Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2018:3280

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-10-2018
Datum publicatie
10-10-2018
Zaaknummer
201708736/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2017:7549, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 november 2015 heeft het college [appellant] een bestuurlijke boete ten bedrage van € 12.000.- opgelegd voor het overtreden van de Huisvestingswet op het adres [locatie 1] te Amsterdam en deze boete ingevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2018/431 met annotatie van mr. T.I. Oost
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201708736/1/A3.

Datum uitspraak: 10 oktober 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 september 2017 in zaak nr. 16/3804 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 26 november 2015 heeft het college [appellant] een bestuurlijke boete ten bedrage van € 12.000.- opgelegd voor het overtreden van de Huisvestingswet op het adres [locatie 1] te Amsterdam en deze boete ingevorderd .

Bij besluit van 26 april 2016 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 september 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 juni 2018, waar [appellant], en het college, vertegenwoordigd door mr. R. Lo Fo Sang en mr. A. Brandenburg, zijn verschenen.

De Afdeling heeft in het verhandelde ter zitting aanleiding gevonden het onderzoek aan te houden om het college in de gelegenheid te stellen nogmaals de zaak te bekijken en over de uitkomst daarvan te berichten. Op het bericht van het college heeft [appellant] gereageerd.

Omdat [appellant] heeft verklaard dat hij gebruik wil maken van het recht om opnieuw te worden gehoord, heeft de Afdeling de zaak opnieuw ter zitting behandeld op 25 september 2018, waar [appellant], en het college, vertegenwoordigd door mr. R. Lo Fo Sang, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. appellant] is eigenaar van de woning op het adres [locatie 1] (hierna: de woning) en stond tot 7 november 2014 ingeschreven op dit adres. Naar aanleiding van een melding over het gebruik van de woning voor vakantieverhuur hebben toezichthouders op 15 september 2015 een huisbezoek aan de woning afgelegd. In de woning troffen zij twee personen aan die naar eigen zeggen de woning voor een periode van drie maanden huurden via Airbnb.

Het college heeft [appellant] een bestuurlijke boete opgelegd omdat hij de woning in strijd met het bepaalde in artikel 30, eerste lid, onder a, van de Huisvestingswet aan de bestemming tot bewoning heeft onttrokken. [appellant] is het daar niet mee eens.

Wettelijk kader

2. De van belang zijnde bepalingen uit de Huisvestingswet, de Huisvestingswet 2014, de Wet afschaffing plusregio’s en de Regionale Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam 2013 (hierna: Huisvestingsverordening 2013) zijn vermeld in de aangehechte bijlage bij deze uitspraak.

De Huisvestingswet was van kracht tot 1 januari 2015. Deze wet is op die datum vervangen door de Huisvestingswet 2014. Op 1 juli 2015 is de definitiebepaling van het begrip 'wet' in de Huisvestingsverordening 2013 gewijzigd, in die zin dat daaronder wordt verstaan de Huisvestingswet 2014. Op 1 januari 2016 is de Huisvestingsverordening 2013 vervangen door de Huisvestingsverordening Amsterdam 2016.

Besluiten en aangevallen uitspraak

3. In het in bezwaar gehandhaafde besluit heeft het college zich op het standpunt gesteld dat [appellant] de woning in strijd met artikel 30, eerste lid, onder a, van de Huisvestingswet aan de bestemming tot bewoning heeft onttrokken. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat niemand staat ingeschreven op het adres en de woning via internet wordt aangeboden als hotel. Verder zijn bij bezoek aan de woning twee toeristen aangetroffen en waren in de woning geen persoonlijke spullen aanwezig.

3.1.

De rechtbank heeft geoordeeld dat als gevolg van een vergissing bij de wijziging van de Huisvestingverordening 2013 per 1 juli 2015 in artikel 1, onder vv, alleen de Huisvestingswet 2014 is genoemd en niet de Huisvestingswet en dat het college in de periode tot 1 januari 2016 bevoegd was om bij woningonttrekking een boete op te leggen.

De rechtbank heeft verder overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] de woning aan de bestemming tot bewoning heeft onttrokken. Daarbij heeft zij van belang geacht dat ten tijde van de controle in de basisregistratie personen (hierna: brp) [appellant] stond ingeschreven op het adres [locatie 2] te Amsterdam en dat niet aannemelijk is gemaakt dat hij desondanks niet op dat adres woonachtig was, maar op het adres [locatie 1].

Hoger beroepsgronden en beoordeling

4. [appellant] heeft hiertegen aangevoerd dat een wettelijke grondslag voor de boete ontbreekt en dat het legaliteitsbeginsel daarom is geschonden omdat ten tijde van de oplegging van de boete de Huisvestingsverordening 2015 van toepassing was, dat daarin wordt verwezen naar artikel 30 van de Huisvestingswet 2014 en dat dit artikel niet ziet op het onttrekken van woonruimte. De foutieve definitie van het begrip ‘wet’ kan niet worden aangemerkt als een kennelijke verschrijving omdat die niet eenvoudig kan worden hersteld en de fout niet onmiddellijk en zonder enige twijfel herkenbaar is.

4.1.

Dit betoog slaagt niet. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie onder meer de uitspraak van 20 december 2017 in zaak nr. ECLI:NL:RVS:2017:3475) moet onder het begrip "de wet" in artikel 59 van de Huisvestingsverordening 2013 - zoals deze gold vanaf 1 juli 2015 en derhalve ten tijde van het opleggen van de boete op 26 november 2015 - de Huisvestingswet worden verstaan. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de onjuiste verwijzing een kennelijke vergissing is en dat moet worden aangenomen dat met het begrip "de wet" in artikel 59 van de Huisvestingsverordening 2013 ook na de wijziging op 1 juli 2015 nog steeds is bedoeld: de Huisvestingswet. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor een ander oordeel. Het college beschikte daarom, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, over de bevoegdheid om voor de overtreding van artikel 30 van de Huisvestingswet een bestuurlijke boete op te leggen

Zoals de Afdeling eerder in dezelfde uitspraak ook heeft overwogen is deze uitleg van artikel 59 van de Huisvestingsverordening niet in strijd met het legaliteitsbeginsel. Voor 1 januari 2015 gold artikel 30 van de Huisvestingswet en bevatte artikel 59 van de Huisvestingsverordening de bevoegdheid voor het college om voor overtreding van dit artikel een bestuurlijke boete op te leggen. Die bevoegdheid is, gelet op Artikel XXIII van de Wet afschaffing plusregio’s, na 1 januari 2015 blijven bestaan. Artikel 59 van de Huisvestingsverordening is ook per 1 juli 2015 niet gewijzigd.

5. [appellant] heeft verder aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat er sprake is van woningonttrekking. Het college heeft niet aan de op hem rustende bewijslast voldaan. Ondanks dat [appellant] stond ingeschreven op het adres [locatie 2] te Amsterdam had hij ten tijde van het opleggen van de boete zijn hoofdverblijf in de woning aan de [locatie 1] omdat zijn boot onbewoonbaar was en moest worden verbouwd. Ter onderbouwing heeft [appellant] onder meer verklaringen overgelegd van buren en een kennis.

5.1. [

appellant] stond ten tijde van het huisbezoek van de toezichthouders en de oplegging van de boete in de brp niet ingeschreven op het adres [locatie 1].

De rechtbank heeft onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 15 februari 2012 (ECLI:NL:RVS:20I2:BV5060), terecht overwogen dat de inschrijving in de brp, behoudens tegenbewijs, in beginsel een vermoeden oplevert dat de desbetreffende bewoner zijn hoofdverblijf op dat adres heeft. Omdat [appellant] niet stond ingeschreven op het adres [locatie 1] moet hij aannemelijk maken dat hij ondanks zijn inschrijving in de brp op het adres [locatie 2] zijn hoofdverblijf nog had op het adres [locatie 1].

Naar het oordeel van de Afdeling laten de overgelegde foto’s van de woonboot zien dat die niet geschikt was voor bewoning en tonen de in hoger beroep overgelegde facturen en e-mails aan dat bouwwerkzaamheden aan de woonboot hebben plaatsgevonden. Ter zitting bij de Afdeling heeft het college voorts verklaard niet meer te twijfelen aan de verklaring van [appellant] dat hij niet zijn permanente hoofdverblijf had op het adres [locatie 2]. Daarmee is echter nog niet aannemelijk geworden dat [appellant] zijn hoofdverblijf aan de [locatie 1] had. Op de foto’s van de woning op het adres [locatie 1], die door de inspecteurs zijn gemaakt, staan, behalve het meubilair, geen persoonlijke spullen van [appellant] afgebeeld. Ter zitting heeft [appellant] verklaard dat hij geen kleding en toiletspullen in de woning had maar dat hij overige persoonlijke spullen had opgeborgen in een afgesloten kast in de hal en in de schuur in de tuin. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft hij foto’s overgelegd van de gesloten deur van de kast en de schuur zonder dat de inhoud daarvan zichtbaar is. Dat er persoonlijke spullen in de woning aanwezig waren en welke, is daardoor niet vast te stellen. Met de door hem overgelegde verklaringen van buren en een kennis heeft [appellant] evenmin aannemelijk gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf had op het adres [locatie 1]. Uit die verklaringen blijkt slechts dat hij eigenaar is, de woning regelmatig verhuurt vanwege zijn verblijf in het buitenland en hij gedurende de maanden oktober tot en met december 2014, dus ongeveer een jaar voor de gestelde overtreding, wel zijn hoofdverblijf had op het adres [locatie 1].

Omdat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf nog had op het adres [locatie 1] en gezien de inschrijving in de brp op het adres [locatie 2] mocht het college van het vermoeden uitgaan dat [appellant] niet meer woonde op het adres Lutmastraat 218 H maar de woning op dit adres verhuurde. Het college heeft daarmee voldaan aan de op hem rustende bewijslast.

De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] de woning aan de bestemming tot bewoning heeft onttrokken.

Conclusie en proceskosten

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, griffier.

w.g. Michiels w.g. Van Tuyll van Serooskerken

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2018

290.

BIJLAGE

Huisvestingswet 2014 (in werking per 1 januari 2015)

Artikel 21

Het is verboden om een woonruimte, behorend tot een met het oog op het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad door de gemeenteraad in de huisvestingsverordening aangewezen categorie gebouwen en die gelegen is in een in de huisvestingsverordening aangewezen wijk, zonder vergunning van burgemeester en wethouders:

a. anders dan ten behoeve van de bewoning of het gebruik als kantoor of praktijkruimte door de eigenaar aan de bestemming tot bewoning te onttrekken;

b. anders dan ten behoeve van de bewoning of het gebruik als kantoor of praktijkruimte door de eigenaar met andere woonruimte samen te voegen;

c. van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte om te zetten;

d. te verbouwen tot twee of meer woonruimten.

Artikel 51

1. De Huisvestingswet wordt ingetrokken.

2. Een verordening die berust op de Huisvestingswet vervalt zes maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.

3. Het tweede lid is niet van toepassing op de huisvestingsverordeningen, bedoeld in artikel 2, derde lid, van de Huisvestingswet. Op deze verordeningen is artikel XXIII van de Wet afschaffing plusregio’s van toepassing.

4. Een vergunning als bedoeld in de artikelen 25 en 26, eerste en tweede lid, van de Huisvestingswet, die is verleend voor het tijdstip van inwerkingtreding van een huisvestingsverordening, wordt gelijkgesteld met een huisvestingsvergunning.

5. Een vergunning als bedoeld in de artikelen 30, eerste lid, en 33, van de Huisvestingswet, die is verleend voor het tijdstip van inwerkingtreding van een huisvestingsverordening, wordt gelijkgesteld met een vergunning die is verleend met toepassing van artikel 21 onderscheidenlijk 22.

6. Aanvragen om een vergunning die zijn ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van een huisvestingsverordening, worden behandeld volgens het voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet geldende recht.

Huisvestingswet (geldend tot 1 januari 2015)

Artikel 30

1. Het is verboden een woonruimte die behoort tot een door de gemeenteraad in de huisvestingsverordening daartoe met het oog op het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad aangewezen categorie en die gelegen is in een in de huisvestingsverordening aangewezen wijk, zonder vergunning van burgemeester en wethouders:

a. aan de bestemming tot bewoning te onttrekken, of voor een zodanig gedeelte aan die bestemming te onttrekken, dat die woonruimte daardoor niet langer geschikt is voor bewoning door een huishouden van dezelfde omvang als waarvoor deze zonder zodanige onttrekking geschikt is;

b. met andere woonruimte samen te voegen;

c. van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte om te zetten;

d. te verbouwen tot twee of meer woonruimten.

Wet afschaffing plusregio’s (geldend vanaf 1 januari 2015)

Artikel XXIII

1. De huisvestingsverordeningen, bedoeld in artikel 2, derde lid, van de Huisvestingswet, die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van kracht zijn in plusregio’s als bedoeld in artikel 104 van de Wet gemeenschappelijke regelingen, blijven in de dienovereenkomstige gebieden van kracht tot het moment waarop de gemeenschappelijke regeling waarbij de plusregio is ingesteld, krachtens artikel XVII, eerste lid, is beëindigd met dien verstande dat de verordeningen uiterlijk een jaar na inwerkingtreding van deze wet vervallen.

2. De vervaltermijn, bedoeld in het eerste lid, treedt in voorkomende gevallen in de plaats van de termijnen waarop de verordeningen zouden zijn vervallen, indien de plusregio zou hebben voortbestaan.

3. Gedurende de periode dat de huisvestingsverordeningen van kracht zijn, kan het algemeen bestuur van een voormalige plusregio deze wijzigen of intrekken.

Huisvestingsverordening (geldend van 1 juli 2015 t/m 31 december 2015)

Artikel 1 Definities

x. Onttrekkingsvergunning: de vergunning als bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de Huisvestingswet;

vv. Wet: de Huisvestingswet 2014;

Artikel 59 Bestuurlijke boete

1. Burgemeester en wethouders kunnen een bestuurlijke boete opleggen bij overtreding van artikel 7 en artikel 30 van de wet.

2. Burgemeester en wethouders leggen een boete op

a. voor de eerste overtreding van de artikelen genoemd in het eerste lid overeenkomstig kolom A van de in bijlage vijf opgenomen tabel;

b. voor de tweede en volgende overtreding van de artikelen genoemd in het eerste lid binnen drie jaar na de eerste overtreding overeenkomstig kolom B van de in bijlage 5 genoemde tabel.

In Bijlage 5, behorend bij artikel 59, is de volgende tabel opgenomen.

Regionale Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam 2013 (geldend van 1 april 2014 tot 1 juli 2015)

Artikel 1 Definities

y. Wet: de Huisvestingswet.

In Bijlage 5, behorend bij artikel 59, is de volgende tabel opgenomen.