtoeslag. Met de in geding zijnde besluiten heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot huurtoeslag voor [appellant] herzien en vastgesteld op nihil, omdat [appellant] niet heeft aangetoond dat hij de gestelde huurkosten heeft voldaan. [appellant] kan zich niet vinden in dat standpunt en stelt dat hij voldoende bewijs van huurbetalingen heeft geleverd.

Aangevallen uitspraak

2.    De rechtbank heeft het besluit van 18 oktober 2016 vernietigd omdat de Belastingdienst/Toeslagen [appellant] niet heeft gehoord in bezwaar terwijl daartoe wel aanleiding bestond. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten, omdat de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] niet heeft aangetoond dat hij huurkosten heeft gemaakt. Het is aan hem als degene die aanspraak maakt op huurtoeslag, om een deugdelijke administratie van zijn betalingen aan de verhuurder bij te houden. Het uitsluitend hebben van een huurcontract is onvoldoende. Aan de door [appellant] overgelegde verklaring van de verhuurder kan verder niet de door [appellant] gewenste betekenis worden gehecht, omdat de verklaring niet kan worden geverifieerd aan de hand van objectieve gegevens, aldus de rechtbank.

    Omdat de rechtbank het in beroep bestreden besluit heeft vernietigd, heeft zij de Belastingdienst/Toeslagen veroordeeld in de kosten voor de behandeling van het beroep. De rechtbank heeft de kosten begroot op € 10,06, waarvan € 3,06 aan reiskosten en € 7,00 aan verletkosten. Bij het bepalen van de verletkosten heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat [appellant] verzocht om een vergoeding van € 141,75, maar dat verzoek niet heeft onderbouwd. Daarom is de rechtbank uitgegaan van één uur tegen het daarvoor geldende minimumtarief, neergelegd in artikel 1, aanhef en onder d, gelezen in samenhang met artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb). Verder heeft de rechtbank geen aanleiding gezien voor een vergoeding van kosten van rechtsbijstand omdat niet is gebleken van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. PNL Advies, voor welke gemachtigde [appellant] een vergoeding heeft gevraagd, kan niet als zodanig worden aangemerkt, aldus de rechtbank.

Hoger beroep

    Bewijs van gemaakte kosten

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij het bestaan en de hoogte van de gestelde huurkosten niet heeft aangetoond. Daartoe voert [appellant] aan dat hij de huurovereenkomst, een verklaring van de verhuurder en een uittreksel uit diens aangifte inkomstenbelasting heeft overgelegd. Volgens [appellant] is het al voldoende dat uit de huurovereenkomst een betalingsverplichting volgt. Desalniettemin volgt daarnaast uit de verklaring van de verhuurder dat hij aan die verplichting heeft voldaan. Deze verklaring wordt echter in strijd met het discriminatieverbod ter zijde geschoven. In andere gevallen wordt wel genoegen genomen met een verklaring, zoals bij de huur van een woning van een woningcorporatie en bij de inkomstenbelasting, in het licht van de hypotheekrenteaftrek, met de verklaring van een bank. In het uittreksel van de aangifte inkomstenbelasting van de verhuurder is verder vermeld dat zij € 8.364,00 aan huur heeft ontvangen. Nu uit deze stukken in voldoende mate volgt dat hij de gestelde huur heeft voldaan, kan volgens [appellant] niet worden verlangd dat hij bankafschriften overlegt waarop de betalingen zijn vermeld. Dat geldt te meer omdat hij de huur van verschillende rekeningen heeft voldaan en alle rekeningen heeft opgezegd, zodat het opvragen van bankafschriften te kostbaar is. Daarbij komt dat inmiddels procedures lopen over de huurtoeslag over andere jaren, zodat ook daarvoor kosten moeten worden gemaakt, aldus [appellant]. Bovendien moet in aanmerking worden genomen dat de Belastingdienst/Toeslagen hem niet van tevoren duidelijk heeft gemaakt welke bewijsstukken hij op een later moment moest overleggen, aldus [appellant].

    Voorts stelt [appellant] dat hij de toenmalige verhuurder bereid heeft gevonden de betaalde huur aan hem terug te storten, zodat hij deze opnieuw kon voldoen. Zo heeft hij in elk geval in 2018 de betalingen verricht, zodat de huurkosten aantoonbaar zijn voldaan.

3.1.    Artikel 1 van de Wet op de huurtoeslag (hierna: de Wht) luidt:

"In deze wet en de bepalingen die daarop berusten wordt verstaan onder:

[…]

e. huurtoeslag: een tegemoetkoming van het Rijk als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel h, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen in de kosten van het huren van een woning;

[…].".

    Artikel 18, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) luidt:

"Een belanghebbende, een partner en een medebewoner verstrekken de Belastingdienst/Toeslagen desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn."

3.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 22 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3195) volgt uit artikel 18, eerste lid, van de Awir, gelezen in samenhang met artikel 1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wht, dat degene die aanspraak op huurtoeslag maakt, moet kunnen aantonen dat hij huurkosten heeft gemaakt en wat de hoogte daarvan is. Deze bepalingen bieden geen grond voor het oordeel dat voldoende is dat een betalingsverplichting van de huurder aan de verhuurder bestaat. De kosten moeten daadwerkelijk zijn voldaan. Dit betekent dat het aan [appellant] is, als degene die aanspraak maakt op huurtoeslag, om een deugdelijke administratie van zijn betalingen aan de verhuurder bij te houden.

    Dat de Belastingdienst/Toeslagen niet vooraf heeft gewezen op de stukken die mogelijk zouden worden verlangd, doet aan het voorgaande niet af. De huurtoeslag is een tegemoetkoming in de kosten van de huur, zodat [appellant] ook zonder daar vooraf op te zijn gewezen had moeten begrijpen dat hij op een later moment desgevraagd stukken moest kunnen overleggen waaruit betaling van de huur volgt. Nu een huurder in de regel moet worden geacht op eenvoudige wijze aan deze stukken te kunnen komen, is het ook niet onevenredig om zulk bewijs te verlangen, ook niet als daarvoor enige kosten moeten worden gemaakt.

    Het is niet in strijd met het discriminatieverbod dat de Belastingdienst/Toeslagen in het geval van [appellant], anders dan bij huurders van een woningcorporatie, geen genoegen neemt met de enkele verklaring van de verhuurder. Ter zitting heeft de Belastingdienst/Toeslagen terecht gesteld dat huur van een woningcorporatie, die bij de dienst als betrouwbaar te boek staat, het vermoeden rechtvaardigt dat de huursom daadwerkelijk wordt geïnd. Gelet op het onmiskenbare zakelijke karakter van de verhouding tussen de betrokken partijen geldt hetzelfde voor de verklaring van een bank over de betaalde hypotheekrente.

3.3.    De door [appellant] overgelegde huurovereenkomst, verklaring van de verhuurder over de ontvangen betalingen en het uittreksel uit de aangifte inkomstenbelasting kunnen niet dienen als bewijs van de gestelde huurbetalingen. Uit deze stukken kan niet op objectieve wijze worden afgeleid dat - en wanneer - [appellant] de gestelde bedragen daadwerkelijk heeft betaald. Daarvoor zijn aanvullende stukken nodig, zoals bankafschriften, waaruit de daadwerkelijke betaling volgt. Dat [appellant] hier niet over beschikt en dat het, zoals hij stelt, kostbaar is om daar aan te komen, dient voor zijn rekening te blijven. Dat [appellant] in voorgaande jaren minder bewijsstukken hoefde over te leggen, laat verder onverlet dat de Belastingdienst/Toeslagen bevoegd is deze aanvullende stukken van [appellant] te verlangen.

3.4.    De door [appellant] in 2018 uitgevoerde betalingen van de huur kunnen hem niet baten. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 15 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:412) brengt het belang van controle op een juiste besteding van overheidsgelden mee dat degene die aanspraak op huurtoeslag maakt in beginsel de verschuldigde huurprijs ten tijde van of kort na het verstrijken van de periode waarop de betalingsverplichting betrekking heeft, moet voldoen. Nu het hoger beroep betrekking heeft op de huurtoeslag over 2014 dienen de betalingen die in 2018 hebben plaatsgevonden buiten beschouwing te blijven.

3.5.    Conclusie is dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] niet aantoonbaar de gestelde huurkosten heeft gehad en voldaan, zodat hij geen aanspraak heeft op huurtoeslag.

    Het betoog faalt.

    Verletkosten

4.    [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank zijn verletkosten ten onrechte heeft vastgesteld op € 7,00. Daartoe voert hij aan dat zowel het uurtarief als het tijdsbestek van één uur onjuist is. Op het daartoe bestemde formulier van de rechtbank heeft hij vermeld dat hij 1 uur en 45 minuten verlet heeft gehad tegen een uurtarief van € 81,00. Het tijdsbestek is gebaseerd op een reis met openbaar vervoer en een zittingsduur van 30 minuten. Het uurtarief van € 81,00 is verder ook in andere zaken van [appellant] bij de rechtbank Noord-Nederland gehanteerd. De verletkosten moeten dan ook worden vastgesteld op € 141,75, aldus [appellant].

4.1.    Vooropgesteld moet worden dat de bestuursrechter zelfstandig dient te onderzoeken of aanleiding bestaat tot vergoeding van de door een partij gestelde verletkosten. De rechtbank is daarbij niet gehouden aan het oordeel in andere procedures bij dezelfde rechtbank over de door [appellant] gestelde verletkosten.

4.2.    Uit het dossier van de rechtbank volgt dat [appellant] bij brief van 28 juli 2017 een formulier heeft ontvangen waarmee hij om vergoeding van de proceskosten kon verzoeken. Dit formulier heeft hij op 23 oktober 2017 ingevuld. Op het formulier is vermeld dat [appellant] € 141,75 aan kosten stelt voor 1:45 uur verlet. Hoewel op het formulier is vermeld dat bewijsstukken moeten worden overgelegd, heeft [appellant] dat in beroep niet gedaan. Ook blijkt uit het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting niet dat het verzoek daar is behandeld. Uit de aangevallen uitspraak volgt dat de rechtbank vanwege het ontbreken van de onderbouwing van de gestelde kosten het minimumtarief van € 7,00 heeft toegekend.

4.3.    Eerst in hoger beroep heeft [appellant] de gestelde verletkosten onderbouwd. Daarbij wijst [appellant] op de zittingsduur en de reistijd naar en van de rechtbank, en het door hem blijkens een factuur van zijn onderneming aan een cliënt in rekening gebrachte uurtarief. Daargelaten dat de nadere onderbouwing eerst in hoger beroep en derhalve te laat is gegeven, komt aan de overgelegde factuur geen betekenis toe. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 5 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:929, volgt uit een factuur niet dat daadwerkelijk verletkosten zijn gemaakt voor het bijwonen van de zitting. Ook staat op voorhand niet vast dat een gehanteerd uurtarief gelijk is aan verletkosten, nu gebruikelijk is dat de hoogte van een uurtarief wordt bepaald uit een samenstel van lasten, die niet alle onder verletkosten kunnen worden geschaard. Tot slot kan er ook niet aan worden voorbij gegaan dat [appellant] zowel in beroep als in hoger beroep heeft verzocht om vrijstelling van het betalen van griffierecht wegens betalingsonmacht. Gelet op de stukken die hij in dat kader heeft overgelegd, is het niet aannemelijk dat [appellant] daadwerkelijk de gestelde verletkosten heeft gehad. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank meer dan € 7,00 aan verletkosten had moeten toekennen.

    Het betoog faalt.

    Proceskosten

5.    [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte geen proceskostenveroordeling heeft uitgesproken. Daartoe voert [appellant] aan dat PNL Advies weliswaar een algemeen adviesbureau is, maar dat het bureau beroepsmatig juridisch advies verleent. Dat volgt ook uit stukken van diverse bezwaar- en beroepsprocedures waarin [persoon] van PNL Advies als gemachtigde optrad. Dat PNL Advies voor deze procedure hetzelfde postbusnummer heeft gebruikt als [appellant], is onvoldoende voor de conclusie dat PNL Advies geen derde is, aldus [appellant].

5.1.    Uit het dossier volgt dat [appellant] de rechtbank op 24 november 2016 te kennen heeft gegeven dat [persoon] zich als zijn gemachtigde heeft teruggetrokken. Uit het dossier volgt niet dat [persoon] vóór dat moment enige proceshandeling heeft verricht die op grond van artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpb gelezen in samenhang met de bijlage bij dat besluit, tot een proceskostenveroordeling kunnen leiden. [appellant] heeft ter zitting in hoger beroep desgevraagd ook niet duidelijk kunnen maken welke proceshandeling [persoon] heeft verricht. Reeds daarom heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien om de Belastingdienst/Toeslagen te veroordelen tot vergoeding in de kosten van verleende rechtsbijstand.

    Het betoog faalt.

    Herhaalde gronden

6.    Voor zover [appellant] in zijn hogerberoepschrift stelt dat de door hem in beroep aangedragen gronden moeten worden geacht te zijn herhaald en ingelast, overweegt de Afdeling dat de rechtbank die gronden heeft besproken en [appellant] niet heeft onderbouwd waarom het oordeel van de rechtbank daarover onjuist zou zijn.

Slotsom

7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Baart, griffier.

w.g. Slump    w.g. Baart

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2018

799.