Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:3334

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-10-2018
Datum publicatie
17-10-2018
Zaaknummer
201704615/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2017:2276, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 januari 2015 heeft het college geweigerd handhavend op te treden tegen het zonder omgevingsvergunning voor de activiteit milieu in werking zijn van een melkrundveehouderij aan de [locatie 1] te Overasselt (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2019/7 met annotatie van Wagenmakers, A.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201704615/1/A1.

Datum uitspraak: 17 oktober 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] en anderen, wonend te Overasselt, gemeente Heumen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 24 april 2017 in zaak nr. 15/6174 in het geding tussen:

[appellant] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Heumen.

Procesverloop

Bij besluit van 26 januari 2015 heeft het college geweigerd handhavend op te treden tegen het zonder omgevingsvergunning voor de activiteit milieu in werking zijn van een melkrundveehouderij aan de [locatie 1] te Overasselt (hierna: het perceel).

Bij besluit van 4 september 2015 heeft het college het door [appellant] en anderen daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 april 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] en anderen daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en anderen hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 juni 2018, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. I.M.I. van den Bergh en mr. M.C.G. Sturkenboom, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Op het perceel houdt [belanghebbende] melkrundvee ten behoeve van de Kaas- en Zuivelboerderij "De Diervoort". Op 18 november 2011 en 19 april 2012 heeft [belanghebbende] een melding op grond van het Besluit landbouw milieubeheer gedaan voor het oprichten van een melkrundveehouderij met 200 stuks melkrundvee en 140 stuks jongvee. Op 10 januari 2013 heeft hij een melding op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer gedaan voor het wijzigen van het stalsysteem. [appellant] en anderen stellen zich op het standpunt dat het doen van deze meldingen niet volstaat en dat [belanghebbende] de melkrundveehouderij niet in werking mag hebben zonder een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu, nu belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu niet zijn uit te sluiten. In dat kader bestond volgens hen bovendien aanleiding voor het opstellen van een milieueffectrapport. Omdat [belanghebbende] niet beschikt over deze omgevingsvergunning, hebben zij het college verzocht handhavend op te treden.

Omgevingsvergunningplicht

2.    [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de melkrundveehouderij van [belanghebbende] zodanig is gesitueerd ten opzichte van de melkrundveehouderij aan de [locatie 2], dat de milieugevolgen in samenhang met elkaar moeten worden bezien. Het in onderlinge samenhang bezien van milieugevolgen is volgens hen een van de uitgangspunten van Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bep[appellant]de openbare projecten en particuliere projecten (PB 2012 L 26; hierna: de m.e.r.-richtlijn), welk uitgangspunt ook ten grondslag ligt aan onder meer de artikelen 2.14 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) en artikel 8.40 van de Wet milieubeheer. Gezamenlijk vormen de beide melkrundveehouderijen een IPPC-installatie waar 350 stuks melkvee en 240 stuks jongvee kunnen worden gehouden. Gelet hierop is een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu vereist en had het college een beoordeling moeten maken van de nadelige gevolgen voor het milieu van de verschillende melkrundveehouderijen in de omgeving, in onderlinge samenhang bezien. Dit blijkt ook uit de reactie van de Europese Commissie op de klacht die [appellant] en anderen naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 29 oktober 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3841) hebben ingediend, aldus [appellant] en anderen.

2.1.    Artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo luidt:

    "Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

[…]

e. 1o. het oprichten,

    2o. het veranderen of veranderen van de werking of

    3o. het in werking hebben

van een inrichting of mijnbouwwerk

[…]

i. het verrichten van een andere activiteit die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving."

    Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer wordt onder inrichting verstaan: elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht.   

    Ingevolge het vierde lid worden als één inrichting beschouwd de tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties die onderling technische, organisatorische of functionele bindingen hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen.

2.2.    De hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 29 oktober 2014 had betrekking op de verlening van een omgevingsvergunning aan [belanghebbende] voor het oprichten van een nieuwe rundveestal, een landbouwloods en een mestopslagsilo op het perceel. Dit betrof een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. In deze procedure hebben [appellant] en anderen zich op het standpunt gesteld dat deze omgevingsvergunning in strijd met artikel 2.7 van de Wabo was verleend, omdat tevens een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu was vereist en niet kon worden volstaan met de eerder gedane meldingen. In dat kader voerden zij verder aan dat een mer-beoordelingsplicht bestond.

    De Afdeling heeft in deze uitspraak overwogen dat, gelet op artikel 2.1, tweede lid, gelezen in samenhang met onderdeel B, eerste lid, aanhef en onder c (lees: b) van bijlage I van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor), voor de inrichting geen omgevingsvergunning voor de activiteit milieu is vereist. Daarbij heeft de Afdeling overwogen dat een beslissing dat een milieueffectrapport moet worden gemaakt niet aan de orde is, omdat het houden van melkrundvee in artikel 2.2a, eerste lid, van het Bor niet is genoemd als activiteit waarvoor een vergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo is vereist. De Afdeling is er daarbij op basis van de door [belanghebbende] gedane meldingen van uitgegaan dat binnen de inrichting 200 stuks melkrundvee en 140 stuks jongvee worden gehouden.

2.3.    Uit deze uitspraak volgt reeds dat, uitgaande van dit aantal dieren, geen omgevingsvergunning voor de activiteit milieu als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo, of omgevingsvergunning beperkte milieutoets als bedoeld in onderdeel i van dat artikellid, is vereist. Niet in geschil is dat het aantal dieren dat door [belanghebbende] op het perceel wordt gehouden, in vergelijking met de situatie waarvan de Afdeling in haar uitspraak van 29 oktober 2014 is uitgegaan, niet is uitgebreid. Dit betekent dat uitsluitend aanleiding voor toewijzing van het verzoek om handhaving kan bestaan, indien moet worden aangenomen dat de melkrundveehouderij van [belanghebbende] feitelijk, in afwijking van de gedane meldingen waarvan de Afdeling in deze uitspraak is uitgegaan, onderdeel uitmaakt van een meeromvattende inrichting waarbinnen meer dieren worden gehouden dan zonder omgevingsvergunning voor de activiteit milieu is toegestaan.

2.4.    De melkrundveehouderij aan de [locatie 2] is ten opzichte van die van [belanghebbende] gelegen aan de andere kant van de weg, en wordt gedreven door een ander dan [belanghebbende]. Niet gebleken is dat tussen de beide melkrundveehouderijen enige technische, organisatorische of functionele bindingen als bedoeld in artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer bestaan, die maken dat de beide melkrundveehouderijen tezamen één inrichting vormen. De enkele omstandigheid dat de beide melkrundveehouderijen in elkaars nabijheid zijn gelegen waardoor sprake kan zijn van een cumulatie van milieugevolgen, zoals [appellant] en anderen in dit verband hebben aangevoerd, duidt niet op dergelijke bindingen. Geen aanleiding bestaat dan ook voor het oordeel dat de melkrundveehouderij van [belanghebbende] feitelijk deel uitmaakt van een meeromvattende inrichting waarbinnen meer dieren worden gehouden dan waarvan de Afdeling in haar uitspraak van 29 oktober 2014 is uitgegaan.

    Voor zover [appellant] en anderen aanvoeren dat door het als afzonderlijke inrichtingen aanmerken van de beide melkrundveehouderijen geen recht wordt gedaan aan het uitgangspunt in de m.e.r.-richtlijn, inhoudende dat milieubelastende activiteiten in samenhang met elkaar dienen te worden beoordeeld, kan dat, wat daar verder ook van zij, niet leiden tot het oordeel dat de beide melkrundveehouderijen in weerwil van het ontbreken van bindingen als één omgevingsvergunningplichtige inrichting moeten worden aangemerkt. Hetzelfde geldt voor de reactie van de Europese Commissie op de klacht van [appellant] en anderen, waarbij de klacht ongegrond is verklaard, wat er verder ook van die reactie zij.

2.5.    Gelet op het voorgaande bestaat geen grond voor het oordeel dat voor de melkrundveehouderij van [belanghebbende] een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e of i, van de Wabo is vereist. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat het college niet bevoegd is om handhavend op te treden jegens [belanghebbende], zodat het college het verzoek om handhavend optreden van [appellant] en anderen terecht heeft afgewezen.

    Het betoog faalt.

Slotsom

3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, griffier.

w.g. Bijloos    w.g. Soede

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2018

270-727.