Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:3304

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-10-2018
Datum publicatie
10-10-2018
Zaaknummer
201705909/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2017:2421, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 juni 2015 heeft de korpschef van politie de aanvraag van [appellant] voor een vuurwapenverlof als bedoeld in artikel 28 van de Wet wapens en munitie (hierna: Wwm) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2018/430 met annotatie van A.C. Hendriks
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201705909/1/A3.

Datum uitspraak: 10 oktober 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats]

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 30 juni 2017 in zaak nr. 16/1525 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, thans: de minister van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 8 juni 2015 heeft de korpschef van politie de aanvraag van [appellant] voor een vuurwapenverlof als bedoeld in artikel 28 van de Wet wapens en munitie (hierna: Wwm) afgewezen.

Bij besluit van 22 februari 2016 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 juni 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris en de korpschef hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 augustus 2018, waar [appellant], bijgestaan door mr. R.T.M. Lagerweij, rechtsbijstandverlener te Apeldoorn, de minister, vertegenwoordigd door mr. R. Faasse, en de korpschef, vertegenwoordigd door mr. B. Benedick, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    De relevante bepalingen uit de Wwm en de relevante delen uit de Circulaire Wapens en Munitie 2016 (hierna: de circulaire) zijn opgenomen in de bijlage. Deze bijlage is bij de uitspraak gevoegd en maakt hiervan deel uit.

2.    [appellant] heeft een wapenverlof aangevraagd omdat hij met een eigen wapen de schietsport wil beoefenen bij de schietvereniging waarvan hij lid is. De korpschef heeft de aanvraag afgewezen omdat [appellant] het syndroom van Asperger heeft en uit een aantal politiemutaties blijkt dat hij zich onvoorspelbaar kan gedragen in onverwachte situaties.

De uitspraak van de rechtbank

3.    De rechtbank heeft overwogen dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de mutatierapporten niet aan het besluit van 22 februari 2016 ten grondslag mochten worden gelegd. Hij heeft weliswaar de daarin neergelegde omstandigheden en het gedrag van andere betrokkenen betwist, maar hij heeft zijn eigen gedragingen niet bestreden. Aan die rapporten mocht derhalve betekenis worden toegekend bij het beoordelen van de psychische gesteldheid van [appellant] en de vraag of vrees voor misbruik van het wapenverlof bestaat. De staatssecretaris heeft zich op basis van de mutatierapporten en het feit dat [appellant] het syndroom van Asperger heeft op het standpunt mogen stellen dat vrees voor misbruik van wapens door [appellant] bestond en dat twijfel bestond aan het verantwoord zijn van het wapenverlof. Met het rapport en de verklaring van psychiater dr. F.W. Wilmink heeft [appellant] niet aangetoond dat het voorhanden hebben van wapens en munitie aan hem kan worden toevertrouwd. De staatssecretaris heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat aan het persoonlijke belang van [appellant] om een wapenverlof te hebben ter uitoefening van de schietsport geen groter gewicht hoeft te worden toegekend dan aan het algemeen belang van de veiligheid van de samenleving, aldus de rechtbank.

Het hoger beroep van [appellant]

4.    [appellant] betoogt dat de politiemutatie van 17 juli 2013 uit het systeem is verwijderd en dat de rechtbank ten onrechte daarmee rekening heeft gehouden. Ook heeft de staatssecretaris uit de politiemutatie van 5 januari 2015 verkeerde conclusies getrokken. De politiemutatie van 26 februari 2015 over hinderlijke gedragingen waarvoor [appellant] een strafbeschikking heeft gekregen, is door de strafrechter vernietigd. Gelet hierop blijft er weinig over van de onderbouwing dat het syndroom van Asperger bij hem ertoe zou leiden dat hij zich onvoldoende betrouwbaar gedraagt. Onduidelijk is waarom de verklaring van de psychiater dat hij geen belemmering ziet om aan [appellant] het wapenverlof te verlenen op onvoldoende grond is gebaseerd. De staatssecretaris heeft zelf gesteld dat de mutatierapporten geen zelfstandige grond voor de weigering vormen, dus hoefde de psychiater daarvan geen melding te maken. Verder staan ook in andere politiemutaties onjuistheden vermeld. Dit blijkt uit de diverse verklaringen die [appellant] heeft overgelegd. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte overwogen dat in beginsel van die rapporten mag worden uitgegaan, zeker nu is gebleken dat het bijna onmogelijk is om onjuistheden in de politiemutaties nog te laten wijzigen, aldus [appellant].

Mocht de vergunning worden geweigerd?

5.    Op grond van de circulaire is een psychische stoornis, onafhankelijk van het type en de ernst, altijd een risicofactor voor de psychische gesteldheid van een aanvrager. Niet in geschil is dat [appellant] het syndroom van Asperger heeft. Daarom kan hij gezien de circulaire alleen door middel van een verklaring van een psychiater aantonen dat het hebben van wapens en munitie aan hem kan worden toevertrouwd. Uit deze verklaring moet duidelijk blijken dat de psychiater bekend is met de problemen van betrokkene en dat deze niet (langer) een belemmering vormen om aan betrokkene een vergunning te verlenen voor het voorhanden hebben van vuurwapens. De rechtbank heeft op goede gronden overwogen dat de verklaring van dr. Wilmink weliswaar duidelijk is ten aanzien van het syndroom van Asperger en de gevolgen die dat syndroom kan hebben voor het gedrag van [appellant], maar dat uit die verklaring niet blijkt dat de psychiater bekend was met de conflictsituaties die zijn ontstaan tussen [appellant] en gezagsdragers van de politie, die in ieder geval mede zijn veroorzaakt door het onvoorspelbare gedrag dat [appellant] op die momenten vertoonde. De circulaire schrijft namelijk voor dat het bekend zijn met de problemen duidelijk uit de verklaring moet blijken. En zelfs als dat het geval is, hoeft aan de verklaring geen doorslaggevende betekenis te worden gehecht. De politiemutaties beschrijven mogelijk niet geheel foutloos wat er in de desbetreffende situaties is voorgevallen en de mutatie van 26 februari 2015 is in belangrijke zin gewijzigd, nu [appellant] door de politierechter is vrijgesproken van het strafbare feit dat in de mutatie van die datum is vermeld. Maar dat maakt voor deze procedure geen verschil, nu onbetwist is dat de situaties die worden beschreven in de betwiste politiemutaties zich daadwerkelijk hebben voorgedaan. De rechtbank is dan ook terecht tot het oordeel gekomen dat de staatssecretaris zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie niet aan [appellant] kon worden toevertrouwd.

Maakt de nieuwe verklaring van de psychiater nog verschil?

6.    De nieuwe verklaring van 28 mei 2018 van een andere psychiater kan niet leiden tot een ander oordeel. Hiervoor is van belang dat deze verklaring pas tot stand is gekomen nadat de staatssecretaris het besluit van 22 februari 2016 had genomen. De verklaring kan daarom niet leiden tot het oordeel dat de staatssecretaris een andersluidend besluit had moeten nemen. Ter zitting is bovendien door de korpschef verklaard dat niet ter plekke kan worden beoordeeld of op grond van deze verklaring wel een wapenverlof zou kunnen worden verleend. De verklaring kan wel worden meegenomen als een nieuwe aanvraag wordt ingediend, maar zoals ook onder 5. is overwogen, hoeft aan die verklaring in die procedure echter geen doorslaggevende betekenis te worden gehecht.

Conclusie en proceskosten

7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van drs. M.H. Kuggeleijn-Jansen, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen    w.g. Kuggeleijn-Jansen

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2018

545. BIJLAGE

Wet wapens en munitie

Artikel 7

1.    De in deze wet genoemde erkenningen, consenten, vergunningen, verloven en ontheffingen worden, onverminderd de bijzondere gronden tot weigering daarvan en onverminderd verordening (EU) nr. 258/2012, geweigerd indien:

[…]

c.    er reden is om te vrezen dat aan de aanvrager het onder zich hebben van wapens of munitie niet kan worden toevertrouwd;

d.    er reden is om te vrezen dat daarvan dan wel van wapens of munitie misbruik zal worden gemaakt;

[…]

Circulaire Wapens en Munitie 2016

A. Algemeen deel

1.4.4.1. Verlening en verlenging

[…]

Beoordeling van de aanvraag

Na ontvangst van het aanvraagformulier en het inlichtingenformulier worden de volgende stappen doorlopen om te bepalen of de aanvrager in aanmerking komt voor de verlening van het gevraagde verlof:

1.    De aanvrager doet zijn aanvraag in persoon en legitimeert zich daarbij. Controleer de identiteit en leeftijd van de aanvrager;

2.    Controleer of de aanvrager daadwerkelijk woonachtig is en ingeschreven staat op het opgegeven adres;

3.    Controleer in het bijzijn van de aanvrager of het aanvraagformulier en het inlichtingenformulier volledig zijn ingevuld en of de aanvraag compleet is. Indien dit niet het geval is dan wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld om zijn aanvraag aan te vullen.

4.    Ga na of de aanvrager een redelijk belang heeft bij de verlening van een verlof (zie hiervoor de in onderdeel B2 tot en met B6 opgenomen criteria)

5.    Controleer of het voorhanden hebben van (vuur)wapens en/of munitie aan de aanvrager kan worden toevertrouwd (zie onderdeel B1). Hiertoe dienen minimaal de volgende bronnen geraadpleegd te worden: *Justitieel Documentatieregister; *De interne politieregisters; *CIE-registers (voor zover mogelijk. * Open bronnen. De volgende bronnen kunnen worden geraadpleegd indien daartoe aanleiding bestaat (deze opsomming is niet limitatief): de wijkagent, de referenten, de aanvrager zelf in een nader gesprek.

6.    Bespreek met de aanvrager of de vragen op het inlichtingenformulier goed door de aanvrager konden worden ingevuld. Kondig aan dat, als daar aanleiding toe is, een vervolggesprek onderdeel kan uitmaken van de procedure en dat, los daarvan, referenten kunnen worden geraadpleegd.

7.    Controleer - middels een bezoek aan de locatie waar het wapen en/of de munitie opgeslagen zal gaan worden - of de aanvrager beschikt over een opbergplaats die voldoet aan de eisen voor het opbergen van wapens en/of munitie (zie B8). Het verdient aanbeveling om deze controle - in verband met de mogelijk daaruit voor de aanvrager voortvloeiende consequenties, zoals de aanschaf van een wapenkluis of de aanpassing van een bergplaats - pas uit te voeren als vast staat dat het verlof kan worden verleend.

1.4.4.6. Weigering en intrekking

Een verlof wordt geweigerd indien niet wordt voldaan aan de voorwaarden zoals genoemd in artikel 28, tweede lid, van de WWM (zie onderdeel A 1.4.4.1) of indien sprake is van één van de weigeringsgronden zoals genoemd in artikel 7, eerste lid, van de WWM. De meest frequent toegepaste weigeringsgronden zijn de onder sub b en c genoemde situaties van ‘het niet kunnen toevertrouwen’ en ‘vrees voor misbruik’ (zie onderdeel B1 voor de nadere invulling van deze begrippen).

[…]

B. Bijzonder deel (B)

1.1. Geen vrees voor misbruik - Algemeen

Artikel 7, eerste lid, van de WWM, stelt dat de in de WWM genoemde vergunningen (erkenningen, consenten, verloven en ontheffingen), onverminderd de bijzondere gronden tot weigering daarvan, worden geweigerd indien (onder meer) er reden is om te vrezen dat aan de aanvrager het onder zich hebben van wapens of munitie niet kan worden toevertrouwd of er reden is om te vrezen dat daarvan dan wel van wapens of munitie misbruik zal worden gemaakt.

[…]

‘Vrees voor misbruik en ‘het niet langer kunnen toevertrouwen’ zijn twee verschillende omschrijvingen voor in feite dezelfde situatie. Hetgeen hierna wordt opgemerkt met betrekking tot de invulling van het ‘vrees voor misbruik-criterium’ kan daarom analoog worden toegepast indien het de intrekking of weigering van een vergunning betreft om reden dat het voorhanden hebben van wapens of munitie niet (langer) kan worden toevertrouwd.

1.2. Invulling van het ‘vrees voor misbruik’ criterium

Wapens en munitie vormen een potentieel ernstige bedreiging voor de veiligheid in de samenleving indien zij in handen komen van personen die onvoldoende betrouwbaar zijn om wapens en munitie voorhanden te hebben.

Derhalve wordt er een restrictief beleid gevoerd waar het de toepassing van het criterium ‘geen vrees voor misbruik’ betreft.

Degene aan wie een vergunning wordt verleend voor het voorhanden hebben van wapens en/of munitie komt in een bijzondere positie te verkeren ten opzichte van zijn medeburgers, voor wie immers het algemene wettelijke verbod geldt om wapens of munitie voorhanden te hebben. Die positie brengt met zich mee dat van de vergunninghouder stipte naleving van de (wapen)wettelijke voorschriften moet kunnen worden verlangd en dat van hem tevens wordt verwacht dat hij zich onthoudt van overtredingen die kunnen worden beschouwd als een (ernstige) aantasting van de rechtsorde.

Het weigeren dan wel intrekken van een verlof is uitdrukkelijk geen strafrechtelijke sanctie, maar is een maatregel ter bescherming van de veiligheid in de samenleving. Tegen de achtergrond van het eerdergenoemde maatschappelijke belang, is daarom reeds geringe twijfel aan het verantwoord zijn van de te maken (of gemaakte) uitzondering - ook naar de vaste jurisprudentie van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State - voldoende reden om een verlof niet te verlenen respectievelijk in te trekken. Het spreekt voor zich dat die twijfel gebaseerd moet zijn op een objectief toetsbare motivering (zie hierna).

Voor de beoordeling van de vraag of in een bepaald geval vrees voor misbruik bestaat worden in dit onderdeel een aantal concrete criteria gegeven. De korpschef zal aan de hand van deze criteria in elk geval afzonderlijk moeten bezien of er sprake is van ‘vrees voor misbruik’.

Bij het onderzoek in verband met de vraag of er vrees voor misbruik bestaat kan gebruik worden gemaakt van informatie afkomstig uit de registers van de justitiële documentatie en van andere, politiële informatie, die afkomstig kan zijn uit verschillende bronnen.

Bij dergelijk onderzoek kan blijken van:

a.    veroordelingen en andere rechterlijke uitspraken;

b.    andere omtrent de aanvrager bekende feiten.

[…]

Ad b. (andere omtrent de aanvrager bekende feiten)

Algemeen

Vrees voor misbruik kan ook worden aangenomen op basis van andere, niet uit veroordelingen of transacties gebleken, omtrent betrokkene bekende feiten.

In zijn algemeenheid geldt dat tegen een aanvrager (houder) bestaande bezwaren, voor zover daarvan niet reeds blijkt uit veroordelingen of opgemaakte processen-verbaal, alsnog in een rapport dienen te worden vastgelegd.

[…]

Psychische gesteldheid

In beginsel is het niet verantwoord om aan iemand die - door oorzaken van zowel interne, als externe aard - onder sterke psychische druk staat, wat tot uitdrukking komt in een onvoorspelbaar gedragspatroon of (bijvoorbeeld) alcohol- en drugsmisbruik en waarbij de indruk bestaat dat de vergunninghouder zichzelf niet in de hand heeft, het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie toe te vertrouwen. In het bezit van een vuurwapen zou de vergunninghouder een gevaar zijn voor zichzelf en voor de openbare orde en veiligheid. Indien de aanvrager of vergunninghouder - in tegenstelling tot de korpschef - van mening is dat het voorhanden hebben van wapens en munitie wel aan hem kan worden toevertrouwd dan dient hij dit aan te tonen middels een schriftelijke verklaring van een arts/psychiater. Uit deze verklaring moet duidelijk blijken dat de arts/psychiater bekend is met de problemen van betrokkene en dat deze niet (langer) een belemmering vormen om aan betrokkene een vergunning te verlenen voor het voorhanden hebben van (vuur)wapens. Een dergelijke verklaring wordt dan in de beoordeling betrokken, maar daaraan hoeft niet altijd doorslaggevende betekenis te worden toegekend. Dat is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Zo mag van iemand die recent nog onder behandeling was in verband met zijn psychische gesteldheid, worden verwacht dat hij over een langere periode aantoont dat zijn psychische gesteldheid niet meer aan het bezit van wapens en munitie in de weg staat.

Risicofactoren betreffende de psychische gesteldheid van aanvragers of houders van een wapenverlof met het oog op potentieel misbruik van een (legaal) vuurwapen zijn:

•    Klinische factoren (psychische stoornis, verslaving, gedwongen opname, forensische zorg en suïcidale gedachten);

•    Stressvolle omstandigheden (problemen in relationele sfeer, problemen in de arbeidssfeer of opleiding, gebrekkig sociaal steunsysteem en stressvolle levensomstandigheden);

•    Specifieke kenmerken van de aanvrager (agressie, crimineel gedrag, impulsiviteit en zelfregulatie, zelfstandige handelingsbekwaamheid, fascinatie voor geweld, extreme uitingen en/of uitingen van radicalisering).