Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:3307

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-10-2018
Datum publicatie
10-10-2018
Zaaknummer
201803003/1/V2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2018:10058, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 oktober 2016 heeft de staatssecretaris een verzoek van de vreemdeling om het besluit van 27 augustus 2003, voor zover daarbij is geweigerd om de vreemdeling ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, te herzien, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201803003/1/V2.

Datum uitspraak: 5 oktober 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 2 maart 2018 in zaak nr. 17/6241 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 26 oktober 2016 heeft de staatssecretaris een verzoek van de vreemdeling om het besluit van 27 augustus 2003, voor zover daarbij is geweigerd om de vreemdeling ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, te herzien, afgewezen.

Bij besluit van 6 maart 2017 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 maart 2018 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. G.E.M. Later, advocaat te Den Haag, hoger beroep ingesteld.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    De vreemdeling klaagt in zijn grieven terecht dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op zijn beroepsgrond over de in artikel 7:3 van de Awb geformuleerde hoorplicht. In beroep heeft de vreemdeling immers aangevoerd dat de staatssecretaris ten onrechte van het horen heeft afgezien, omdat hij een nationaliteitsverklaring en een verklaring van geboorte heeft overgelegd, waaruit zou blijken dat hij de Somalische nationaliteit heeft en dat hij daarom in de gelegenheid had moeten worden gesteld daar meer over te vertellen tijdens een gehoor.

1.1.    De klacht is terecht voorgedragen, maar leidt, gelet op het volgende, niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 6 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2434, mag van het horen slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb worden afgezien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit.

    Dat was in deze zaak het geval. De rechtbank heeft, anders dan de vreemdeling betoogt, terecht overwogen dat de door hem overgelegde documenten alleen betrekking hebben op zijn nationaliteit en dat deze verklaringen niet kunnen afdoen aan de conclusies van de taalanalyses van 12 juli 2002 en 30 december 2013 over zijn herkomst. In het besluit van 27 augustus 2003 heeft de staatssecretaris immers aan de vreemdeling de contra-indicatie 'verstrekken onjuiste gegevens' over zowel de nationaliteit als de herkomst tegengeworpen.

    De grieven falen.

2.    Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

3.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Bosma, griffier.

w.g. Steendijk    w.g. Bosma

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2018

572-869.