Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:3296

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-10-2018
Datum publicatie
10-10-2018
Zaaknummer
201800718/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2017:10336, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 mei 2017 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag van [appellante] over 2015 definitief berekend en vastgesteld op nihil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2018/429 met annotatie van L.J.A. Damen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201800718/1/A2.

Datum uitspraak: 10 oktober 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 15 december 2017 in zaak nr. 17/3472 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 26 mei 2017 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag van [appellante] over 2015 definitief berekend en vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 3 juli 2017 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 december 2017 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 september 2018, waar [appellante], bijgestaan door mr. P.E. Stam, advocaat te Zaandam, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door mr. drs. J.H.E. van der Meer, zijn verschenen.

Overwegingen

    Inleiding

1.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

2.    [appellante] heeft vanaf 2008 tot 2014 in Midden-Amerika gewoond. Zij is in 2013 gehuwd met haar [toeslagpartner], waarmee zij twee kinderen heeft. In 2014 is zij met haar kinderen naar Nederland teruggekeerd. [appellante] heeft over 2015 kinderopvangtoeslag aangevraagd voor de opvang van haar twee kinderen. De Belastingdienst/Toeslagen heeft een voorschot van € 13.000,00 toegekend. De echtgenoot van [appellante] woonde en werkte in 2015 in Costa Rica.

3.    Bij het besluit van 26 mei 2017, gehandhaafd bij het besluit van 3 juli 2017, heeft de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag over 2015 definitief berekend en vastgesteld op nihil. De dienst heeft aan de nihilstelling van de kinderopvangtoeslag over 2015 ten grondslag gelegd dat [appellante] geen recht heeft op kinderopvangtoeslag omdat haar partner in 2015 niet werkzaam of woonachtig was in een lidstaat van de Europese Unie, Noorwegen, IJsland, Liechtenstein of Zwitserland.

Aangevallen uitspraak

4.    De rechtbank heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag van [appellante] over 2015 terecht op nihil heeft vastgesteld. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat de partner van [appellante] niet in één van de in artikel 1.6, derde lid, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (hierna: de Wkkp) genoemde landen heeft gewoond en gewerkt en dat de partner van [appellante] evenmin tot één van de andere doelgroepen uit artikel 1.6 van de Wkkp behoort.

    De rechtbank heeft de stelling van [appellante] dat sprake is van onredelijke wetgeving niet gevolgd. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat het creëren van de aanspraak op kinderopvangtoeslag aanvankelijk bedoeld was als faciliteit om ouders met kinderen beiden te laten deelnemen aan de Nederlandse arbeidsmarkt. Vanwege strijd met Europees recht zijn de eisen in die zin aangepast dat ook de partner die niet in Nederland maar in een andere lidstaat of in Zwitserland werkt, aanspraak kan maken op kinderopvangtoeslag. Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling om vreemdelingen die geen dan wel een beperkte band met Nederland hebben een gedeelde aanspraak op een tegemoetkoming te laten maken, aldus de rechtbank.

Hoger beroep

5.    [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de wetgeving die door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: de IND) en de Belastingdienst/Toeslagen wordt uitgevoerd, niet op elkaar aansluit. [appellante] wilde haar echtgenoot en vader van haar kinderen naar Nederland halen, maar dit was volgens de regels van de IND slechts mogelijk indien zij zou werken en een bepaald inkomen zou verdienen. Om te kunnen werken diende zij gebruik te maken van kinderopvang. Haar inkomen was echter niet hoog genoeg om de kinderopvang zelf te bekostigen. Om die reden heeft zij kinderopvangtoeslag aangevraagd. Zonder kinderopvangtoeslag zou zij niet hebben kunnen werken, met als gevolg dat haar echtgenoot niet naar Nederland zou kunnen komen. Dit is in strijd met artikel 9, eerste lid, en artikel 18, tweede en derde lid, van het Verdrag inzake de rechten van het kind (hierna: het IVRK). Ingevolge deze bepalingen had de Staat passende bijstand moeten verlenen door kinderopvang mogelijk te maken, zodat het gezin herenigd kon worden en haar kinderen niet langer van hun vader gescheiden waren. Artikel 1.6 van de Wkkp had in haar geval daarom buiten toepassing moeten worden gelaten wegens strijd met het IVRK, aldus [appellante].

5.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 28 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1041) gaat het bij kinderopvangtoeslag om een financiële bijdrage van het rijk in de kosten van kinderen, waarop niet een kind zelf maar een ouder voor een kind aanspraak kan hebben. De ouder is begunstigde. Het aan de orde zijnde besluit is niet genomen jegens de kinderen van [appellante]. Dat [appellante] ingevolge artikel 1.6 van de Wkkp geen aanspraak heeft op kinderopvangtoeslag levert daarom geen strijd op met de artikelen 9 en 18 van het IVRK.

5.2.    Het betoog faalt.

6.    [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de uitsluiting van haar en haar partner van het recht op kinderopvangtoeslag over 2015 en de terugvordering van het aan voorschotten ontvangen bedrag aan kinderopvangtoeslag in strijd is met artikel 26 van het IVBPR, artikel 14 van het EVRM, artikel 8 van het EVRM en artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM. [appellante] stelt dat er geen redelijke en objectieve rechtvaardiging is voor het onderscheid naar woonland op kinderopvangtoeslag. [appellante] heeft de kosten voor kinderopvang in 2015 zelf betaald van haar loon en de kinderopvangtoeslag over 2015. Haar partner heeft niet bijgedragen in de kosten van kinderopvang en geen aanspraak gemaakt op de kinderopvangtoeslag over 2015. Door fulltime te werken heeft zij een grote bijdrage geleverd aan de Nederlandse arbeidsmarkt. De kinderopvangtoeslag over 2015 is gebruikt waarvoor deze is bedoeld en er wordt geen afbreuk gedaan aan het doel van artikel 1.6, derde lid, van de Wkkp. Daarnaast wordt door toepassing van artikel 1.6, derde lid, van de Wkkp haar recht op privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM geschonden. Door in haar geval geen kinderopvangtoeslag toe te kennen, bepaalt de overheid dat zij met een bijstandsuitkering thuis had moeten zitten om voor de kinderen te zorgen. Dit zou tot gevolg hebben dat zij niet met haar partner herenigd zou kunnen worden. Voorts heeft de terugvordering op grond van artikel 26 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) een zeer grote impact op het privéleven van haar gezin. Artikel 1.6, derde lid, van de Wkkp en artikel 26 van de Awir dienen daarom buiten toepassing te worden gelaten, aldus [appellante].

6.1.    Niet in geschil is dat [toeslagpartner] voor toepassing van de Awir en de Wkkp over 2015 als partner van [appellante] moet worden aangemerkt en dat hij geheel 2015 in Costa Rica heeft gewoond.

6.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 20 september 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2540) blijkt uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 6, vierde lid, van de Wet Kinderopvang en artikel 1.6, derde lid, van de Wkkp dat het creëren van de aanspraak op kinderopvangtoeslag aanvankelijk is bedoeld als faciliteit om ouders met kinderen beiden te laten deelnemen aan de Nederlandse arbeidsmarkt en dat die bepaling wegens strijdigheid met het Europese recht is uitgebreid, zodat ook als de partner niet in Nederland, maar in een andere lidstaat of in Zwitserland woont en werkt, een aanspraak op kinderopvangtoeslag kan bestaan.

6.3.    Toepassing van artikel 1.6, derde lid, van de Wkkp leidt tot een onderscheid tussen enerzijds een aanvrager zonder partner en een aanvrager van kinderopvang wiens partner in Nederland, een andere lidstaat of Zwitserland woont en anderzijds een aanvrager met een partner die daarbuiten woont. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 22 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3788) verbieden artikel 26 van het IVBPR en artikel 14 van het EVRM niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen, maar slechts die behandeling die als een ongerechtvaardigd onderscheid moet worden beschouwd. Zoals volgt uit vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM), dient een ongerechtvaardigd onderscheid te worden aangenomen, indien voor het gemaakte onderscheid geen redelijke en objectieve rechtvaardiging bestaat. Dit doet zich voor indien dat onderscheid geen legitiem doel dient of er geen redelijke, proportionele verhouding is tussen de gebruikte middelen en het doel dat daarmee wordt beoogd. Zie in dit verband het arrest van het EHRM van 22 maart 2012, Konstantin Markin tegen Rusland, ECLI:CE:ECHR:2012:0322JUD003007806, inzake artikel 14 van het EVRM, welke norm voor zover hier relevant vergelijkbaar is met artikel 26 van het IVBPR.

    Zoals de Afdeling heeft overwogen in voornoemde uitspraak van 20 september 2017 vormt het begrenzen van de aanspraak op kinderopvangtoeslag door middel van het stellen van woon- en werkplaatsvereisten, die deze aanspraak uitsluiten wanneer een van de ouders buiten de Europese Unie of Zwitserland woont en/of werkt, een legitiem middel tot verwezenlijking van een legitiem doel.

    Daargelaten of sprake is van vergelijkbare gevallen, beschikt de Staat bij het nemen van maatregelen op sociaaleconomisch terrein over een aanzienlijke beleids- en beoordelingsruimte, zie aldus het EHRM in de zaak Stec en anderen tegen het Verenigd Koninkrijk, arrest van 12 april 2006, ECLI:CE:ECHR:2006:0412JUD006573101, punt 52, alsmede de zaak Clift tegen het verenigd Koninkrijk, arrest van 13 juli 2010, ECLI:CE:ECHR:2010:0713JUD000720507, punt 73. In dit verband is een verschil in behandeling van enerzijds een ouder die geen partner heeft en een ouder die een partner heeft die op het grondgebied van de Europese Unie of Zwitserland woont en werkt en anderzijds een ouder die een partner heeft die niet op het grondgebied van de Europese Unie of Zwitserland woont en werkt, gerechtvaardigd.

    [appellante] heeft tevens betoogd dat toepassing van artikel 1.6, derde lid, van de Wkkp strijd oplevert met artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM. Het discriminatieverbod dat in deze bepaling is vastgelegd, is vergelijkbaar met artikel 14 van het EVRM en artikel 26 van het IVBPR die hiervoor zijn genoemd. Er bestaat daarom geen reden om ten aanzien van dit artikel anders te oordelen.

6.4.    Het betoog dat alleen [appellante] en niet ook haar partner aanspraak heeft gemaakt op de kinderopvangtoeslag over 2015, treft geen doel, omdat uit de systematiek van artikel 1.6 van de Wkkp volgt dat slechts aanspraak op kinderopvangtoeslag bestaat indien zowel de aanvrager als diens partner aan de gestelde voorwaarden voldoen. Dat de partner van [appellante] feitelijk niet heeft bijgedragen in de kosten voor kinderopvang en dat de voorschotten kinderopvangtoeslag op de bankrekening van [appellante] zijn uitbetaald, doet niet af aan de beoordeling of al dan niet een gezamenlijke aanspraak op kinderopvangtoeslag over 2015 bestaat.

6.5.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 25 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2491), kan artikel 8 van het EVRM onder omstandigheden positieve verplichtingen meebrengen, die noodzakelijk zijn voor een effectieve waarborg van het recht op privéleven en familie- en gezinsleven. Het EHRM heeft verscheidene malen geoordeeld dat artikel 8 van het EVRM ook relevant kan zijn in zaken die betrekking hebben op de besteding van publieke middelen. Hierbij is van belang dat volgens vaste jurisprudentie van het EHRM in een dergelijk geval aan de Staat een extra ruime "margin of appreciation" toekomt. In de beslissing van 3 mei 2001, in de zaak van Domenech Pardo tegen Spanje, ECLI:CE:ECHR:2001:0503DEC005599600, heeft het EHRM overwogen dat niet kan worden uitgesloten dat de weigering om een sociale uitkering toe te kennen in bepaalde gevallen in strijd kan zijn met artikel 8 van het EVRM, bijvoorbeeld indien een dergelijke weigering de normale ontwikkeling van het privéleven en familie- en gezinsleven van de minderjarige effectief onmogelijk zou maken.

    Aan artikel 8 van het EVRM kan geen positieve verplichting tot verstrekking van kinderopvangtoeslag voor de opvang van de kinderen van [appellante] worden ontleend. Dat de echtgenoot van [appellante] pas naar Nederland kon komen indien zij zou werken en een bepaald inkomen zou verdienen, vormt geen zeer bijzondere omstandigheid op grond waarvan in dit geval een dergelijke positieve verplichting moet worden aangenomen.

6.6.    Gelet op het voorgaande bestaat geen grond voor het oordeel dat artikel 1.6, derde lid, van de Wkkp vanwege strijd met artikel 26 van het IVBPR, artikel 8 van het EVRM, artikel 14 van het EVRM of artikel 1 van het Twaalde Protocol bij het EVRM buiten toepassing moet worden gelaten.

6.7.    Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat artikel 26 van de Awir buiten toepassing moet worden gelaten wegens strijd met voornoemde internationaalrechtelijke bepalingen. In artikel 26 van de Awir is dwingendrechtelijk bepaald dat indien een herziening van een voorschot leidt tot een terug te vorderen bedrag de belanghebbende het bedrag van de terugvordering in zijn geheel is verschuldigd. In de Awir is geen bepaling opgenomen op grond waarvan de Belastingdienst/Toeslagen van terugvordering kan afzien dan wel de terugvordering kan matigen. Bij toepassing van deze bepaling wordt, anders dan [appellante] stelt, geen onderscheid gemaakt naar woonplaats van de partner. Daarom is geen sprake van strijd met artikel 26 van het IVBPR. Voor zover [appellante] betoogt dat terugvordering van het bedrag aan teveel betaald voorschotten strijdig is met artikel 8 van het EVRM, overweegt de Afdeling dat, daargelaten of de terugvordering een inmenging in het privé- en gezinsleven van [appellante] vormt, de terugvordering noodzakelijk kan worden geacht in het belang van het economisch welzijn van het land. De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellante] de Belastingdienst/Toeslagen kan verzoeken een betalingsregeling te treffen.

6.8.    Het betoog faalt.

7.    [appellante] betoogt dat zij er op mocht vertrouwen dat zij over 2015 recht had op kinderopvangtoeslag en dat het aan haar verleende voorschot juist was. Pas in de bezwaarprocedure is gebleken dat zij geen recht had op kinderopvangtoeslag omdat haar echtgenoot in 2015 in Costa Rica woonde, terwijl de dienst in 2016 al met de toeslagpartner van [appellante] bekend was en in 2016 diverse herziene voorschotbeschikkingen over 2015 aan haar heeft verzonden, waarbij haar recht op kinderopvangtoeslag over 2015 niet is gewijzigd. Ook hebben medewerkers van de Belastingtelefoon haar deze afwijzingsgrond nimmer meegedeeld. Zij hebben haar slechts meegedeeld dat de hoogte van de toeslag afhankelijk is van het gezamenlijke inkomen over 2015 en geïnformeerd naar het inkomen van haar partne[appellante] mocht er daarom op vertrouwen dat zij recht had op kinderopvangtoeslag over 2015. Dat de Belastingdienst geen uitgebreide notities van de gesprekken met de medewerkers van de Belastingdienst/Toeslagen heeft gemaakt, is een verzuim dat niet voor haar rekening dient te komen, aldus [appellante].

7.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 29 juli 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ4093), vloeit uit het bepaalde in artikel 16, eerste lid, gelezen in samenhang met het vierde en vijfde lid, van de Awir voort dat aan de verlening van een voorschot niet het gerechtvaardigde vertrouwen kan worden ontleend dat een met dat voorschot overeenkomende aanspraak op toeslag bestaat. Het voorschot wordt verleend tot het vermoedelijke bedrag van de tegemoetkoming en die voorschotverlening kan worden herzien. Daargelaten of de Belastingdienst/Toeslagen reeds in 2016 op de hoogte was van het feit dat de echtgenoot van [appellante] in 2015 in Costa Rica woonde, heeft [appellante] hieraan niet het vertrouwen mogen ontlenen dat het aan haar verleende voorschot juist was en de Belastingdienst/Toeslagen de voorschotten niet zou terugvorderen.

7.2.    Evenmin heeft [appellante] een gerechtvaardigd vertrouwen mogen ontlenen aan de mededelingen die door medewerkers van de Belastingdienst/Toeslagen zouden zijn gedaan. Zoals volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 22 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2745) is voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel vereist dat een aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete en ondubbelzinnige toezegging is gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. De toezegging dient in dit concrete geval in te houden dat [appellante] recht heeft op kinderopvangtoeslag over 2015. Los van de omstandigheid dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld wat tijdens de telefoongesprekken is besproken, strekt de door [appellante] gestelde mededeling daar niet toe. De mededeling heeft slechts betrekking op de berekening van de hoogte van het recht op kinderopvangtoeslag en is dus geen toezegging in de hiervoor bedoelde zin.

7.3.    Het betoog faalt.

Conclusie

8.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. G.M.H. Hoogvliet, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, griffier.

w.g. Hoogvliet    w.g. Lodder

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2018

17-856. BIJLAGE - wettelijk kader

Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten

Artikel 26

Allen zijn gelijk voor de wet en hebben zonder discriminatie aanspraak op gelijke bescherming door de wet. In dit verband verbiedt de wet discriminatie van welke aard ook en garandeert een ieder gelijke en doelmatige bescherming tegen discriminatie op welke grond ook, zoals ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere status.

Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

Artikel 8

Recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven

1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Artikel 14

Verbod van discriminatie

Het genot van de rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, moet worden verzekerd zonder enig onderscheid (discriminatie) op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.

Protocol nr. 12 bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

Artikel 1

1. Het genot van elk in de wet neergelegd recht moet worden verzekerd zonder enige discriminatie op welke grond dan ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.

2. Niemand mag worden gediscrimineerd door enig openbaar gezag op met name een van de in het eerste lid vermelde gronden.

Verdrag inzake de rechten van het kind

Artikel 9, eerste lid

1. De Staten die partij zijn, waarborgen dat een kind niet wordt gescheiden van zijn of haar ouders tegen hun wil, tenzij de bevoegde autoriteiten, onder voorbehoud van de mogelijkheid van rechterlijke toetsing, in overeenstemming met het toepasselijke recht en de toepasselijke procedures, beslissen dat deze scheiding noodzakelijk is in het belang van het kind. Een dergelijke beslissing kan noodzakelijk zijn in een bepaald geval, zoals wanneer er sprake is van misbruik of verwaarlozing van het kind door de ouders, of wanneer de ouders gescheiden leven en er een beslissing moet worden genomen ten aanzien van de verblijfplaats van het kind.

Artikel 18

1. De Staten die partij zijn, doen alles wat in hun vermogen ligt om de erkenning te verzekeren van het beginsel dat beide ouders de gezamenlijke verantwoordelijkheid dragen voor de opvoeding en de ontwikkeling van het kind. Ouders of, al naar gelang het geval, wettige voogden, hebben de eerste verantwoordelijkheid voor de opvoeding en de ontwikkeling van het kind. Het belang van het kind is hun allereerste zorg.

2. Om de toepassing van de in dit Verdrag genoemde rechten te waarborgen en te bevorderen, verlenen de Staten die partij zijn passende bijstand aan ouders en wettige voogden bij de uitoefening van hun verantwoordelijkheden die de opvoeding van het kind betreffen, en waarborgen zij de ontwikkeling van instellingen, voorzieningen en diensten voor kinderzorg.

3. De Staten die partij zijn, nemen alle passende maatregelen om te waarborgen dat kinderen van werkende ouders recht hebben op gebruikmaking van diensten en voorzieningen voor kinderzorg waarvoor zij in aanmerking komen.

Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen

Artikel 3, eerste lid

1. Partner van de belanghebbende is degene die ingevolge artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen als partner wordt aangemerkt. Artikel 2, zesde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 16, eerste, vierde en vijfde lid

1. De Belastingdienst/Toeslagen verleent de belanghebbende die een aanvraag voor een tegemoetkoming indient vóór 1 april van het jaar volgend op het berekeningsjaar waarop de tegemoetkoming betrekking heeft, een voorschot tot het bedrag waarop de tegemoetkoming vermoedelijk zal worden vastgesteld binnen 13 weken na de ontvangst van de aanvraag.

4.Het bedrag van het voorschot, bedoeld in het eerste lid, bedraagt nihil indien naar het oordeel van de Belastingdienst/Toeslagen onvoldoende gegevens bekend zijn bij de Belastingdienst/Toeslagen ten aanzien van de belanghebbende, tenzij de belanghebbende op de door de Belastingdienst/Toeslagen aangegeven wijze zijn aanspraak op een tegemoetkoming aannemelijk maakt.

5. De Belastingdienst/Toeslagen kan het voorschot herzien.

Artikel 26

Indien een herziening van een tegemoetkoming of een herziening van een voorschot leidt tot een terug te vorderen bedrag dan wel een verrekening van een voorschot met een tegemoetkoming daartoe leidt, is de belanghebbende het bedrag van de terugvordering in zijn geheel verschuldigd.

Algemene wet inzake rijksbelastingen

Artikel 5a, eerste lid, onder a

1. Als partner wordt aangemerkt:

a. de echtgenoot.

Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen

Artikel 1.6, derde lid

3. Een ouder met een partner heeft slechts aanspraak op een kinderopvangtoeslag, indien de partner in Nederland, een andere lidstaat of Zwitserland woont, en

a. in Nederland of op het continentaal plat, in een andere lidstaat of in Zwitserland arbeid verricht,

b. een uitkering ontvangt als bedoeld in het eerste lid, onder c, e, h of i, en gebruik maakt van een in één van die onderdelen bedoelde voorziening gericht op arbeidsinschakeling of een daarmee vergelijkbare uitkering respectievelijk voorziening, vastgesteld krachtens de wetgeving van een andere lidstaat of Zwitserland,

c. werkloos wordt als bedoeld in het tweede lid en een uitkering ontvangt als bedoeld in het tweede lid, onder a of b, of een daarmee vergelijkbare uitkering, vastgesteld krachtens de wetgeving van een andere lidstaat of Zwitserland, of

d. een persoon is als bedoeld in het eerste lid, onder f, g, j, k of l.